De Vlaamse School. Nieuwe reeks. Jaargang 11
(1898)– [tijdschrift] Vlaamsche School, De–KunstnieuwsOngeoorloofde praktijken.
| |
[pagina 373]
| |
‘Here, vergeef het hun, want zij wisten nu eenmaal niet, wát zij deden!’ Maar dat een dichter, een heus en waar dichter, op de inval komt een gedicht te verbeteren van een kunstgenoot; van een kunstgenoot, die behoort tot de allergrootsten, die ooit in enige taal hebben geschreven; een gedicht, dat - zó als het door deze heel grote geschreven was - een weergaloos juweel is van poëzie, klein, voorzeker, bijna lillieputies klein, maar ondanks die kleinte opwegend tegen heel veel ellenlange rhapsodieën; een gedicht, dat, daarenboven, gevoeld, gedacht, gezongen werd in een andere taal dan die van de would-be-knappe verbeteraar van hierboven; dat, daarna, als het schelmstuk voltrokken is, een toondichter van talent bereid wordt gevonden, om die... verberterde uitgaaf te komponeren; ziedaar, wat ik volstrekt en volstrekt onmogelik achtte tot op de dag, toen ik in een verzameling van zangstukken aantrof zeker Wanderers Nachtlied, door de Rus Lermontoff vrij naar Goethe omgewerkt en getoonzet door Rubinstein. Wie Goethe's gedichtje kent en weet wat lieriek is, die weet ook, en Lermontoff en Rubinstein beiden dienden het ook te weten, dat geen iota in deze acht regeltjes mag worden veranderd, zonder dat iets van de stemming te loor gaat, Ueber allen Gipfeln
ist Ruh,
in allen Wipfeln
spürest du
kaum einen Hauch...
Die Vögelein schlafen im Walde!
Warte nur: balde
ruhest du auch.
Raak daar nu eens aan met uw morsige, lompe, moskovieten- of kozakkenvingeren, zo gij durft..., jawel - als gij, zonder het gehele web te bederven, éen enkel ragfijn draadje verleggen kunt in het net van een spin! Lermontoff kon het... Hij kón het! En hoe hij 't kon...! - Nu lees maar liever. Aller Berge Gipfel
ruh'n in dunkler Nacht,
aller Bäume Wipfel
ruh'n, kein Vöglein wacht.
Rauscht kein Blatt im Walde,
überall ist Ruh',
warte, Wandrer, balde,
balde ruhst auch du!
Ziet gij, vat gij, lezer! het waarôm van deze korreksie, - want het is er wel degelik een, of - juister, - het wil er een wezen, zo graag o! In Goethe's stemmingsliedje zijn alle verzen niet gelijk lang! In Goethe's stemmingsliedje is geen met de passer afgemeten strofenmaat in acht genomen.... Dát was voor die - over en overgrote Rubinstein veel te onmuziekaal! En toen nam hie z'n moskovietse Lermontoff onder de arm, en deze liet er zich toe vinden, om er de nodige ellen la-lá-la-liere en lá-la-lá-la-lá door te vlechten... Nu was het ding in orde... Twee stroofjes, elk van vier versjes, en paar en onpaar netjes even lang... En Rubenstein jubelde het uit.., Eja! Maar Goethe zelf keerde zich van verontwaardiging om in zijn graf. En Lermontoff noch Rubinstein werden gestenigd! P.d.M.
In de nette zalen van de heer Truyens, Wolstraat te Antwerpen, zagen wij onlangs een verzameling schilderijen, waaronder meer dan éen stuk van waarde. Ons persoonlik bevielen vooral een Vlaamse Kermis in de trant van Pieter Breughel de Oude, een ongelukkig wat zwart geworden, maar anders voortreffelik Binnenhuis van Maes; een aardig kopje, aan van Ostade toegeschreven; een O.L. Vrouw van Cossiers, erg Ietaljaans van opvatting en kleur, maar toch heel ernstig werk; een mooie Dode Natuur van Norbert van Bloemen, en een merkwaardig stuk, dat enkelen voor een Antoon van van Dyck houden, namelik een miethologie, Mars en Venus getieteld, naar mijn bescheiden oordeel echter het werk van een artiest uit de school van Titiaan. Vooral het rijke, krachtige koloriet verdient waardering. Een zeer fraaie Moucheron en een eigenaardig landschapje in de trant van Salvator Rosa merkte ik ook noch op. | |
[pagina 374]
| |
Jammer, dat wij van de moderne stukken uit de verzameling niet veel goeds kunnen zeggen. De verzameling is alle dagen voor het publiek toegankelik.
Julius de Praetere, de jonge, veelbelovende kunstenaar, die van de Woestijne bij onze lezers in 1897 inleidde, kondigt de verschijning aan van een reeks van vier boekdelen, waarvoor hij eigenhandig al de versieringen tekende en in houtsnede uitvoerde. Op zijn eigen handpers met alle mogelike zorg getrokken, zullen deze boeken, waarvan slechts 250 afdrukken in de handel komen, echte liefhebbersdrukken wezen, die in het dubbele opzicht van harmonie en eenheid, zo weinig mogelik zullen te wensen laten. Elk deel, van ongeveer 300 bladzijden, zal, in perkament gebonden 10 fr. kosten. De eerste band zal bevatten Lenteleven, door onze medewerker, Stijn Streuvels. De Vlaamse School beveelt het werk, - waarvan onze lezers een prospektus zullen ontvangen - met ingenomenheid aan.
