| |
| |
| |
| |
Boekbeoordelingen
Stille Dalen door Hélène Lapidoth-Swarth. Amsterdam, P.N.V. Kampen & Zoon
Nochmaals een schrijn vol van de kostelikste juwelen, edelgesteenten, parelen, diamanten, geslepen en gedreven door de hand van een van de onfeilbaarste kunstenaars, die er ooit waren. Zulk een boekje ontleedt noch recenseert men. Men leest en.... bewondert, en - dankt, wie het schreef.
| |
Psyche door L. Couperus. Amsterdam, L.J. Veen, 1898
Een sprookje, een sprookje in proza, doch zo van het begin tot het einde toe éen uiting van de fijnste, echtste poëzie, zo oorspronkelik en nieuw van vorm en van vinding, - her-vinding was wellicht juister, vermits de kern van de door Couperus gekozen stof een van de oudste is, die in de wereld-letteren bestaan, - dat ik niet aarzel, geen ogenblik aarzel, het te noemen de heerlikste ‘dichting’ in die-n-aard, welke mij, om 't even in welke taal, van Apulejus tot E.T.A. Hoffmann, Andersen, van Eeden, Gide, de Régnier en Fiona Mac Leod bekend is.
In mijn ogen is Psyche, - waarvoor Jan Toorop een omslag tekende, dat ik noch mooier zou vinden, indien het wat minder overladen was, zo niet het volmaakste, - dát is wel degelik zijn roman Majesteit, - dan toch het aantrekkelikste en eigenaardigste, wat Couperus tot heden heeft geschreven.
Ik twijfel er geen oogenblik aan - of dit boek zal, eerlang vertaald, gelezen en geprezen worden in - vele landen.
| |
Serena - gedichten door Marie Boddaert. Utrecht, H. Honig, 1898
Veel moois! Daaronder het sonet op bl. 5, Lentenacht op bl. 14, Sneeuw op bl. 21, nr VII op bl. 38, Aggy op bl. 51, Kindersproke op bl. 53, Meeuwen op bl. 57, Eikenoord op bl. 74, Morgen op bl. 75, Avondvrede op bl. 113, nr II op bl. 135, III op bl. 137, II op bl. 159, en - meest van al - Droomevrouw op bl. 180.
Verder tekende ik bij het lezen noch tal van verspreide strofen en verzen aan, die aandoen door fijnheid van tekening, zuiverheid Van stemming, rijkdom van klank, b.v.
De lucht is blauw met teeder pluis van rood.......
of ook:
Alsof het luistert en luistrend nog hoort
vallen, vallen heel zacht,
de witte vlokken uit 's hemels poort,
Op een paar ‘zwakheden’ wil ik mede de aandacht inroepen.
De af kapping: in dichtgebouwd' boomtempel is een door niets te wettigen taalfout; en de zee golft en voert ons voort is gebrekkig van bouwen maat en van ekspressie bovendien; het epitheton groenwereldpoorten kan er niet door als taal; als een lach door de scheemring gaat er is slordig gezegd; het rijm hand, op bl. 81, komt, vooral in een klinkdicht, te ver, veel te ver van het rijm strand, zó dat het er alle ktank-gehalte bij inboet; Licht zocht zijn oog en door het licht geleid, hief zijn hand hoog de vaan van 't ideaal, acht ik verkeerd simbolisme, ontstaan uit een valse opvatting; zegloos is geen... taal; de regel: voortschuiven eindeloos, eindloos, zoolang, zoolang is geen deugdelik vers, omdat het geen eigen gang heeft en niet uitdrukt wat het moest; het avondsereen is noch eens geen Nederlands; hoor ze kan onmogelik rijmen op toortsen; en het stukje op bl. 152 is niets meer dan begonnen, niet voltooid, niet gemaakt.
In éen opzicht schijnt Marie Boddaert mij de meeste poëten van deze tijd te overtreffen; zij zingt, als geen tweede, de fijne, wonderfijne gevoelschakeringen van een kinderziel.
Haar Serena is, voor mij altans, een welkome gave.
P.d.M.
| |
Pims Poppetjes. Een kijksprookje voor zijn vriendinnetjes en vriendjes, bedacht en geteekend door oom Ben. H. Gerlings, te Amsterdam.
Sedert Wenckebach's Muizenwereld verscheen in onze Nederlanden geen kinderboek meer, dat ik zo echt artistiek en werkelik oorspronkelik zou willen noemen als dit van Oom Ben. Hier geen spoor van die maar al te zeer in de mode geraakte namaak van Engelse
| |
| |
modellen! Bij een uiterst eenvoudige tekst, waarvan het onderwerp op zich zelf al een vondst is, - kleine Pim woont, in een heus waarschijnlike kinderdroom, een hele reeks tonelen bij uit het.... leven van een gezelschap Japanse poppen, welke hie ten geschenke heeft gekregen, - tekende en kleurde Oom Ben een dikke twintig prenten, die hem, in éens, du coup, rang doen nemen onder de allerbeste kinderboekillustrators van... om 't even welk land. Men zou van zijn platen mogen zeggen: ça coule de source: van de eerste tot de laatste zitten ze vol van de prettigste humor, van de aantrekkelikste fantazie. Wat 'n kostelike tiepen van Japanners, ruiters, goochelaars, kunstenmakers, en wat 'n heerlik-leuke apen en witte muisjes! En hoe mooi en eigenaardig wist Ben dat alles te kleuren!
Kom! Niet alleen Pim en Pim's vriendjes, ook Pim's vader en moeder - al was de eerste een muzeum-bestuurder en de tweede een hooggeleerde ‘doctores,’ - zullen in het beschouwen van zoveel moois plezier vinden.
M..
