De Vlaamse School. Nieuwe reeks. Jaargang 11
(1898)– [tijdschrift] Vlaamsche School, De–
[pagina 344]
| |
![]() | |
Biografie van RembrandtTen gerieve van onze lezers heb ik hieronder enkele nota's samengevat over het leven van Rembrandt. Ik heb daarbij de vertrouwbaarste werken geraadpleegd, zonder mij nochtans de bevoegdheid aan te matigen, over de soms zeer duistere en betwiste vraagstukken een beslist oordeel te vellen.
Volgens bijna geheel vertrouwbare gegevens, werd Rembrandt de 15de Juli 1606 te Leyden geboren. Hij was het vijfde van de zes kinderen van de molenaar Harmen Gerritz, die in 1568 of '70, nauweliks 20 jaren oud, in het huwelik was getreden met een Leidse bakkersdochter, afkomstig uit Zuitbroeck, Neeltge Willemsdochter. Beide behoorden tot de kleine burgerij en verheugden zich naar hun stand in een zekere weelde, want behalve het huis dat zij te Leyden bewoonden, bezat Harmen noch een aanzienlik aandeel in een windmolen vlak bij de Witte Poort. Rembrandt (onze Rembrandt) had een vrij zorgvuldige opvoeding genoten, want hij schreef voor zijn tijd, tamelijk zuiver zijn eigen taal; indien wij ten minste oordelen naar de enkele brieven die van hem bewaard zijn gebleven en die in ieder geval niet meer fouten behelzen ‘que celles de la plupart de ses contemporains les plus distingués’ terwijl hij in de Plantentuin te Leyden waar schijnlik de vreemde dieren, krokodillen, vissen, schildpadden enz. heeft kunnen bestuderen, die men op vele van zijn schiderijen en etsen ziet. Hij schijnt echter op de school maar een matig leerling te zijn geweest en toen hij 15 jaar was werd hem op zijn herhaald aandringen door zijn ouders toegestaan om de Latijnse school te verlaten, en bij een schilder in de leer te gaan. Swanenburgh is zijn eerste onderwijzer geweest en vermoedelik is de keus alleen daarom op deze zeer inferieure kunstenmaker gevallen omdat hij van zulke goede famielie was, met een Napelse vrouw getrouwd en ‘parceque ses vogages en Italie avaient contribué à donner à ce peintre un relief que son talent n'explique guère!’ En toch niettegenstaande het weinig voldoende onderwijs dat hij bij de meester van de Paapse Prosessie genoot, maakte Rembrandt weldra zulke vorderingen dat hij al spoedig bij Swanenburgh ‘uitgeleerd’ was en in 1624 te Amsterdam bij PieterGa naar voetnoot(1) Lastmann in de leer gedaan, een in die tijd tamelik beroemd artiest met Italiaanse neigingen, bij wie Rembrandt tegelijk met zijn vroeger schoolkameraadje Lievensz studeerde en waarschijnlijk ook volgens de gewoonte van die tijd in de kost was en bij wie hij tot 1628 is gebleven. Daarna keerde hij te Leyden, bij zijn ouders terug. Zijn eerste bekende arbeid is een schilderstuk, dat ons echter noch geen denkbeeld geeft van zijn grote gaven, Paulus in de Gevangenis (1627), in 1867 | |
[pagina 345]
| |
door Stuttgart aangekocht, Samson gevangen (1628) dat ook op de Suasso tentoonstelling was geëkspozeerd, en door de Keizer van Duitsland ingezonden, en de Emmaüs-Gangers (1629) van Mevrouw André-Jaquemart, te Parijs, waarin hij reeds de sublieme hoogte en graad van volmaaktheid van dichterlijke viezie bereikt, zo als die door geen van zijn latere schilderijen is overtroffen geworden. Waar heeft hij het eerst graveren geleerd? Op dit punt bewaren al zijn biografen een eenstemmig zwijgen!... In zijn geboortestad leefde noch de herinnering aan Lukas van Leyden, die in 1533 gestorven was, en waarvoor hij, van kindsbeen af, een grote bewondering koesterde. Onder de vrienden van zijn eerste jeugd voelde hij zich het meest tot Lievensz aangetrokken,Ga naar voetnoot(2) 't waren beide Leidse jongens, werden beide te samen door Lastmann onderwezen en keerden beide op ongeveer hetzelfde tijdstip, naar Leiden, naar hun familie terug.... Verder Gerard Dou, de zoon van een Leids glazenmaker, Douwe Jansz. - Deze werd in 1628 (14 Februari) de eerste leerling van Rembrandt, nadat hij door zijn vader als ongeschikt voor het glazenmakersvak was weggejaagd en bleef tot 1631 bij hem, wel een bewijs welke reputasie de jonge Rembrandts toen reeds genoot! Ook de plaatsnijder Joris van Vliet