Ik zie u steeds
Ik zie u steeds als ik van nacht u zag -
't was maar een droom, mijn lief, niets dan een droom!
En 'k droomde, dat ik in een weide lag
in luwe lommer van een appelboom.
En Meidag was het, en een sneeuw van blank
gebloemte sneeuwde rond en op mij neer.
Hoog van de hemel sprankelde gezang
van leeuwriken naar de aarde, heinde en veer.
En vòòr mijn voet, doorschijnend spiegelblad,
waaronder 't wegdiepte als een weids gewelf,
lag stil de vijver, sluimrend, rimpelglad,
louter azuur, gelijk de hemel zelf.
En een misterie, onuitspreeklik zoet,
zweefde als een geur van verse rozen rond...
De lucht was één belofte! Zonnegloed
streelde als een kus mijn wangen en mijn mond...
Toen, alsof al de glans van Lente viel
te samen in mijn hart, - gelijk een roos
die Meizon openzwachtelt, sloeg mijn ziel
haar vleugels uit. - Verlangen, eindeloos,
kwam over mij naar u, mijn lief, naar u,
mijn Zonnelief, mijn lent- en zielezon!
En tot één zucht smolt dat verlangen nu:
O kom nu! kom! zo 'k tans u kussen kon! -
En zie, o zie, de lucht nam vormen aan,
vorm kreeg ze en kleur... Ik zág het: vorm en kleur!
Als Adam Hevah eens, zag ik u staan,
als geur van rozen waaide uw lokkengeur....
En weder was het zesde scheppingsdag
en Eden was 't: daar rees de Levensboom...
- O! 'k Zie u steeds als ik van nacht u zag...
Waarom was 't maar een droom! Waarom een droom? -
In reine naaktheid, rein als 't lentazuur
stondt gij vòòr mij, met dijen, breed en mals,
de borsten vol, toch jong; en smetloos puur
de mooigeronde buik en donze hals...
En naast mij knielend op het jonge gras,
sloegt gij uw armen om mijn hals,... en toen
sloot gij uw lippen op de mijn, en 't was
me als vlood mijn ziel daarhenen in die zoen!
En - ik ontwaakte! Een grauwe regendag
schreide in mijn kamer als een groot verdriet...
- Ik zie u steeds als ik van nacht u zag...
Een droom, 't was maar een droom.... Ach! anders niet!
|
|