Vos.
| |
Doornroosje. H. Gerlings, Amsterdam
Dit is veel, veel minder zaaks dan het boekje van Oom Ben. Het is niet oorspronkelik genoeg, niet genoeg van éen stuk; het maakt te zeer de indruk op bestelling te zijn ‘gemaakt’, niet uit smaak of behoefte te zijn ontstaan. Aan de kleurendruk is niet genoegsmaak besteed en de opvatting van de prenten is wel eens erg banaal. Talent is er wel. Dit bewijst al dadelik de prent, die wij hier mededelen... De tekenaar make zich los van zekere opvallend zichtbare invloeden en weze - Hollands vooral
Tegen November of Desember 1899 wachten wij iets beters van hem.
M..
Vos.
| |
Caesar Flaischlén. Von Alltag und Sonne. Gedichte in Prosa. Berlin, W.F. Fontane & Co, 1898
‘Dieses Buch will nicht kämpfen. Es kommt ohne Waffen. Es kommt wie ein froher Mensch, der durch einen Sonntagmorgen wandert und sich der schönen Welt freut, die sich um ihn breitet, und dann und wann ein Lied singt.’
Deze woorden, welke de dichter Flaischlén als motto voor zijn boek heeft verkozen, geven, beter dan ik het wellicht zou kunnen, de wijze van ont staan en de algemene aard van zijn bundel weder. Wat hij geeft zijn weinig meer dan - nota's, aantekeningen, indrukken, herinneringen van en aan een meestal voorbijgaand ogenblik van geluk, te vredenheid of enkel maar goede luim, waarin hij, juist óm die goede luim, het alledaagse zag anders dan alledaags, of in dat alledaagse een of ander vlug schoonheidsverschijnsel waarnam, wel eenvoudig, on-ingewikkeld, wel groots noch zeldzaam, maar toch onweerstaanbaar de lust opwekkend, om.... het, in woorden, eenvoudig en on-ingewikkeld zelf, vast te houden.
Rondos, Lieder, zo noemt Flaischlén de twee eerste, Skizzenbuch de derde, Idylle de vierde en kortaf Morgenwanderung de vijfde en laatste rubriek, waarin hij zijn boekje indeelt. En men moet wel vrede hebben zelfs met de benaming Rondos en Lieder, omdat het hem gelukt is, in ongebonden stijl, het tradiesjonele karakter van een in verzen geschreven ronde of lied te benaderen. In verscheiden stukjes, vooral in het Skizzenbuch, wordt uit het lirisme van de opgedane indruk van lieverlede een ritmus geboren, die, meer dan éens, aan rijmloze verzen doet denken. In Im Kahn, Briefblatt is het proza trocheies; in Alles Lied is het jambies, en des te voortreffelikker is de indruk, welke de maat hier teweeg brengt, omdat zij zo geheel natuurlik uit de gewaarwording zelf ontstaan is.
und dort die Bank und in den Eichenkronen
träumt golden immer doch die Sonne
und über die Dünen wie vor Jahren
rauscht das Meer... rauscht das Meer
das alte stille Menschenlied von Lieb und Lassen.
Dat is - zou 'k menen - bijna zo goed als een mooi-volgroeide lieriese stroof.
Ook onder de niet geritmeerde gedichten trof mij meer dan éen - niet door de keurige vorm alleen, ook wel door het fijne gevoel, de juiste blik, de niet banale gedachte. Einem Freunde, Ich habe es gerne, Ecce poeta, Der Künstler, Sommermittag, Mitten in der schönsten Rosenzeit, Aus der Ferne,
| |
| |
Das sind so Tage, onnetage, nr XIV uit Tagebuchblätter, Tandaradei, Nachtklänge, noch andere.
Flaischlén's zeer aantrekkelik Von Alltag und Sonne werd door Fontane recht artiestiek uitgegeven.
P.d.M.
| |
Ludwig Jacobowski. Werther der Jude. Roman. Dresden, Pierson's Verlag, 1899, 3e auflage
Ook minder goed geschreven, zou deze roman, alleen reeds om het ongemeen belangwekkende onderwerp, verdienen in vele handen te komen. De schrijver, een geboren Israëliet, - behandelt daarin het zedelike lijden van een jonge Jood, die, zelf volkomen vrij van alle geloofsvooroordeel, opgevoed in volkomen dezelfde voorwaarden als elk jong Duits protestant, rooms-katholiek of vrijdenker, om 't even, opgaande, overigens, in de beschaving van zijn geboorteland, uit al de krachten en met al de geestdrift van een edel en warmkloppend hart, toch werkelik, zedelik en maatschappelik ten onder gaat, niet door enige eigen schuld, maar alleen door de drang van de omstandigheden en de haat vooroordelen en misdaden van - anderen, zo Joden als Kristenen.
Naar zwakke plaatsen wil ik in het boek niet zoeken. Jacobowsky schreef het, toen hij vooraan in de twintig was, en wijst er zelf op in een kort Geleitwort, dat het niet ‘künstlerisch reif’ is.
Dit neemt niet weg, dat het, ook als kunstwerk, kan opwegen tegen zeer vele verhalen, welke heel wat ouder en rijper mannen dan een.... student tot auteur hadden.
Werther der Jude, natuurlik het meest doorgevoerde personage van de hele roman, is, op zich zelf, zo niet een meesterlike, dan toch vrij goede karakterstudie. Leven doet hij, en de andere bijkomende personages leven, ofschoon in 't verkort behandeld, evenzeer.
Het mooist in het boek is, wellicht, de liefdegeschiedenis in het derde deel. Dat is diep gevoeld en zeer eenvoudig en mooi gezegd.
| |
Satan Lachte......, von Ludwig Jacobowski. G.H. Meijer, Leipzig, 1898
Jacobowski is een uitgelezen verteller! Dit bewijzen vooral - zo ten minste komt het mij voor - zijn kortere schetsen en verhalen, en - onder deze - de twee of drie beste, welke hij in dit aardig gedrukt boekje verzamelde, ik noem: Mein blinder Freund, Aus Alt-Berlin, Wie ich einmal den lieben Gott vergessen.