was met hem bevriend. Rembrandt was de ziel van dit kleine kringetje van vrienden, die veel bij hem aan huis kwamen en evenals hij zelf, zijne ouders en zijn zusters, als hun zeer gewillige modellen gebruikten. De eerste etsen van hem zelf zijn van 1628 en voorzien van het monogram waarvan hij zich in die tijd gewoonlik bediende. Ze hebben beide (Bartsch Nos 352 en 355) zijn moeder tot model gehad die hij overigens noch menigmaal op paneel of op koper gekonterfeit heeft. In 1628 begon onze meester beroemd te worden en verbreidde zich zijn roem ook buiten de stad, - volgens Huysmans was hij, evenals Lievensz ‘noch geheel baardeloos en toch reeds beroemd’ en geeft hij dus een schitterend démenti aan hen die beweren dat artiesten uit een artiestenfamilie geboren moeten worden. In 1634 (26 Juni) volgens Michel is Rembrandt met Saskia getrouwd die hij conterfeytte in 1632: ‘doe sy 21 jaer out was, de derden dag als wy getrouwd waren, den 8sten Junius 1633’ en op dat mooie schilderij in de Dresdener Galerij, waar Rembrandt het kleine vrouwtje op zijn schoot houdt, dat haar aardig gezichtje naar den toe-schouwer keert. Neen, inderdaad, dit gezichtje is niet ‘gewoon’ zoals Michel heeft beweerd, en wél geschikt om een man als Rembrandt te boeien, met de tedere wimpers, de goudbruine haren om het mooigevormde, heel kleine hoofdje, het geestige neusje, de reebruine ogen en het leuke trekje om de mooie mond.... Toen Rembrandt haar leerde kennen was Saskia een wees. Reeds in 1619 had zij haar moeder verloren en haar vader, Rombertus van Uylenburgh, stamde uit een rijk en patriecies geslacht, dat van ouder tot ouder in Friesland gewoond had. Na de dood van haar vader woonde Saskia beurt om beurt bij haar getrouwde zusters in en ook wel nu en dan eens bij een van haar nichtjes, die met Jan Cornelis Sylvius was getrouwd. Een neef, Hendrik van Uylenburch, had in dezelfde stad een kunsthandel in kostbaar, antiek huisraad en oude schilderijen, nadat hij vergeefs beproefd had om zelf schilder te worden... Rembrandt kende deze kunsthandelaar, die hem later zoveel moeite en onaan- | |
[pagina 346]
| |
genaamheden zou berokkenen, reeds sedert zijn jeugd, sedert zijn eerste verblijf te Amsterdam bij Lastmann et il était assez intimement lié avec lui pour lui prèter une somme d'argent importante et accepter son hospitalité pendant le court séjour qu'il avait pu faire à Amsterdam. Sedert waren ze intieme vrie den gebleven en bij hem aan huis leerde hij Saskia kennen die op dat oogenblik bij de Sylviussen golosjeerd was en op aandringen van haar neef al spoedig besloot om haar portret bij de jonge meester te laten maken. Les jeunes gens s'étaient vus à cette occasion et apparemment, ils s'étaient convenus. Saskia bezocht hem nu en dan in zijn atelier en enige tijd later, in hetzelfde jaar, poseerde ze op nieuw voor hem voor de portretten die op het ogenblik in het bezit zijn van het muzeum te Stockholm en in de verzameling van de Vorst van Liechtenstein. Het laatste vooral is dat van een heel lief, heel ernstig gezichtje met de donkere ogen wegstarend in de verte en een trekje van weemoed om de bewegelike mond.Ga naar voetnoot(1) Het leest zich als een idylle, het eenvoudige leventje van deze twee, in het mooie grote huis op de Breestraat, omringd door al de schatten van kunst, die Rembrandt met het geld dat hem toen van alle kanten toevloeide in zijn schilderswerkplaats, in zijn huis had verzameld. Ze zat hem model voor veel van zijn schilderijen, die in die tijd geschilderd zijn, al is het niet altijd precies haar portret, we vinden toch haar op de meeste stukken uit die jaren terug: Portret van Rembrandts vrouw, Saskia als herderin 1634, Adolf Schloss, Parijs, Jonge Vrouw bij haar toilet omstreeks 1637 of 1638, Bathseba bij haar toilet 1643, Jhr Steengracht van Duivenvoorde, enz. Wij vinden ook ongeveer dezelfde tiepen, van haar en van haar jongen man terug in de Burgemeester Pancras en zijn vrouw, het eigendom van de Koningin van Engeland in Buckingham-palace, (1635) aanwezig op de tentoonstelling en in tweegrote portretten die in 1889 naar Amerika zijn verkocht.
