De Vlaamse School. Nieuwe reeks. Jaargang 11
(1898)– [tijdschrift] Vlaamsche School, De–
[pagina 334]
| |
![]() | |
De etsen van Rembrandt in het prentenkabienet te Amsterdam![]() TOEN men met de apoteoze van onze lieve, laatste Oranje ook onze grootste schilder zijn apoteoze vierde, keerden ze alle tijdelik weder, naar het moederland waar ze werden geboren, uit alle oorden van de wereld, waar ze werden verspreid, de heerlike kinderen van zijn goddelik penseel, waarvan er maar een gering aantal, wellicht niet méér dan vijftig, permanent in Noord-Nederland aanwezig zijn. Ze werden ingezonden door de machtigsten van de aarde, door keizers en koningen, om hulde te brengen aan het reuzengenie, die te Amsterdam bijna in gebrek is gestorven en begraven ligt in een vergeten hoek... Die zó arm en ellendig was, in het laatst van zijn leven, dat hij, de prins van onze kleurendichters, die een korte tijd in zijn jeugd was gevierd, toen hij oud werd, toen hem zijn vrienden verlieten, zijn schilderijen moest verkopen voor zes stuivers het doek!..... stukken die kort na zijn dood weer met 12 gulden en nu, bijna 300 jaar later, met goud, neen, met géén goud worden betaald. En terzelfder tijd dat die schitterende tentoonstelling in het Stadsmuzeum (Suasso-muzeum) plaats had, werd ook in de benedenverdieping (de prentenzaal) van het Rijksmuzeum, enkele passen daar vandaan, de bijna volledige verzameling van zijn etsen uitgestald. Dit gaf me gelegenheid zijn heerlike op koper gegrifte gedichten ten volle te genieten, niet enkel als op zichzelf staande kunstwerken, maar ook in hun betrekking tot de overige werken - schilderijen en tekeningen van onze geweldige Meester. Dit studietje over de etsen van Rembrandt, kan, uit de aard van de zaak, hier, in beperkt bestek, slechts zeer vluchtig en oppervlakkig zijn. Ik wil hier ook geen oordeel over de etsen trachten te geven. Daartoe heb ik mij noch veel te weinig in dit onderwerp ingewerkt, en zie ik Rembrandt waarschijnlik te veel ánders dan de meeste van mijn landgenoten. Ik wil alleen trachten iets van de machtige indruk weer te geven, die de grote meester van het licht op mij gemaakt heeft. | |
[pagina 335]
| |
Dat licht is enig, goddelik, verheven, het straalt van zijn etsen, het straalt van het doek, zelfs in de duistere zalen en kabienetjes van het Rijksmuzeum, waar de te zware draperie van de fluwelen gordijnen maar zelden een lichtstraaltje laat flikkeren door de gekleurde ruiten, stralen ze in gloed - onze enige schatten - de Nachtwacht, de Staalmeesters, Jonkvrouw van Weede van Dykveld, de Ontleedkundige les en het Elisabeth Bas - er vloeit licht - er druppelt gloed van de doeken! En dat licht wordt niet door de kleur verkregen! Er is veel gesproken, de laatste jaren, over de inwerking van de tijd, die door het diepen van de schaduwen de werking van de lichtgloed heeft gereleveerd. - Maar waar is de werking van de kleuren op een ets? Zie op de 100-guldenplaat, ik neem opzettelik deze overbekende, omdat het licht er over straalt als in goud. Hoe omringt het, zonder bepaald een oreole te vormen, het hoofd van de Christus, hoe vloeit het in gloeiend goud over zijn kleed. Hoe klimt het op, hoger en hoger, tegen de rots, hoe trilt het weg, zwevend tussen de bogen... hoe omhelst het, zoent het, de zieken en verminkten, die aan de voeten van Jezus genezing zoeken. En let eens op dat licht in de ogen, op het voorhoofd van Jezus! Inderdaad, Rembrandt was vroom, was noch Gotiek....