Ik houd staan dat deze stukjes, waarvan het grootste nauweliks meer dan een enkel dagbladfuijeton zou vullen, meer kunst bevatten dan - vele heel lange Duitse en Nederlandse romans. Hier is een artiest aan het woord, die van zeer nabij verwant is met de beste vertellers van deze tijd: Alphonse Daudet uit de Lettres de mon Moulin, Paul Arène uit La Gueuse parfumée, Maupassant, soms Mendès.
Niet van gelijk gehalte acht ik Satan lachte, - een stof die onze Multatuli bondiger, krachtiger zou behandeld hebben, en ook niet Ob Könige sterben, een parabel, die, juist als parabel niet sober genoeg, te zeer met bijwerk overladen is.
Wat vooral opvalt ook weer in dit boekje, dat is - het door en door Duitse Empfinden van de, zooals wij al zagen Israëlietse schrijver. Is het ook niet door en door Duits, dat hie veel beter slaagt in het weergeven van geziene en geleefde dingen dan in het versieren van... Oosterse gelijkennissen?
Het zou 'n heel belangwekkende studie wezen, bij middel van aanhalingen uit schrijvers als Heine, Gutzkow, Auerbach, aan de ene, als Heyse, Ebers, aan de andere zijde, aan te tonen hoe heel wat semieten als kunstenaars veel beter Duitsers waren dan vele..... als in-duits geprezen niet-semieten.
| |
Ludwig Jacobowski. Loki, Roman eines Gottes. J.C.C. Bruns, Minden in Westfalen
Een van de mooiste boeken, die ik sinds jaren las.
Ik heb 't gelezen in einem durch, zoals een kind leest, met de vingers in de oren, van 's avonds 7 tot 12 in de nacht, totdat ik het eindelik, omdat het zo laat werd, moest wegleggen met een zucht van genot...
Van het arme, eenzame jongetje had ik gelezen, van het Azenkind met de nachtdiepe ogen, dat in een stormnacht geboren werd en die de blonde Berchta,
| |
| |

Illustrasie uit ‘Pims Poppetjes’
de smidsdochter, tot moeder, en tot vader Alvader Odin had. En die door de nijdige jaloerse Azengodinnen op de arme, kleine handjes werd geslagen, zó, dat hij voor altijd het lachen verleerde en die door Widar's Weib en Wali's Ehegenossin met ijskoud water uit de Thundstrom en met gloeihete evermelk werd gedrenkt.
‘Und als sich die hohe, goldhaarige Frigg zum ersten Male über ihn beugte, da hob er die winzigen Händchen empor um nach ihrem Halsschmuck zu greifen und lächelte dazu.
Holdselig, nach kinderart. Aber Frigg's Antlitz blieb finster und streng und mit der flachen Hand Schlug sie hart die Kinderfinger nieder, die sich nach ihr ausgestreckt hatten. Da erchrak der kleine Gott und zitterte und das Lachen verschwand’
Ik weet niet, dat mij ooit iets dieper heeft getroffen dan dat eenvoudige sprookjesverhaal van de jammer-ellende van dat godenkind, de enige zwarte onder al die blonden, die de mooie, goudharige goden haatte, omdat ze hem zelf het eerst hadden gehaat.
De opvatting van het enigsins gelijksoortige onderwerp is hier geheel anders dan bij Felix Dahn. De jonge, Pools-Duitse artiest heeft van Loki, de boze schaduwgod, een zeer aantrekkelike fieguur gemaakt. Ein Theil der Kraft der stets das Gute will und stets das Böse schafft.
Waar hij alleen voorttrekt langs de rotsenweg, ver weg van Urd, zijn goede pleegmoeder, - de enige, die 't arme eenzame kind vriendelik ontving, - om zijn Godenthuis Walhalla te zoeken, waar hij met de godenkinderen speelde, met Heimdall en Thor en Nanna met de zonneharen, en waar hij ook dáar al de nijd zelfs van die kinderen wekt, omdat hij de toekomst kende en 't lachen verleerd had.
Taal en stijl zijn biezonder schoon in dit boek, een korte, krachtige stijl, zonder de lange, gewonden zinnen, waarin zich anders de Duitsers zo graag vermeien. In zo gewone, eenvoudige woorden beschrijft de jonge dichter het leventje van de Azen en Azinnen en Walküren in Walhall, dat het is of men zelf onder goden woont.
‘Das war Walhall! Vom Hochsitz nieder führten goldene Stufen zu den langen Tischen, an denen die Einherjer saszen und Meth ans mächtigen Hörnern tranken, welche die hochragenden Walküren lachend und ermunternd von Neuem füllten. Ab und zu schrie eine mächtige Stimme heraus aus der weiten Asenhalle,
| |
| |
und helles Lachen liesz die Schilde und Brünnen klingen, die an den Wänden hingen.’
Volgens mijn opvatting ligt er een iedee aan dit werk te grond, zonder dat er daarom, behalve in het einde, van bepaalde tendenz sprake kan zijn. De iedee is deze, het meest geliefde thema van de moderne theologen: ‘Het goede gaat niet verloren, en de liefde sterft nooit’. Door de goedheid van Balder, de god van het licht, duurt de schepping voort, al sterven de goden..., al werd Balders Leiche auch von dannen getragen in dem riesigen Schiff! Zu Haupten des Schiffs Vordertheil Odin, der glimmende Fackel in der Rechten, indesz die weite Schaar der Asen und ihre Sippe im Tieftheil sasz und schweigend in die Flute starrte.
Zó verlieten de Azen Walhall, en Loki lachte en de goden stierven.
Maar uit Balder werd een zoon geboren onder het edelvolk der Bergen. ‘Balder is niet dood, Balder leeft, eeuwig als Loki, sterker dan Loki, Balder, de zonnezoon’.