Rembrandt is heel gelukkig geweest met zijne Saskia. ‘Dans cet intérieur, où libres de toute contrainte les jeunes mariés oublièrent si volontiers le monde, ils s'amusent de rien comme des enfants, variant à chaque jour leur distraction et leurs déguisements, se donnant l'un à l'autre des fêtes ou des spectacles dont ils sont à eux seuls les invités et les acteurs....’ En zo droomt het voort, het mooie sprookje, het dichtersprookje van zijn leven. Het huwelik, in plaats van zoals helaas zo dikwels het geval is, zijn genie te doden of te doen verslappen, verhoogde enkel noch zijn werkkracht en zijn schoonste werken datéren uit die tijd.... Hij rustte van de meest ingespannen arbeid enkel door een andere arbeid uit. In de zomer van 1635 werd hun eerste kindje geboren en de 15e Desember met de naam van Rombertus in de Oude kerk gedoopt. Helaas dat zijn liefde, zijn bewondering voor zijn jonge vrouw, een rede te meer moest worden voor zijn ongeëvenaarde spilzucht, die bij hem zelfs erger schijnt te zijn geweest dan bij de meeste artiesten. Niet dat hij het geld misbruikte voor eigen behoeften, dat hij onmatig was in het gebruik van spijs of drank! dikwijls, terwijl hij werkte aan een schilderij, aan een ets vooral, die zijn gehele ziel in beslag nam, gebruikte hij een ganse dag niet anders dan een haring of een stuk kaas met een homp droog brood! | |
[pagina 347]
| |
Maar zijn huis richtte hij in als een vorstelik paleis en zijn Saskia wilde hij alleen met het kostelikste kleden, al bestond haar gehele kleding ook vaak maar alleen uit een parelsnoer! De eerste jaren van zijn huwelik zijn voor zijn kunst zijn glanspunt geweest. Lastmann was in 1633 gestorven en anderen, zoals Uytenbroeck en Dirck Bleker, voyaient leur nom pâlir devant celui de leur jeune émule. Plusieurs d'entre eux devenaient ses imitateurs. Hij was rijk, het geld stroomde hem toe van alle zijden, maar helaas, als de meeste artiesten, hij wist zijn geld niet te beheren, niet uit te geven op de rechte tijd. De sieraden waarmee hij zijn Saskia tooide, de stoffen die hij voor zijn schilderijen gebruikte, waren vorstelik, oosters mooi, en geen prijs was hem te hoog. Als hij naar een kunstveiling ging, zette hij zijn bod zó hoog in dat niemand na hem durfde bieden. Hij leende geld aan alle mogelike en onmogelike arme collega's. Hij verkwistte zijn eigen fortuin en dat van zijn vrouw, hij lag overhoop met zijn familie, hij begon te prosedéren. Toen begon in 1639 het verdriet! Hij was toen ongeveer 31 jaar. Hij is niet te lang gelukkig geweest! Saskia begon te sukkelen en ze verloren hun kindertjes, het eene na het andere. In die tijd viel dan ook de uitvoering van een zeer betekenisvol tafereel: de jeugd door de dood verrast. In September of Oktober van 1640 verloor hij zijn moeder. De lieve vrouw liet 9960 gulden na, 2490 voor ieder van haar noch overgebleven vier kinderen. Na de dood van zijn moeder hechtte hij zich noch meer aan zijn vrouw, en uit die tijd vooral datéren die lieve, intime toneeltjes, o.a. Het gezin van de kastemaker te Parijs, De ontmoeting van Elisabet en de heilige Maagd en het gebed van Manajoe te Dresden. Omstreeks die tijd heeft hij ook zijn Nachtwacht geschilderd, het was in 1642 voltooid. In hetzelfde jaar werd hun weer een kindje geboren, een zoon, waar ze zeer naar hadden verlangd. De 22ste September 1641 werd het in de Zuiderkerk gedoopt en had na zijn tante Titia de naam Titus ontvangen. Maar spoedig na de geboorte