De Vlaamse School. Nieuwe reeks. Jaargang 11(1898)– [tijdschrift] Vlaamsche School, De– Gedeeltelijk auteursrechtelijk beschermd Vorige Volgende [pagina 352] [p. 352] Adolijn spreekt: O kom, kom in de maneschijn van nacht..., van nacht! Achter 't gesloten vensterkijn sta ik en wacht. En kom niet langs de brede baan, niet langs de stroom. - Kom door de schaduw, door de laan: ik wacht vol schroom. Kom langs het tuinhek, kom, langs waar de vlierstruik bloeit. Weet gij het lieve bankje daar, klimopbegroeid?... En volg het padje naast de muur... - Mijn hart klopt fel! Mijn slapen gloeien heet als vuur, maar - 'k hoor u wel! En 'k sluit u op mijn boezem dan zo vast, zo warm! En 'k draag u, wat ik dragen kan, op eigen arm... En als een kindje, hoort gij 't? als m'een kindje doet, wil ik uw handen, wangen, hals, uw lippen zoet, u kussen heel de lange nacht..., o! veel te kort. En 'k wou wel. - 'k wou..: 't waar al volbracht... eilaas! als 't dán weer... morgen... wordt! Pol de Mont. Vorige Volgende