M.i. is dit het zwakste deel van het boek, dat eigenlik op bladzij 232, bij Balders dood had moeten eindigen. In het slot van de Abschnitt ‘Loki's Ende,’ is te veel tendenz, die men meer had moeten voelen, dan dat ze zò duidelik werd geschreven. Ook zijn hier beelden en taal veel matter; het is als was de auteur vermoeid. Vermoeid van 't zich indenken in Alvaders gedachten, vermoeid van 't aaneensnoeren van die lieflike woorden, die nu eens bruisend voortstormen als een zee, dan zachtjes vervloeien als 't blauwe beekje, waar de godenkinderen met de bloemen speelden.
De illustrasies van Hermann Hendrick zijn in de tekening wellicht zeer goed; biezonder geslaagd is zeker de witte godenburcht Walhall en de weergave van de Midgardschlange, het bedroefd wanhopige gezicht van de eenzame, boze Loki au regard terrible en van Odin, die naar zijn raven luistert.
Maar de reproduksies in steendruk zijn al te gewoon en de tekening op het omslag is bepaald héel lelik, terwijl het rood en blauw en het zwart van het kaft, want méer is het niet, mij ook maar weinig kan behagen; inderdaad deze heerlike gouden vrucht van de jonge dichter van Funken en Bewegten Stunden, had ook wel een gouden schaal verdiend.
Culemborg.
A. van Eetveld.
| |
Aus meinem Blute. Gedichte van Max Bruns. J.C.C. Bruns. Verlag. Minden in Westf.
Al zijn ze hier en daar niet volmaakt van vorm, al maakt de dichter vaak een wat al te overvloedig gebruik van de vrijheid van rijmen, waaraan trouwens zelfs Goethe en Schiller zich hebben bezondigd, zoals erliegen op betrügen (in Entfesselung bl. 18), bekümmeren, flimmeren, schimmeren in Erstes Glück, bl. 44, welke, al zijn ze in het Duits geoorloofd een ernstig gedicht evenwel ontsieren; trekken deze verzen ons aan door de geweldige stroom, de machtige stroom van kracht, die er doorheen vliegt als een orkaan en in deze laffe tijd van kleine, angstvallige sentimentjes en aarzelend genieten, fris en vrij dahinbraust en alles meesleept in z'n vaart.
In dit bundeltje zijn de verzen van de cyclus Knabenzeit, Zwischenspiel, Brautzeit, Erster Sommer, de eigen geleefde verzen dus, ver weg de beste, hoewel ook hier enkele zwakkere, als Hab danck bl. 78, Einer Todten bl. 87, Im Winter 33 en zelfs Götterdämmerung, dat de auteur zelf geloof ik zeer mooi vindt, als niet geheel rijp, gemist hadden kunnen worden.
Over het algemeen, dus nà bl. 43, worden de verzen zwakker, nadat de liefde van de dichter bevrediging vond.
Vooral in het begin van het eerste bundeltje komen echter kleine juweeltjes voor, juweeltjes zo van vorm als van gedachte, van reine, echt Duitse poezie, zoals Begegnung op bl. 13, Gesegnete Stunde op bladzij 9 en dat wondermooie op bl. 29:
‘Komm wieder! Es braust ein Wirbelwind,
der sehnt sich nach dem Meere;
und ich kann dir's nicht sagen, mein Weib, mein Kind,
wie ich mich nach dir verzehre.
Mein arm ist so stark - und umschlieszt dich nicht?
| |
| |
Mein Mund ist so heisz - und er küsst dich nicht?
Und es betteln meine Lieder!
Kehr wieder!’
Van de losse stukjes, in Stimmungen und Bilder, zijn m. i wel de beste, Mänade, (prozagedicht) en Heiliger abend in der Fremde.
Het boekje, dat in een niet zeer artistiek hardgeel omslagje met grote, rode bloedpapavers steekt, is door de schrijver opgedragen aan Richard Dehmel.
A. van Eetveld.
| |
Daswina. Roman aus dem fünften Jahrhundert von Wilhelm Schriefer. Groszenhain, Baumert und Ronge, 1895
Ziehier een geschiedkundig roman, die - zonder een meesterstuk te wezen, - onder de aantrekkelikste uit de laatste jaren mag worden meegerekend. Schriefer verplaatst ons in de bij uitstek dramatiese tijden, toen nog enkele hun goden getrouw gebleven Duitse stammen, grotendeels ‘om des geloofs wille’, een strijd op leven of dood aanbonden tegen degene, die reeds tot het Kristendom bekeerd waren.
Schriefer vertelt uitmuntend, en laat, in zijn lijvig boek, de wekere toon van de legende gaarne afwisselen met de bazuinklanken van het oorlogsverhaal. Hij bezit - als niet zo heel velen - de gave, de personages, welke in gindse verre tijden óf geschiedkundig bestaan hebben óf uit zijn fantazie geboren zijn, te bezielen met dezelfde kracht van leven, waarmede men mannen en vrouwen uit onze eigen eeuw zou wensen voorgesteld te zien.
Een paar gebreken leggen wij hem ten laste. Door al te grote uitvoerigheid wordt hij wel eens langdradig - b.v. waar hij, in kapittel IV, van Romoald verhaalt, - en hij ruimt ook te veel plaats in voor wat ik zou willen noemen ‘mirakel-toevallen’ b.v. in kapittel VI en op bl. 197 en 219.
Een ergere misslag begaat de schrijver in kapittel XIII: daar bederft hij in zeker opzicht het tot dan toe voortreffelik volgehouden karakter van zijn heldin, Daswina, namelik, waar hij haar, op bl. 292, in Walimir's arm laat vallen, dit krachtens een gevoel, dat ik niet aarzel patologies ziek te noemen.