van haar jongste kindje, werd het arme, jonge vrouwtje al zwakker en zwakker en een jaar later voelde ze haar krachten zozeer verminderen dat ze de 5de Junie 1642 de notaris liet komen om haar testament te maken, waarbij zij haar man benoemde tot enige en universele erfgenaam, behalve in geval van een tweede huwelik. Dit kon wellicht wel de rede wezen, dat hij later niet met Hendrikje Stoffels is getrouwd. En ik heb vóor mij liggen de bevende ondertekening van het bevende handje, het laatste dat ze op aarde schreef! Enige dagen later is zij gestorven en de volgende 19de Junie in de Oude kerk gegraven. Het lijk, in de haast, in een huurgraf bijgezet, werd de 9de Julie overgebracht naar een meer passend graf, dat Rembrandt zelf gekocht had en uitgekozen. En... een ongeluk komt niet alleen. - Het tij van de publieke gunst begon te keren! De Nachtwacht was niet in de smaak gevallen, de rijke Amsterdamse poorters hadden de artiest betaald om hun interessante trekken in een behoorlik, dat wil zeggen duidelik licht te zien en alleen Banning Cock en Ruytenbergh, met noch enkele anderen stonden in dat licht. | |
[pagina 348]
| |
De overige koppen droomden weg in een verrukkelik half duister, waarvan de deftige burgers echter niet waren gediend. Heel naief is wat Michel hier verder van zegt: ‘A défaut de leur ressemblance, ils voulurent du moins assurer le souvenir de leurs noms, en les faissant inscrire après coup sur un écusson vers le haut de la toile! (sedert de restaurasie door de heer Hopmann kan men deze namen duidelik lezen!) Men wendde zich tot gehoorzamer artiesten, meer onderdanig, meer plooibaar naar de wensen van het publiek en Rembrandt werd verlaten en armer met de dag! Hij zocht en vond zijn troost in zijn kunst. Hij schiep, en hij vond ze weder, zijn rust! Hij heeft nooit gekend, dàt ten minste hebben de goden hun lichtkind bespaard, het vreeselike gevoel van impotensie als door armoe en zorgen de kunst is gedood. Juist uit dit tijdvak dagtekenen veel van zijn voorstellingen uit de bijbel, het boek dat hij altijd boven alle andere heeft lief gehad, hoewel ons van zijn biezondere vroomheid niets is bekend. Evenals de meeste bedroefden heeft hij in die tijd ook troost gezocht bij de natuur en al zijn landschapjes uit die tijd al zijn ze ook vaak minder belangrijk, geven toch het bewijs dat hij wandelde, veel wandelde in de lieve, eenvoudige omstreken van de hoofdstad, waar hij met zijn Saskia gewandeld had, toen zij zijn bruid was, zijn jonge vrouw. Ook moest hij wellicht de buitenlucht zoeken voor Titus, die al maar klein bleef, teer en zwak. In die tijd maakte hij het verrukkelike landschap met de drie bomen en een allerliefste schets van den Omval. Velen, o.a. Michel, hebben zich tamelijk onmenskundig verwonderd dat Rembrandt zo kort na de dood van Saskia, die hij toch inderdaad zo innig had liefgehad een nieuwe en ‘onwettige’ verbintenis noch wel! aanknoopte met Hendrickje Stoffels. een jong, fris meisje van 23 jaar, dat na het vertrek van Geertje Dircx, zijn eerste huishoudster, die in 1650, wellicht wel uit teleurgestelde liefde voor hem naar het krankzinnigengesticht te Gouda was overgebracht, de plaats had ingenomen van Titus moeder, zonder daartoe verlof te hebben ontvangen op het stadhuis of in de kerk. Het mooie, jonge liefje van de grote meester, dat haar naam niet anders dan met een kruisje schreef, was een eenvoudig boerenmeisje uit Ransdorp, maar haar liefde plaatst haar naast Dante's