Ons Prentenkabienet te Amsterdam bevat bijna al de 397 door von Seidlitz vermelde etsen; ze beginnen met Nr 1, een Selbstbildniss mit krausem Haar, waarvoor hij zeker weer een van zijn gezichten in den spiegel heeft getrokken. Rembrandt was toen 24 jaar. Voor mij heeft hij hier een zeer onaangenaam gezicht, met een wilde bos haar, enigsins gelijkend op een hondmens, buitengewoon kleine, gemene ogen, zoals ze ook voorkwamen op een van de geschilderde portretten in het Suasso-muzeum, en een heel brede, vulgere neus. Maar hij was blijkbaar een meester in het gezichten trekken, getuige Nr 16, 20 en 23 van de etsen en ook vele van zijn eerste schilderijen. - Nr 8. (1652) Van Eigen Portret met sterk gekrulde, rechtovereindstaande haren, zijn zes staten (de zesde sedert Middleton) een zeer, zeer gemeen, vulgeer gezicht, bijna gelijkend op dat van een iedieoot (omstreeks 1632, Middleton 1831). Nr 11. Titus van Ryn, de zoon van Saskia, 't aardig portret van een vrolike jongen, dat door Bartsch ten onrechte voor een eigen portret van Rembrandt gehouden wordt. Een zeer aantrekkelik jongensgezichtje, hoewel weer geheel anders dan het geschilderde portret in de kolleksie van M.R. Kann te Parijs, datop de Suassotentoonstelling naast het Paletportret van Rembrandt hing, een vage weerspiegeling van dat van de vader, als de schaduw van een gezicht in een verweerd stuk glas. Nr 21. (1639) Het enigsins vulgere in de uitdrukking van het | |
[pagina 336]
| |
gezicht behoudt Rembrandt op bijna al zijn jeugdportretten, (behalve op het geschilderde in het muzeum te Berlijn, waar er een biezonder mooie uitdrukking ligt in zijn doordringende ogen, die altijd op alle portretten veranderen van kleur en een mooie trek om de fijne neus), zelfs ook noch op dit mooiste van alle geëtste, hoe sierlik de mantel ook is gedrapeerd, die laag neervalt op de mooie handen, hoe mooi de glans ligt over het zachte fluweel, hoe sierlik de zachtblonde haren ook krullen over de halfstaande, half omgeslagen kraag. De uitdrukking van de ogen is vulgeer en wreed, de neus, hoewel hier niet onaangenaam, is dik en gezwollen, en het voorhoofd, zo edel op de latere schilderijen, schijnt mij hier laag onder de sierlike baret. Wat er mooi is aan het gehele portret is er door de kunstenaar zelf bijgebracht die alles mooi zag door zijn kleine, wellustige ogen; de mantel is mooi gedrapeerd, de haren zijn mooi, het geheel maakt een mooie, schilderachtige indruk, maar het is niet genomen naar een behagelik oriezjieneel. Volgens von Seidlitz is dit een van de mooiste van al de eigen portretten. Nr 22. (1648) De volgende is als ets zeer schoon, hoewel men haar, als men ze nauwkeurig beziet, moeielik voor een portret van dezelfde man zou houden. Hier is hij een bezadigd burgerheer, die aan een lezenaartje zit, met wat boeken, zo iets tussen een hereboer en een eerzaam kruidenier, maar het gezicht is hier heel leuk en plezierig, heel goedig ook met de kleine oogjes en een vrolik plezierige trek om de mond. Van deze ets bestaan volgens Bartsch 3, volgens von Seidlitz 5 staten, waarvan de platen noch zijn bewaard. De volgende Nr 23, (1634) waarvan ik in de portefeuilles drie afdrukken vond, twee alleen de eerste en éen kniestuk met een zwaard in de handen, trekt mij veel minder aan dan het vorige, niet omdat de behandeling niet mooi, maar omdat het ganse tiepe weer zo héel vulgeer is, de uitdrukking van het gezicht bedoel ik, die zinnelike ogen weer, die brede neus. Omdat hij hier een wrat op de rechterwang heeft, houdt Blanc dit niet voor een eigen portret. Nrs 25. (1631) en 26 (1638) en 27 zijn de laatste