Toch bevelen wij Schriefer's werk aan alle vrienden van de historiese romandichting gaarne aan.
| |
Em. Freiherr von Bodman. Erde. Ein Gedichtbuch. München, Alb. Langen
In een zeer net, geïllustreerd omslag, een tachtigtal, meest lieriese gedichten, gerangschikt onder een viertal rubrieken: Guirlande, Flora, Lucie en Lose Blätter. Schoon niet alle van gelijke waarde, toch is ieder vers het werk van een waar en rijkbegaafd poëet. Wat Em. von Bodman vermag, wanneer hij... wil, - ik bedoel: wanneer hij alleen dicht, omdat hij werkelik iets heeft uit te zeggen, dat hem anders te zwaar zou worden, dat tonen ons de beste stukjes uit het bundeltje: Im Feld, Am Fenster, Als ich wiederkam, Gebunden, Astern, Das Schlossfräulein, Sonne, Else, Glockenspiel, noch andere.
Een paar stukjes schrijf ik - tot voorproef over.
Astern.
Und sagst du's nicht, ich hör dein Schweigen.
Mein Vater, ja, dein Haar ist weiss,
Mein Vater, sieh mich an, ich weiss:
Dein letzter Herbst glüht auf den Zweigen.
Du nahmst die blauen Astern hier
Mit Absicht in die Gartenlaube!
Und wann erst diese grüne Traube
Sich bräunt, bist du nicht mehr bei mir.
Ich werde, Vater, mich bezwingen....
Nimm meine Hand, glaub ihrer Glut:
Einst wird dein Blut in meinem Blut
Dem Land viel goldne Früchte bringen.
Gesang der Priesterinnen des Apollo.
Es ist der Tag, wo jedes Leid vergessen.
Ihr Schwestern, horcht, der Heilige ist nah,
Er meldet sich im Rauschen der Cypressen.
Und unsere Pflicht steht winkend vor uns da.
Wir lassen ihm den dunkeln Sang erschallen,
Dass seine schöne Sonne niederthaut.
Wir ziehn um seine weissen Säulenhallen,
Und jede ist geschmückt wie eine Braut.
Seht, unten, wo die kühlen Bäche fliessen,
Dort wandeln heut in Nacktheit Mann und Frau:
Sie trinken selig Duft und Klang der Wiesen,
Und Alle blicken sie zum hohen Blau.
Und Alle jauchzen sie und Alle pflücken
Die grossen Freudenblüthen dieser Welt.
Wir aber wollen nach der Frucht uns bücken,
Die golden zwischen Traum und Wachen fällt.
| |
| |
Wir bringen sie in einer Silberschaale
Zum Tempel hin, dicht neben Speer und Schild.
Wir knieen nieder: Dufte, Frucht, und strahle
Dem Volk entgegen sien verklärtes Bild!
| |
Künstler-monographien, in verbinding mit andern herausgegeben von H. Knackfusz. XXXIII. Bändchen. Leonardo da Vinci, von Adolf Rosenberg. Mit 128 Abbildungen nach gemälden und zeichnungen. Bielefeld und Leipzig. Verlag von Velhagen & Klasing-1898
Leonardo! Deze misten we al sedert lang in de reeks Knackfusz-monografieën!
Na Raffaël, Michelangelo, Boticelli, Ghirlandajo en Mantegna kon da Vinci toch niet langer achterwege blijven - te meer daar al heel wat deeltjes aan kunstenaars van geringer gehalte gewijd werden. -
Leonardo! Een van die tovernamen, die als omstraald zijn met een aureool, een van die namen, die dadelik ontzag inboezemen, die eerbied en bewondering afdwingen als voor iets heel heiligs, heel hoogs. - Leonardo, de artiestgeleerde, de artiest-wijsgeer, de artiestfiezieonomiest en zielen-ontleder - de geweldige schepper, de machtige denker, de ruige grijskop, wiens zwaardoorploegd voorhoofd de hele wetenschap

Illustrasie uit ‘Pims Poppetjes’
omvatte, de hele mensheid doorzag en doorgrondde tot in de diepste diepten van haar gemoed...; de goddelike kunstenaar, die zo heerlik wist te doen opleven in z'n werken, wat hij gezien of gevoeld had... Leonardo is voor ons altijd een van de heel hogen, van de allerhoogsten geweest, - en daarom begroeten we met vreugde het verschijnen van dit werkje, dat alweer een element te meer tot zijn verheerliking is.
En onze verwachting is niet teleurgesteld geworden. Hoe dikwijls reeds hebben we in dit tijdschrift de ‘Künstler-Monographien’ besproken en aanbevolen! Ook hier is weer iets in alle opzichten, en in verhouding met de geringe prijs (3 Mark) uiterst bevredigends geleverd. De meeste reproduksies - en er zijn er 128 - zijn wonderwel geslaagd, vooral die naar de tekeningen, die bij Leonardo wel het interessantst zijn, zoals bij meer dan éen artiest, overigens.
Heel merkwaardig is de reeks op noch al grote schaal weergegeven fragmenten van het beroemde ‘Laatste Avondmaal’, niet genomen naar een of andere vervelende kopie, maar naar het oorspronkelik fresko uit het Refektorium in Santa Maria delle Grazie te Milaan, hetwelk, alhoewel zwaar beschadigd, toch oneindig ver staat boven alle naschilderingen, die er, over 't algemeen een erg
| |
| |
ongunstig iedee van geven. Vergelijk maar eventjes die apostelkoppen van 't oriezjieneel met die op de gravuur van Raffaël Morghen of zo iemand: 't scheelt de dag tegen de nacht. Al het brede, gedurfde, karakteriestieke, 't geniale is er af; de kopjes zijn geliflaft, ‘verfraaid’ en verdraaid en onuitstaanbaar geworden - niets meer van die souffle divin, die u uit Leonardo's fiezieonomieën tegenwaait - en die, eilaas, nooit in alle gewone reproduksies, tot model genomen worden.