Beatrijs, naast Agnes Sorel, naast Beatrice Donato, naast al die hoge en edele vrouwen die hun liefde hoog stelden, zelfs boven hun eer. Natuurlik werd het al spoedig in het preuts-protestants Amsterdam bekend dat ze het liefje was van Rembrandt en niet anders dan zijn liefje. Ze is tot haar dood toe bij hem gebleven, zijn liefde en haar liefde was hun beiden genoeg. En Rembrandt was gelukkig, noch eens weer gelukkig! niettegenstaande de voortdurend stijgende geldnood! Hij hoefde niet meer zijn eigen kindje pap te voeren, zoals hier op een van zijn krabbeltekeningen (Kolleksie J.P. Heseltine) zo grappig doet! Wel was in het grote huis op de Breestraat bij de St Antoniesluis dat hij sedert 1639 bewoonde, de oude rijkdom van vroeger verdwenen. Maar Hendrikje verdroeg alles, hielp hem in alles en voedde Titus op als haar eigen kind. Titus was altijd teertjes en fijntjes gebleven, een mooie jongen van 14 jaar, met een dromerig lief, onhollands gezichtje. Een beetje meisjesachtig, met lange hangers in zijn fijne oren. | |
[pagina 349]
| |
Maar nu verandert het sprookje in een droeve legende, een legende van lijden, van onafgebroken leed van pijnlijk zorgen om het dageliks brood! Bijna alle Hollandse artiesten, met enkele uitzonderingen, zoals Lukas van Leyden, zijn op die wijze in armoe gestorven, een lange, lange lijst van Frans Hals tot Ruysdael, van Aert van der Neer tot Pieter de Hooch; maar Rembrandts grote ellende in het midden en het laatst van zijn leven is wel geweest Rembrandts eigen schuld! Hij had een aardige kleinigheid van zijn ouders geërfd et la dot de Saskia contribua une véritable aisance.. Gewoonlik ontving hij f. 500 voor zijn portretten en voor zijn Nachtwacht had hij fl. 1600 ontvangen, hij kreeg bovendien een tamelik hoog honorarium voor zijn lessen, en ook zijn etsen werden goed betaald. Maar hij heeft nooit de waarde van het geld gekend, dat hij totaal buiten staat was om zelf te beheren. Hij kwam in allerhande moeielikheden, met de van Loo's (de goudsmid en zijn vrouw), met de bloedverwanten van Saskia, die in het belang van Titus, maar nu te laat aandrongen op het maken van een inventaris, met de hypotheekhouders op zijn huis, dat hij gekocht had, zonder in staat te zijn nu de koopsom te betalen, en waarover hij sedert 1649, aflossingssom noch rente had betaald! Hoe is het mogelik die totale absorbsie van de kunstenaar in zijn werk, terwijl de vreselikste zorg hem ‘angrinst’ van alle zijden! Maar toch in 56 was de kracht bijna gebroken! zijn schuldeisers, die met recht ontevreden waren over de moeite die hij zich gegeven had om het geld van Titus uit de schipbreuk te redden, wilden niet langer geduld met hem hebben en de 25ste en 26ste Julie werd hij kankroet verklaard en al zijn schatten, die hij noch over had, zijn schilderijen, zijn kostbaarheden alle alle aan de meestbiedende verkocht. En........ ‘l'année 1657 est à peu près vide de grands ouvrages!’ Dit zegt genoeg! Uit zijn lief huis verjaagd, alleen, zonder Hendrikje, zonder Titus, losjeerde hij in een herberg in de Keizerskroon, waar de 25ste Desember, noch wel liefst op Kerstdag, zijn schatten alle werden verkocht, en die nu nauweliks 5000 gulden opbrachten! Daarna was hij gehuisvest in gehuurde kamers, hij veranderde nu telkens van logies, moest werken met heel slecht; schuin-invallend licht, terwijl zijn gezicht met de dag verminderde! En toch! na een paar maanden schilderde hij weer! Uit die tijd (1656-1660) dagtekent de