Selbstbildnisse, het ene een boos gezicht aux yeux louches waarvan in het algemeen drie staten bestaan, twee in het muzeum te Amsterdam en het andere met de platte kap, waar hij ook een zeer bar gezicht heeft getrokken. Nr 28. (1638) geeft de eerste voorstelling van een gekomplieseerd onderwerp (landschap met fieguren) dat ik echter met de beste wil niet mooi kan vinden. Een Eva, die de appel grijpt en Adam die de hand waarschuwend opheft, maar toch met de andere de vrucht wil vatten. Hoewel von Seidlitz aan de voorstelling een diep profetiese betekenis wil geven en die Darstelling nicht als eine Parodie auffassen | |
[pagina 337]
| |
will, sondern als die Wiedergabe der ersten Menschenpaares in einem noch halb thierischen, jedoch der Vervollkommung fähigen Zustande, houd ik ze eenvoudig voor de weergave van zeer vulgere modellen, die hij wel moest gebruiken, maar die mij maar zeer weinig kunnen aantrekken. De slang die toevallig een draak is geworden, verraadt echter reeds enige fantazie en het olifantje op de achtergrond is heel plezierig. Nr 29. (1625) Abraham met de engelen, is zeer schoon. Men krijgt hier voor het eerst een Ahnung van het grote licht van de grote meester, hoewel het gezicht van de ene engel met het grappige baardje en het stompe handje, alweer héel lelik is en tamelik vulgeer. Maar de fieguur van de luisterende Hagar achter de deur is zeer schoon en wààr in haar eenvoudig-aandachtige houding. Maar wie is het kleine jongetje dat met pijl en boog over het lage muurtje schiet? Ismaël Hagars zoon? Want Hagar was noch niet verstoten toen de engelen de boodschap brachten van Isaäks geboorte. Ja dat jongetje moet Ismaël zijn, maar ik wilde wel dat de grote meester een minder huiselik alledaags tiepe van die ene, zittende engel had gemaakt. Nr 33. (1636) Abraham die Isaäk liefkoost, een prachtige, prachtige prent, waarover een onbeschrijfelike tover ligt. Het gezicht van de oude man is verrukkelik en waarschijnlik naar een van de hem in de Jodenbuurt omringende tiepen genomen (hoewel hij volgens Michel eerst in 1639 het huis in de Jodenbreestraat heeft aangekocht). Nr 34. (door de meester zelf 1645 gemerkt) Abraham die met Isaäk spreekt. - Met dit blad begint een rijker, diep-warmer koloriet, dat ik echter ook al in Nr 33 van 1636 heb menen op te merken, in de uitvoering, en vooral in de kleur. Men kan bij een ets zo moeilik van kleur spreken, en toch is er hier kleur, een warme toon van blondgoud licht. Nr 35. (1655) Abrahams Offer. - De smart op het gelaat van de patriarch is verheven, de tekening van de handen en voeten is zo geasjeveerd, dat men deze ets alleen als een klein, volmaakt gedicht kan beschouwen, waar iedere trek in het gelaat van de engel van het verhevenste medelijden, op het gezicht van de patriarch van smart en angst, in de zachte, geduldige ogen van het kind van overgave en onderwerping spreekt. Nr 39 (1634) is een vreselik vulgere voorstelling van de vrouw van Potifar en Jozef, die ik nu maar liever zou willen wensen dat niet van Rembrandt zelf was, hoewel het door hem zelf in 1634 is geteekend... la représentation est des plus vulgaires... waar haalde hij toch soms die gemene, onbeschaamde vrouwspersonen vandaan? Nr 40. (1651) De Triomf van Mordichaï is biezonder mooi, fijn en teêr, bijna met de tere reinheid van de Gotieken. Er ligt iets van de guitigheid van Lukas over deze ets, vooral in de fieguren | |
[pagina 338]
| |