Hoogstplezierig zijn ook de kariekaturen. Wat snuiten en muilen hij uitdenkt of tiepeert is niet te geloven! En allen zijn ze zo wouderjuist getroffen, zo eeuwigdurend wáár, dat men bij iedere kariekatuur, hoe overdreven ze er ook uitziet, uitroept: ‘wel, ik ken iemand, die daar sprekend op lijkt!’ - en deze geniale trek van tiepering heeft, geloof ik, alleen Dürer in zo buitengewoon hoge mate met hem gemeen.
En z'n Madonna's! Die bovenaardse glimlachjes op de maagdelike gezichtjes! Wie heeft er ooit noch zó hemels kunnen glimlachen? Ze zijn om te stelen, die jonkvrouwenkopjes met grote droomogen, rechtgetrokken fijn neusje, krullende lipjes en o! zo poezele wangen!
En al die mooie dingen vinden we in deze monografie gereproduseerd, beschreven, besproken, toegelicht en gerangschikt, op een wijze, dat ook de niet-ingewijden begrijpen en genieten kunnen.
En daarin ligt wel de strekking en tevens de grote verdienste der Künstler-Monografieën: een leemte aan te vullen tussen de hoogst-geleerde standaardwerken en... de leken. Een gezegende zending is het, kunstliefde en kunstkennis te bevorderen onder de mensen - en we wensen de ondernemers van deze uitgave dan ook van harte heil om de geschikte wijs, waarop ze tot hun doel geraken.
Pauw.
| |
Early Flemish artists and their predecessors on the Lower Rhine by W.M. Conway. 29 illustrations. London Seecley & Co, Essex Street Strand, 1887
Een boek van 326 bladzijden, dat vrij veel bevat, wat de meeste ‘kenners’ (?) van onze middeleeuwse kunst tot heden toe nauweliks vermoedden!
Het is verdeeld in negen hoofdstukken, waarvan ik hier de opschriften laat volgen, omdat deze - beter, wellicht, dan een lange uiteenzetting, - van de zeer belangrijke inhoud een gedachte geven. Hoofdstuk I behandelt de oorsprong van de schilderkunst in Noordelik Europa, II de invloed van de gilden op de kunst, III het algemeen karakter van de Vlaamse kunst in de 15e eeuw, IV de van Eycken, V Rogier v.d. Weyden en v.d. Goes, VI de invloed van de Vlaamse kunst, VII Memlinc, VIII de oorsprong van de landschapschildering, IX de tapijtweverij in onze gewesten.
Zonder te beweren, dat Prof. Conway volkomen op de hoogte is van de laatste ontdekkingen van onze oudheidkenners en archievarissen, - wat b.v. Memlinc betreft, kon hij Wauters' in 1895 verschenen studie natuurlik niet kennen, - durf ik zijn mededelingen over 't algemeen vertrouwbaar en zijn redenering steekhoudend noemen.
In éen opzicht heb ik bezwaar tegen Conway's manier van de dingen voor te stellen. Hij spreekt in hoofstuk V. voortdurend van Tournai work, net alsof v.d. Weyden, - ook indien hij werkelik, zooals Pinchart beweert, te Doornik geboren werd, zich onder een andere invloed dan die van de Vlaamse van Eycken had ontwikkeld.
Early Flemish Artists is, als al wat Seeley uitgeeft, zeer netjes verzorgd.
| |
Bell's Cathedral Series: Lincoln, Southwell, Wells, York, Gloucester, The Cathedral and the See, Beverley Minster, with plan and illustration. London, Georg Bell and Sons, York Street, Covent Garden, 1898
In het geheel omvat deze reeds meer dan éens in De V.S. aanbevolen verzameling nu zeventien deeltjes. De zes nieuw-verschenen nummers, resp. het werk van A.T. Kendrick, Rev. Art Dimock, Rev. Percy Dearmer, Clutton-Brock, Massé en Hiatt, verdienen ten volle de lof, welke wij destijds aan geen van de elf vorige delen onthielden.
| |
| |
| |
Midsummer Night's Dream. Edited by Israel Gollancz and illustrated with upwards of seventy drawings in black and white by R. Anning Bell. FCAP 4 to, cloth. 5 s. net. J.M. Dent & Co, 29 & 30, Bedford street, London, W.C.
Nochmaals een van die model-uitgaven, zooals alleen de Engelse boekenmarkt er oplevert, en zoals de firma Dent er reeds zo vele uitgaf.
De Engelsen hebben er slag van, hun grote dichters, zelfs noch veel oudere dan Shakespeare, weer in het bereik te brengen van het grote publiek, ja, van de jeugd. Versierd met een overvloed van platen, die dan meestal het werk zijn van een tekenaar, die niet alleen volkomen meester is over het ambachtelike van het vak, maar daarenboven de te illustreren tekst voortreffelik begrijpt; dikwerf ook voorzien van een aantrekkelike inleiding, welke de mogelik wat duistere plaatsen toelicht; - uitgegeven, eindelik, met een smaak, als..... tot nu toe..... alleen Engelse en Ameriekaanse editors schijnen te bezitten, vinden die werken zonder veel moeite de weg naar de biblieoteek van duizenden scholieren en honderden volwassen beschaafden.
Zo'n uitgaaf is ook deze.
R. Anning Bell, van wie De V.S. reeds meer dan éens de uitzonderlike gaven deed uitschijnen, verrijkte Dent's ediesie met een reeks grote en kleine tekeningen, welke wellicht alles overtreffen wat hij tot nu toe leverde en te verkiezen zijn boven veel, wat zelfs de meest gevierde Engelse boekverlichters ons gaven. Zijn platen zijn - op zich zelf - een uitstekend kommentaar op de inhoud van Shakespeare's wondermooie fantazie.
Ook de inleiding van Israel Gollancz - in briefvorm - is een model. Zó, als hier gedaan is, moet men de meesterstukken van de heel groten bij het volk inleiden.