Bauer is een half jaar in het Oosten geweest en heeft, als mooi-blauwe herinneringsdromen aan de Ganges, aan gloeiende luchten en goudblond icht, een schat van schetsen en schilderijen meegebracht, die gedeeltelik bij van Wisselingh tentoongesteld en verkocht werden, gedeeltelik noch later in het begin van Juli geëkspozeerd en - natuurlik, - verkocht werden. Onder meer herinner ik mij twee heel mooie impressies van Benarez aan de Ganges en wel meer in het biezonder van het gedeelte, dat Bauer Palitana noemt... Toverviezieoenen van Oosters mooi: de eerste een ets, de tweede een schilderij. De ets vertoont, in heel fijne, tere streepjes op heel mooi zacht getint papier, een grote, onregelmatige tempel van Boeddah, met een geheimzinnige waasschemer tussen de donkere zuilen, en pelgrims, die de handen biddend opheffen naar het Oosten, en derwiesjen, die op de trappen zitten, met de voeten in het water, en priesters met vrome asketengezichten vol ekstaze, die hun dompelbad nemen in de Heilige rivier, die dageliks, tot tien uur in de morgen langzaam wast tot aan de trappen van het reusachtige gebouw, waar de gelovigen opkomen van alle zijden, als tussen de koeliessen van een theater, en afdalen langs de brede trappen. Hoog, boven op een uitstekend plat, staat een fakir, heel dromerig, tevreden op éen been, met een magere arm waar de pijp doorheen schijnt, omhoog gehéven, heél hoog boven het hoofd en de andere met een kromme hoek in de zijde, alsof dat het éne doel van het leven was om daar zó maar te staan, heél stil in die brandende zon, met zijn dwepersgezicht en zijn been in de hoogte. En een ander, met een diep verachtelik gezicht, met magere leden en lange, verwarde haren, ziet, met de harige benen schrijlings onder zich gevouwen, op het lage gewriemel aan zijn voeten neer. Een achtergrond van heel kleine minaretten, van lampions aan lange, zwiepende stangen, van wuivende zonneschermen en gondels vol gelovigen, die zachtjes komen aangevaren uit de lichte verte. En vrolike apen met lenige staarten zitten overal op de uitstekende randen van het gebouw, waar een grote, mooie, blanke koe, de koe van Boeddha, met zachte ogen, op het brede, platte voetstuk ligt in die zoenende gloed, in die schroeihitte van zon. Al de andere etsen van Bauer waren al vertrokken, - verkocht, - alleen een enkel klein schilderij, een juweeltje, - enkel blonde gebouwen tegen heel teer azuur- was noch in de kunstzaal bij van Wisselingh te vinden: een blonde lichtmassa van kantfijne torens, wegdoezelend, fijn als Vlaamsche kant, tegen het tere warme blauw in de verte, een kleurenzang van enkel blond en blauw, waar alleen een heel klein zeegroen vlekje, als een grote vlinder, als een kleine vlag, een helderder toon brengt in het tedere geheel. Ik weet niet, dat ik ooit, behalve bij de Gotieken, iets zo verukkeliks, zo volmaakt moois heb gezien. | |
[pagina 375]
| |
De enige afbeeldingen van mensen in dit onvergetelik schilderij, zijn een tengere, magere asketenfieguurtje, dat een klein, groenblauw vaantje omhoogheft, en een peinzend man op de voorste voorgrond, die met de arm op een heel laag muurtje gesteund, naar de heldere, blauwe gloeilucht omhoog ziet. Er waren noch meer mooie dingen bij van Wisselingh, wiens gezellig ingerichte zaal, een soort van verzamelpunt is voor de beste jonge en jongere Noordnederlandse kunstenaars, dichters en schilders, en misschien wel enkele musici, Kloos, Witsen, Bauer, Boeken, Poggenbeek, - ik weet niet hoeveel beroemde namen, de beleefde eigenaar mij heeft genoemd? - Ik herinner me een naaiend vrouwtje vóor een zonnevenster van Israël, een van de mooiste koeienlandschappen van Willem Maris, een zanderij van Tholen, een waterverfje van Witsen, een prachtig, prachtig stuk van van der Maarel (Den Haag): een priester met de Monstrans en een kleine, blonde koorknaap met een teer, slankwitte kaars in de hand; een prachtige ‘Voorstelling voor Pilatus’ in bruin en grijs van Daumier, uit de school van Daubigny; een héle mooie, kleine akwarel van Bosboom de Kerk te Gouda; een verukkelik landschap van Corot; een paar mooie bloemen in een vaas, in de oude manier van Floris Verster en een beeldig zeetje van Dupré.