van Ahasveros en Esther, die hier zo plezierig en huiselik zitten tussen de hoge pielaren van hun paleis. Wat heeft echter de invloed van het protestantisme aan de voorstelling van al die heilige onderwerpen geschaad! Maar hoe waar is dat opdringen van het volk, van die blaffende honden, van die knielende vrouwen, we zien ze noch zó, al is het dan in wat andere kleren, bij iedere volksoploop te Amsterdam. En toch heeft de kunstenaar uit de gezamenlike voorstelling van al die tamelik vulgere tiepen iets heel moois - iets heel verhevens gemaakt. Nr 41. (1652) Biddende David is zeer schoon, vooral in de naiefgewone entoerazje, toch weer op een heel andere wijze naief dan bij de Gotieken, veel ruwer, veel grover in het al te grote streven naar realieteit, maar de houding van de biddende fieguur is heel mooi en eenvoudig en het denkbeeld van het licht is treffend gevonden, als de radeerschaduw op het gezicht en de mooie handen niet al te zwaar, al te krassig was neergelegd. Nr 43. (1641) is héel, héel mooi, de Engel die vóor de ogen van de Familie van Tobias verdwijnt, maar in de volgende, Nr 44, de aankondiging aan de Herders, waarvan de minst mooie, of liever de minder mooie staat als extrêmement rare is gemerkt, zien we voor het eerst in zijn geheel de ware Rembrandt, de ware, de machtige, de reus van genie! De voorstelling van die eenvoudige herders, waarvan er een een heel grappig steekje draagt, is zó majestueus, zó aangrijpend geweldig in hun vreselike ontzetting voor het gouden licht, voor de engelen in de wolken. - En de beweging van de vluchtende schapen en honden, van de koeien en het kleinere vee is zo aangrijpend door waarheid weergegeven, dat men alleen kan knielen voor die geweldige geest, die eenvoudige zoon van burgerouders, die de hemel heeft open gezien in zijn dromen, en het gouden licht om den troon van God. Ook het lichte stadje in de verte is zo mooi, met héel kleine lichtjes tussen de donkere bomen in het fluwelige zwart van de komende nacht. Nr 46. (1652) Aanbidding der Herders bij het licht van een lantaarn, waarvan 6 staten bestaan. Buitengewoon mooi en zo naief! De herder, die de lantaarn draagt, een héel gewone stallantaarn, en de hoed afneemt voor het slapende kindje, dat naast de moeder ligt op de grond. En Jozef die er bij zit als een oude baker en, met een bonte muts op, halfvriendelik, half een beetje wantrouwig. Op enkele afdrukken valt maar héel onduidelik, bij andere wat klaarder, het wazige licht. Het gezichtje van de jonge moeder die zich in de slaap noch naar haar kindje keert, is vooral verrukkelik mooi. Nr 49. (1639 of 1641) De Voorstelling in de Tempel. - Welk een verschil, bij veel gelijkheid is er in de behandeling van de meester voor zijn verschillende etsen! Bij de eerste aanbidding van de herders was alles fluweelzacht duister en alleen aan den hemel tussen de | |
[pagina 339]
| |
drijvende wolken was alles, alles stralend in licht. Daarentegen bij die Darstelling im Tempel in Breitformat, alles héel teer, héel licht en heel helder, met enkele fieguren alleen in streepjes weergegeven en toch zó volmaakt àf, zó duidelik en geasjeveerd, dat al is 't oog ook maar met een spikkeltje weergegeven, men toch de beweging van de ogen kan zien. Biezonder mooi is hier de houding van de oude Anna, de profetes, en de uitdrukking van het gelaat is zeer verheven, maar vreemd is het, dat anders over het algemeen het tiepe van de vrouwen, zoveel alledaagser is dan dat van de mannen. De oude, knielende Simeon is vooral zeer schoon, maar welk een gewoon gezicht vertoont weer de moeder van Jezus, hoewel ze overigens toch wel met een lieve, moederlike uitdrukking, naar het klein kinderfieguurtje met de opgetrokken knietjes ziet. Volgens Seidlitz ist das Blatt nicht ganz vollendet, vandaar dan misschien die lichtere