Alles, overigens, is in dit kostelik mooi boek in volkomen harmonie! Het omslag, licht groen met goud, ja, tot de geïll. schutbladen toe, verhogen de indruk noch van het geheel.
| |
The Fall of the Nibelungs. Translated from the German by Margaret Armour and illustrated by W.B. Macdougall. With twenty fullpage drawings. Small FCAP. 4 to, printed upon rough antique paper 6 s. net. J.M. Dent & Co, 29 & 30, Bedford Street, London, W.C.
Dit boek staat, als geheel, niet op de hoogte van het voorgaande. Bij de verzorgde inhoud en het, overigens, stoffelike uiterlik, steken de illustrasies noch al zeer af.
Zij leveren weinig karakteristieks op, en missen geheel het krachtige, grote, het kranige alluur en de heldhaftige gebaren van het oud-Germaanse epos. Dit is te meer te betreuren, daar de vertaalster op zich zelf, in ieder opzicht lof verdient. Margaret Armour is er in geslaagd, in haar kranig proza veel van de gang en haast de gehele kleur van het oorspronkelike te behouden. Terecht zeide Francis Thompson van haar: ‘This woman has made of it better work than most men could do.’
| |
Figure Painters of Holland, by Lord Ronald Gower. Landscape and pastoral painters of Holland, by Frank Cundall. Two vols. in one, 4 sh, London, Sampson Low, Marston and Company, ltd., Fetter Lane, Fleet Street, London E.C.
De uitstekende uitgeversfirma Sampson Low, Marston & Co, bezorgde, onder de tietel: Illustrated Handbooks of Art, een reeks monografieën, welke, heel wat voortreffeliker dan vele dergelike boekjes, die uit Frankrijk naar hier overkomen, wel waard zijn hier wat meer gekocht en gelezen te worden. Van de beide nummers, die wij hier aankondigen, is vooral het laatste belangrijk. Het is een zeer goede studie over deze vier meesters: Ruisdael en Hobbema, Cuyp en Potter, en hun volgelingen. Wij kunnen deze boekjes niet genoeg aanbevelen.
| |
| |
| |
La Peinture en Europe. La Hollande, par G. Lafenestre membre de l'Institut et Richtenberger. Un vol. pet. in-8. Paris, Société Française d'Editions d'Art. L.-Henri May, 9 et 11, Rue Saint-Benoit. prix, richement cartonne, 10 fr,
La Hollande, zo luidt de tietel van het vijfde deel van de in alle opzichten belangrijke verzameling katalogen, welke de Société française d'Edilions d'Art (L.- Henri May), onder de algemene tietel van La Peinture en Europe, laat verschijnen.
Geen beter vade-mecum, geen geschikter raadpleegboek laat zich voor muzeumbezoekers bedenken dan dit lijvig deel.
Niet alleen omvat het de volledige nomenklatuur van alle zowel in de voornaamste biezondere als in de openbare kunstmuzea voorhanden schilderijen, het geeft, daarenboven, in de vorm van in kleine tekst gezette, zeer zaakrijke, ofschoon beknopte aantekeningen, een schat van wetenswaardigheden omtrent oorsprong en betekenis van een groot aantal van de belangrijkste werken. En deze nota's zullen elk ernstig vriend van de kunst des te meer welkom wezen, daar zij gewoonlik alle vertrouwen verdienen. De heren Lafenestre en Richtenberger ontleenden er de inhoud van aan de beste en geleerdste kenners van de Nederlandse kunst.
Het feit, dat dit boek niet alleen over de grote muzea, b.v. Rijks-muzeum en Mauritshuis, maar ook over de zeer merkwaardige verzamelingen van enkele provinsiesteden handelt, geeft de inhoud een belang, welke geen ander ons bekende uitgaaf oplevert. Zo krijgen wij hier te horen van Leiden, Utrecht, Delft, enz., en verder van de verzamelingen van de famielie Six, prins Frederik-Hendrik, de heer Steengracht, Dr v.d. Burg, de heer de Stuers, Dr Bredius, enz.
Niet minder dan honderd, meest voortreflelik geslaagde, alleen nu en dan wat klein uitgevallen weergaven van schilderijen luisteren het deel op.
Kortom, La Hollande is een werk, waarvan de anders niet zo heel zeldzame afschrijf- en drukfouten, namelik in de persoonsnamen, - niet éens de aantrekkelikheid kunnen verminderen.
In dezelfde reeks zullen eerlangs verschijnen Rome, L'Allemagne du Nord, L'Allemagne du Sud, L'Angleterre, enz., Gaarne zal de Vlaamse School ook deze delen aan haar lezers bekend maken.
| |
En Normandie! Souvenirs de la XXIXe session (19-31 aout 1895) de la Gilde de S. Thomas et de S. Luc, recueillis par Joseph Casier, président de l'association belge de Photographie (zincs de la Maison Malvaux)
Waarlik een kostelik aandenken voor al degenen, die, hetzij ter gelegenheid van een ‘session’, gehouden door een gilde als hierboven genoemd, hetzij op een eigen uitstapje, de steden, waarvan ons hier de voornaamste, meestal kerkelike monumenten worden vertoond, bezocht hebben.
De heer Casier leidt ons, in zijn net uitgegeven plaatwerk, rond door de steden Rouaan, St George de Boscherville, Jumièges, Fontenelle, Caudebec, Evreux, Lisieux, Caen, Ardaine, Falaise, Bayeux, Coutances, Dol, en gunt ons, ten slotte, een blik op Mont Saint Michel, zijn klooster, zijn berg, enz..
In het algemeen is de stand, het point-de-vue, evenzeer te prijzen als de keuze. Slechts van een tweetal was de stand te dichtbij of te veraf, waardoor de zinco ons dan ook van de voorgestelde gebouwen of gebouwdelen geen met de werkelike verhoudingen juist overeenstemmde gedachte geeft.