De Nachtwacht is in de loop van 1898 ‘opgeknapt’Ga naar voetnoot(1) door de Heer Hopmann te Bussum. Eerst is de oude vernislaag er door inwrijven van poeder met de hand afgenomen; dan is het afgewassen; dan opnieuw vernist.... en, wat er verder mee gebeurd is, dat is het geheim van de begaafde man met het bescheiden uiterlik, die al zovele kostbare schilderijen in Nederland en elders heeft geregenereerd en verdoekt. En het grote, gouden licht laait nu nóch klaarder van de grote gouden schilderij, die noch altijd zo weinig voordelig is geplaats, en die zoveel mooier hing in de kleine bescheiden voorkamer van het Trippenhuis, waar het enkel licht door Rembrandt was. Maar toch de restauratie is prachtig uitgevoerd. 't Is of dit droomschilderij, dat we tot heden kenden, nu eensklaps werkelikheid is geworden, een werkelikheid van leven, of de mooie fieguren te voorschijn treden, levend, bewegend, uit de lelike lijst. Men ziet de beelden op de verste achtergrond en heél in het fond, diep, in het stuk zelf een koningsfieguur met een koningsmantel, een kroon op het hoofd en een septer in de hand, en meer op de voorgrond een wapenschild, omgeven door een krans, waarop al de namen staan vermeld van de leden van het Korporaalschap van de Kapitein Frans Banning Cock, die men weervindt, onderaan, op diezelfde lelike lijst.
In het Suasso-muzeum zijn onlangs vier nieuwe stukken aangekomen, uit de kolleksie van de heer van Eeghen: een landschapje van Dupré, een ander van Théodore Rousseau, een heel mooie Neuhuys (kindertjes, die aardappeten snoepen uit een pot), en een prachtig, prachtig landschap van Gustave Courbet, een herfstlandschap met hoge bomen en een donker-grijze lucht, die wachtend schijnt te liggen op de heuvelen, wachtend op de geheimzinnig naderende Winter; die men dan voelt zuchten uit de verte, in de vreemde gouden verte, in het licht. Er ligt zulk een onbeschrijflike betovering in dit schilderij; in de takken, die hun knoestige armen opheffen; in de wind, die men aan voelt suizen over de bergen; in het tedere mosgroen van de plantjes op de rots; in de donkere grot aan de voet van de bomen, dat men aan de direkteur van het Suasso-muzeum de toestemming zou willen vragen om dit eene schilderij ten minste te mogen reproduseren. | |
Wat van het beste in het Museum Boymans te Rotterdam. Moderne kunst
israëls. Verdronken, zonder nummer | |
[pagina 376]
| |
Een vrouwtje, uitziend door een raam naar de verte, verweg naar de wijde zee.., die men weét daar te zijn in het gouden blauw in de verte, al kan men op het schilderij de zee ook niet zien. - Ze leunt vermoeid, met de arm op de tafel - de rechterhand steunend de magere kin, - en 't hele leven konsentreert zich in de ogen, - die starend moede, hopeloze ogen... Haar kleding, - eenvoudige visserskleding van grauw op grauw, hier en daar in de plooien met vonken van licht. Achter haar nevelt op de fon een eikenhouten kast met blauw porselein. Dòor de heerlike kleurentonen zingt zachtjes 't ruisen van de zee een heel stil, heel droevig lied.., een lied van wee, een lied van eenzaamheid en van scheiden.
mesdag (zonder nummer) I. De zee is licht aan de kuiven van de golven, in 't water groen met het smaragdgroen van geweldig komende stormen... Een meesterstuk van alles durvend kunnen die kleur van dat water, waaruit men het gieren hoort van de wind. Hoog vliegen ze op, de stormgolven met hun witte kammen... en 't schuim stuift omhoog als witte vlokken uit de donzige vleugels van de meeuwen. II. Visserspink alleen, midden op de spiegeleffen zee... In de verte drijven noch andere schepen.. weg, ver weg aan de deinende kim, die zachtjes met een streep wegvloeit in de zon... De wolken torenen zich op... hoog tegen de violetblauwe regenlucht - maar het regent nu niet - noch niet. Eén straal werpt de stervende zon langs de gloeiende kimmen, eer ze in de verte verdwijnt... in het blauw. OUDE KUNST - 299 - simon de vos 300 simon de vos 93 frans hals Portret van een deftig burger 240 barend van orley Boven 't kruis zweeft God de vader in een kleed van gloeiend rood... Naast hem de heilige Geest in de gedaante van een duif. Aan de voet van het kruis knielt de Maagd in wonderschoon geschilderd gewaad van blauw-groene zijde en een roodblonde Johannes in purperscharlaken. Op de achtergrond met wijkende verschieten een schone, stille, blauwe stad... en op het voorplan beweging van ruiters en naakte mannetjes. In de wolken: links van de hoofdfieguren, troont de Maagd met palmtak en vier naakte kindertjes... Aan de andere zijde de Maagd in 't groen, die zich zelf het zwaard in het hart stoot... Meer dan 300 schilderijen, waaronder veel van de beste van de kolleksie, werden jaren geleden door brand vernield. a.w.S.v.L. |