kleur. Voor mij heeft deze heerlike ets echter niets onafs. Nr 58. (1645) Rust op de Vlucht naar Egypte is enig mooi, enkel in héel fijne, lichte streepjes. Hier is er van licht en duister geen spoor, maar hoe schoon is de uitdrukking op het gezicht van Jozef en de beweging van de hand van Maria, waarmee ze de doek van het kindje opheft. Nr 73. (1633) De grote Opwekking van Lazarus, is een van de machtigste voorstellingen. De houding van de Christus, die op de afgewentelde zerk staat, het gezicht van Lazarus en het gebaar van ontzetting van de ontstelde toeschouwers is biezonder aangrijpend, hoewel de twee mannenkopjes achter Martha er mij door een andere hand schijnen te zijn ingezet. Seymour Hades houdt deze ets voor een werk van Bol. - Volgens von Seidlitz stellt diese Radierung, voll Unruhe und auf des Effekt zielender Phantastik den Abschluss der Jugendperiode des Meisters dar. Nr 74. (1649) Een zeer grote prent, en een van de schoonste afdrukken, die ik ooit gezien heb, Christus de zieken genezend, genaamd het honderdguldensblad. Deze, wel de meest bekende van al de etsen, met de zachte, verheven uitdrukking op het gelaat van de Christus en het gouden licht is zo roerend schoon, al werd de gloed alleen door de kleur van het papier en kleine, zwarte streepjes verkregen. Het best van allen bevallen mij het gezicht van het oude vrouwtje, dat op de zieke wijst, die uitgestrekt ligt op een gewone matras en een lieve kameel op de achtergrond, met fluweelzachte, mensenvrome ogen. Nr 89. (1650) Christus die aan de dissiepelen verschijnt is een droom van mooi. Al de lijnen zijn slechts heel licht, heel zweefachtig licht weergegeven en toch zijn ze zuiver, geheel volmaakt. Die Gestalt Christi bildet die höchste und reinste Verkörperung dieses Typus, welche in den Wercken des Meisters vorkommt. | |
[pagina 340]
| |
Ga naar voetnoot(1) Nr 90. (1633) De Barmhartige Samaritaan. - Waar op de graflegging alles zwart was, is hier de Ooster-zomerzon alles licht, en toch voelen wij ons hier niet in het Oosten, maar op een zomermiddag in ons eigen land, zie de schone beweging van die krachtige man, die de kranke van het muildier afheft, het muildier dat eigenlik meer op een paardje lijkt, het bedenkelik gezicht van de man, die de hand op de tas houdt en de vermakelike does, die in de verte snuffelt of er ook noch meer vreemd volk in aantocht is. Ik heb zelden zo iets plezierigs gezien, het is alles zo licht en toch is alles zo volkomen Rembrandt. Nr 104. De heilige Hieronymus in een bergachtig Landschap. - De oude man met de tamme leeuw, die een beetje op een uitstekende rots is gaan staan om de verveling te verdrijven, het al in de schaduw van de toren van Ransdorp, waar volgens de overlevering Rembrandt zijn Hendrickje vond, is heel leuk en plezierig, alleen wat héel huiselik, het geheel! Wij zouden daar ook willen zitten, daar in de zonneschijn, naast de heremijt met zijn slappe hoed! De volgende afdruk is bijna noch mooier, maar schijnt mij alleen een beetje gevlekt. Nr 108. (1644) L'heure de la Mort, is niet zo mooi, maar biezonder merkwaardig, omdat men hier geloof ik het eerst op de etsen, ten minste zoals ze bij Seidlitz zijn genummerd, de lieve Saskia ziet verschijnen, Saskia met een beetje een vooruitstekend lijfje en een hele enorme hoed op het hoofd. En op 109, een heel lieve prent, zien wij haar weer, ditmaal in gezelschap van een leuke dood. Maar nu kunnen wij alleen haar rug bewonderen. Nr 114. (1641) De grote Leeuwenjacht. - Een zeer machtige voorstelling. Enkel in heel kleine krasjes. Terwijl men ze beziet zou men zweren dat Rembrandt nooit