Deze onschadelike krietiek betreft overigens geensins de weergave van de allerschoonste gebouwen, zooals daar zijn de hoofdkerken van Evreux, Bayeux, Coutances, enz,.
Zal de heer Casier zijn verzameling niet eens met een gelijk aantal gezichten uit andere steden van Frankrijk of..... elders, b.v. van Duitsland, en vooral van het ons van zo heel nabij verwante Noord-Duitsland (Xanten, Kleef, Wezel, Münster, Soest, Paderborn. Bremen, Schleswig, Hannover, Bardowick, Lüneburg, Lübeck, Brunswijk, Maagdeburg, Dantzig, enz.) verrijken?
Zo ja, dan drukken wij de wens uit, dat hij alsdan tevens wat meer plaats inruimt voor zo menig merkwaardig spesiemen van burgerlike bouwstijl, waarop dan toch de geest van de christelike
| |
| |

Illustrasie uit ‘Doornroosje’
| |
| |
middeleeuwen haast evenzeer zijn stempel heeft afgedrukt als op de kloosters en katedralen zelf.
Intussen verdient hij lof te over voor deze eerste, met veel smaak saamgestelde reeks.
| |
Essai sur l'Amour par Eugène Montfort. Ollendorff, Paris
In dit overigens goed geschreven werkje, geheel van bespiegelende aard en enigsins door toon en taal herinnerend aan de ontboezemingen van zekere sentiementele ‘schöne Seelen’ uit de vorige eeuw, bevallen zekere dingen ons ongemeen, terwijl weer andere ons maar zeer weinig aantrekken. Mooi, waarlik mooi, uitingen van algemeen menselike ervaring, en - juist daarom - werkelik pakkend, noem ik de hoofdstukken, waarin de schrijver handelt over het genot, dat daar ligt in minnen en wederminnen, over de zoete weeën van het gescheiden-zijn, de weeë zoetheid van het weer-verenigd worden, kortom, de gehele tweede helft van het Essai. Zwakker, veel zwakker, - minder wat betreft de vorm dan de inhoud zelf, - is het eerste deel, het verlangen naar de geliefde, het eerste ontmoeten en erkennen, enz.. Wat Montfort ons hier mededeelt, gaat niet uit van kollektieve, maar hoogstens van streng indievieduele waarneming. Erger noch, het berust op de ervaring van een niet-gezonde, van een histerikus mischien, van een neurasthenikus voorzeker. Zó als de voorgewende... andere, met de bekentenissen van wie Montfort ons laat kennis maken, én verlangt naar én kennis maakt met de uitverkoren, gebeurt het éen op honderd! Was Montfort's werkje nu een novelle, een gedicht dan zou deze krietiek van nul en gener waarde wezen. Nu het een soort wijsgerige verhandeling is, behoudt zij wel haar kracht.
| |
Teodor de Wyzewa. Beethoven et Wagner. Essais d'histoire et de critique musicales. Paris, Librairie Académique Didier, Perrin A Co, 35 Quai des Grands-Augustins. 1898. Fr. 3.50
Zeker een uitgevers-listje, deze snorkende tietel te drukken op het omslag, dat een twaalftal opstelletjes over muziek bevat, waarvan ja enkele aan Beethoven, en enkele aan Wagner, en weer andere aan Händel of Schubert of Mozart gewijd zijn, maar waartussen volstrekt geen onderling verband bestaat en die in de verste verte Beethoven en Wagner niet behandelen in hun verhouding tot elkaar, zoals men 't, bij 't eerste gezicht verwachten, en gaarne ook verwachten zou...!
't Voorliggende boek is enkel een verzameling beoordelingen en dergelike prozastukjes, links en rechts in tijdschriften en dagbladen verspreid, en die de schrijver waardig gekeurd heeft, in éen boek te verschijnen naast en achter elkaar in de vorm van een édition définitive.
Nu apart de gemelikheid die me, door de schuld van de tietel, tot vooringeno menheid stemt, ben ik er ver af 't boek alle verdienste te ontzeggen. Wel integendeel! Ik meen, dat het door de heldere, aangename stijl, de juiste opmerkingen en het buitengewoon kondensatie-vermogen van de schrijver geroepen is, om grote diensten te bewijzen, vooral aan de leken, die van de in dit boek behandelde onderwerpen geen grondige studie kunnen noch willen maken, maar die er, als ‘gebildete’ mensen toch gaarne wat van weten. En het aantal van dezulke is in deze eeuw van uitgebreide doch oppervlakkige ontwikkeling legio, en daarom ook zal 't boek aan velen nuttig en aangenaam zijn.
Al wat de schrijver zou ten laste kunnen gelegd worden, is, dat hij soms dingen houdt staan die er tamelik willekeurigen in-de-lucht-gegrepen uitzien, en misschien wet 'n beetje van gebrek aan kennis van zaken getuigen - zo o.a. betreurt hij het ergens tussenbei dat het mooie Vlaamse ras een Peter Benoi heeft voortgebracht!... Evenmin vergeef ik hem, dat bij de naam van Beethoven telkens op 't eind van de regel in Bee-thoven verdeelt, als ware hier een Griekse Θ of een een Engelse th in het spel - en dan heel geleerd praat over Beethovens Vlaamse afkomst en over 't echt Vlaams karakter van zijn ziel en zijn kunst...
Merkwaardig, in hun geheel genomen, zijn de stukken over Beethoven's jeugd,
| |
| |
de brieven van Beethoven naar Goethe, de ontleding van 't boek van Chamberlain over Wagner, de studie over de vriendschap en rupture tussen Wagner en Nietsche, de voordracht over Mozart - en 't vele goede en ware en oprechte dat daarin gezegd is, dient dan ook ten volle op prijs gesteld te worden.
Pauw.
|
|