prachtige Christus, de Christus met de moede ogen, uit de kolleksie Orloff en Mozes die de Wetstafelen breekt en Jakob die met de engel worstelt, Rembrandt staande met palet, penseel en schilderstok en Rembrandt op hoge leeftijd, de handen saamgevouwen, het eerste het meest ‘siegreich’ glorieuze, het andere het rustigste van alle portretten.... In die tijd begonnen zijn ogen te lijden. Van 62 tot 64 heeft hij die arme ogen zeker geheel moeten doen rusten, want hoe is het anders te verklaren dat hij tussen 62 en 64 in het geheel niet heeft gewerkt en dat in 1661 de etsen geheel verdwenen.... Wat schilderwerken betreft, telt dit laatste jaar echter tot een van zijn allervruchtbaarste.... | |
[pagina 350]
| |
Hij betrok weer voor het eerst een eigen huis op de Rozengracht. waar hij tot 1664 is gebleven, zoals bekend is met zeer geschikt Noorderlicht. Hij woonde daar enige jaren, zeer rustig, alleen met Titus, Cornelia en zijn geliefde Hendrikje. Rembrandt was trouwens noch niet van al zijn vrienden verlaten, hij ontving in die tijd noch enige bestellingen, o.a. voor een schilderij dat zich nu in het muzeum te Stockholm bevindt, volgens enkelen voorstellend ‘de Macabeeën’, volgens anderen Odin, de stichter van het Zweedse rijk, en Vondel, Bol en Coppenol kwamen hem trouw bezoeken, ook Vossius, Heynsius, Voetius en Cats. Toen hij echter pas weer een weinig tot rust was gekomen, wachte hem weer een nieuw verdriet, want juist om die tijd is Hendrikje gestorven. Sedert zij samen op de Rozengracht woonden, hield men haar voor zijn wettige vrouw, (Huysvrouw van S. Rembrandt van Rijn, fijnschilder). In haar testament benoemde zij haar dochter Cornelia tot haar enige erfgename, maar wanneer deze zonder kinderen of vòòr Titus overleed, kwamen haar roerende en onroerende goederen aan Titus, de halve broer van Cornelia, terwijl Rembrandt voogd zou zijn over beide kinderen en tot hun meerderjarigheid het vruchtgebruik zou hebben. De juiste datum van haar dood is niet bekend, maar het is vrij zeker dat ze vóor 1664 is gestorven. Volgens Michel schijnt er toch altans enige grond te hebben bestaan voor de bewering dat Rembrandt enige tijd in Hull zou gewoond hebben. In een allesins geloofwaardig manuskript, volgens Michel, aanwezig in het Britse muzeum leest men inderdaad de volgende noot, ongeveer in deze woorden: ‘Rembrandt van Rhyn has lived in England at Hull in Yorkshire, during sixteen er eighteen months and painted “several” portraits (in achttien maanden!) of gentlemen and sailors’ Een van deze portretten bevond zich in het bezit van de scheepskapitein Dahl, met de naamtekening van deze heer en de handtekening ‘Rembrand van Rhyn, York 1661.’
In 1662 schilderde de meester zijn verrukkelike vaandrig (Graaf van Warwick, Warwick Castle) in 61 de Staalmeesters, in 60 Homeros zijn verzen diktérend in 65 David harpspelend voor Saul en de Joodse Bruid, in 67 Grijzaard in zwarte Pelsmantel, Earle of Nortbrook, London. Het leven had dus zijn kracht noch niet gebroken, maar wel waren zijn ogen zeer verzwakt. In 1669 is hij zelf gestorven, noch niet zo héel oud, volgens de ene opvatting 64, volgens de andere 63 jaar. Hij had de dood van zijn enige zoon noch overleefd, Titus is in 1668 gestorven. De achtste Oktober 1669, op een Dinsdag, is hij in de Westerkerk begraven. Het graf ligt verborgen onder een hoge herenbank links van de hoofdingang, die onder het orgel, aan de zijde van de Westermarkt.
a.w.S.v.L. Amsterdam. ![]() |
|