iets anders gedaan had dan leeuwen jagen! Ook de paarden zijn hier heel mooi gedaan. Nr 124. (1625) is een heel plezierig, profane voorstelling van een vrouw die koeken zit te bakken in een platte pan, la Flaiseuse de koucks, volgens von Seidlitz wäre von diesem Meisterwercke an, die Weiterentwickelung des neuen, das Gemüthsleben betonende Genremalerei zu datiren! Nr 159. (1650) De Schelp. - Prachtig, prachtig, die zwarte streepjes op de schelp, als van fluweel. De eerste staat (Kaltnadelarbeit) die wij hier van hem bezitten, is een van de mooiste, zeldzaamste etsen. Een reeks studiën naar het naakt; meestal naar hele lelike, grove vrouwen fleischige Weiber mit dem Mannskopf, den hängenden Brüsten, dem schlampigen, aufgedunsenen Bauch. En dan moeten wij zeggen: ‘Arme Rembrandt, die in het waterige Holland, waar alles zich uitzet, abnormaal uitzet, de planten, de kolen en de vrouwen, en | |
[pagina 341]
| |
waar de preutsheid, vooral in zijn tijd oppermachtig heerste, geen betere, behagelikere modellen kon vinden!’ Inderdaad, als ze geen pijl in de hand hield, zou niemand dit wezen voor een Diana houden! Nr 188. (1642 of 1640) Een allerliefste voorstelling van Tijl Uilenspiegel, die dezelfde leuke uil van Lukas van Leyden, met dezelfde leuke uitdrukking in zijn wijs uilengezicht op zijn rug draagt. Hij ligt voorover en blaast op een herdersfluitje en ziet naar een dood alledaags, boers-Hollands herderinnetje, dat op de lompste manier een kransje vlecht. En wat zou Nr 192, Pygmalion mooi zijn geweest, als de hoofdfieguur naar een beter model was genomen! Nr 205. (1658) De daaropvolgende, de liggende negerin, is héel, héel mooi, in al de drie staten. Waarom men ze echter die titel heeft gegeven begrijp ik niet goed, het lichaam is zeker héel donker, maar niet donkerder dan Rembrandt vele van de fieguren op zijn etsen zag en in ieder geval is van de kroezelkop niets te zien, het lichaam is echter mooi en slank, mooier dan Rembrandt ze gewoonlik schildert. Nr 208. (1645) De Brug van Six. - Volgens de overlevering heeft Rembrandt deze ets, te Hillegom, op het buiten van zijn vriend Six gemaakt, in de tijd die de knecht nodig had om mosterd te halen. Volgens Vosmaer is het dorpje dat we op de achtergrond zien, Hillegom. Nr 211. (1653) Volgens Seymour Hades heeft hij dit onderwerp aan Tizian of Campagnola ontleend. Het schijnt natuurlik heel verwaand om met Seymour Hades van mening te durven verschillen, maar mij schijnt het veeleer of Rembrandt hier de duinen achter een heel gewoon Noord-Hollands dorp met zijn droomogen veel hoger, veel mooier had gezien... En de duinen zijn rotsen geworden en een huisje op de groene helling werd een ruïne, en verderop liggen de torens van een slot en 't is mij zelfs als zag ik de omtrek van een Arena, maar het is en blijft een Hollands landschapje, met een hekje en een kronkelende weg. Nrs 213 en 214 van 1650 ongeveer (van het laatste vooral schijnt het jaartal niet bekend) schijnen mij gezichtjes in de omtrek van Amsterdam genomen en wel in de buurt van de Zeeburgerdijk. Ik heb een gevoel of ik dezelfde plek, waar nu de koe staat, noch zou kunnen vinden, al heeft Rembrandt er in de verte een paar duinen bijgezet. Beide zijn zeer schoon. Nr 222. (1652) In Engeland The Vista genoemd, elders der Waldsaum, le bouquet de Bois (4 staten) Der erste Zustand ist nur ein Probedruck der angelegten und nur in der Mitte durchgeführten Platte. En mij is het nu net of deze proefdruk de mooiste was en of de kunstenaar hier het landschap in sneeuw had gezien, in een nevelsluier van vallende sneeuw. Nr 224. (1650) De Hooiberg en de kudde schapen zeer schoon, heel modern en herinnert enigsins aan Mauve. | |
[pagina 342]
| |
Eigenaardig hoe Rembrandt overal heeft rondgezworven in de buurt van Amsterdam, waarvan ik nu noch de plekjes kan herkennen, dat houten staketseltje op Nr 232, het is mij of ik het dikwijls heb gezien en dat meertje op Nr 231, waar hij eerst een grot van gemaakt had schijnt mij in de buurt van Abcoude te zijn. Nr 270. De Faust (1652) volgens Middleton van 1651, prachtig en naar ik kan nagaan, bij het grote publiek zeer weinig bekend. Ten minste, zover ik mij kan herinneren, heb ik van deze ets noch nooit een goede reproduksie gezien, en toch is hij heerlik, die huiselike Faust met de huiselike slaapmuts, maar met de mooie denkersogen die opzien naar het hoge licht, dat invalt door een kerkevenster, boven een wijzerplaat, waarop iets staat in een vreemde taal, dat ik echter onmogelik kan ontsijferen. Nrs 274 en 275 zijn twee prachtige mansportretten, van de oude en de jonge Haaring, de ene Hauswart de andere Afslager van de desolate boedelkamer te Amsterdam. Prachtig, prachtig, vooral dat portret van de oude Haaring. Vosmaer noemt deze ets niet alleen de schoonste portret-ets van Rembrandt, maar van alle etsen die de wereld kent. Maar verwerp ook het portret niet van de zoon! Hoe heerlik is de toon! hoe heerlik zijn de handen! en is het niet of al het lijden van al die arme geplaagde desolaten in de boedelkamer, zich weerspiegeld had op zijn lijdend gelaat, met de grote, droeve teringogen? En hoe mooi valt het gouden licht in het venster, het zelfde venster, op beide etsen gelijk, alleen op die met het portret van de zoon, wat meer van de zijde invallend genomen. Nr 373, dat in enkele, zij het ook noch zo geringe streepjes, de meesterhand verraadt, en zie bijv. de uitdrukking vol ziel in de ogen van het hondje op Nr 371, en het leuke mengelmoesje op Nr 370, een portret van Rembrandts broeder Adriaan, een lelik, oud mannetje, dat zijn handen houdt gevouwen, en een vrouwtje en een kindje. Men heeft getwijfeld of Rembrandt wel de maker was van deze ets. Michel houdt daarentegen het mansportret voor dat van de meester zelf en von Seidlitz sluit zich geheel bij dit oordeel aan. Maar zie eens die allerliefste schetsjes op Nr 369, dat aardige jonge vrouwtje in de bedstee, een leuk bedelaarspaartje, noch een ander vrouwtje in bed, een paar mannenkopjes in een hoekje en alles zo aardig, zo leuk gegroepeerd, met het ene vrouwtje met de arm rustend op het hoofd van een heer, dat men dit prentje zou kiezen boven vele van de meer uitgewerkte, grotere gravuren. Nr 367. Drie vrouwenkopjes, waarvan het ene, maar héel licht, met een paar streekjes is weergegeven. Vosmaer und Blanc erblicken in dem obern Kopf wohl mit Recht ein Bildniss Saskias. (Neen!) Middleton daarentegen houdt het portretje voor dat van een jonger meisje. Vooral het bovenste van de portretjes op 365 is biezonder lief, ik vond het op geen van zijn andere werken weder, noch op de etsen, noch | |
[pagina 343]
| |
bij de schilderijen; noch Saskia, noch Lysbeth vind ik hier echter bij. Zou men Nr 365Ga naar voetnoot(1) ook niet kunnen houden voor portretten van zijn zusters of hun buurmeisjes misschien? de middelste, de enige die geheel af is getekend, ziet er al heel lief en aantrekkelik uit. Op 363 ziet men weer een Rembrandt zelf met een dikke neus en een heel leuk portret van een bedelaar en een bedelvrouwtje. Voor mij is dit kleine, bescheiden prentje, dat reeds in 1639 werd gemaakt, een van de aller, allermooiste en tevens op enkele na de laatste van de cyclus. A.W. Sanders van Loo Amsterdam ![]() |
|