oogjes uit, en, vlug te been, begonnen ze door de gangen te draven en gingen aan al de deurtjes kloppen.
‘Sinte Paulus, op! Johannes en Hilarius, de zon is daar. Amandus, Valentijn, Mathias, het wordt dag. Op, Markus en Lukas, Soter en Ciprianus. En gij, de vrouwen: Gudula, Juliane, Coleta en Barbara, de zon is daar, het is tijd.’
Achter de wanden hoorde men de heiligen hun sandalen aansteken en de een na den anderen kwamen zij te voorschijn in hun glanzend gewaad van geweven gouddraad, met hun kronen van robijnen en diamanten - en zij spoedden zich naar de Troonzaal, onder den besternden koepel van louter azuur.
Daar zat de goede God reeds op hen te wachten met zijn blinkend gelaat, dat zoo zoet is en toch zoo schrikkelijk, zijn langen, witten baard van zilver en sneeuw, zijn machtige wenkbrauw, waarvan een fronsen de heiligen doet sidderen....
En zij gingen er elk op zijn beurt bij, kusten vol ontzag den laagsten trap van zijn troon, prezen en loofden Hem, en dan, ordelijk en in de diepste stilte, naar hun plaatsje.
De eerste, die kwam, was Isidorus, wien van zijn ondermaansch bedrijf van landbouwer het vroeg opstaan nog in het bloed zat.
Dan verschenen Felix en Willem, die respectievelijk als monnik en krijgsman op aarde geleerd hadden in den minst mogelijken tijd hun toilet te doen....
Hyacinthus, die van zijn marteldood door den honger een jammerlijk knagenden eetlust behouden heeft, die hem slechts te tijdig uit de veêren jaagt.... En de anderen volgden: Servaas, Dympna, Petronilla, - en nog steeds draafden op hun bloote voetjes de engelkens rond, met hun rozige kneukeltjes op al de deuren trommelend.
En Ursula deed haar intrede, gevolgd van haar elf duizend maagden; Cecilia, die van al de hemelbewoners het liefste, zoetste gezichtje heeft; Agnes, die nog een kind is...., Ludger en Patrik, Eleutherius en Odo...
En ze bereidden er zich toe, hun morgenlofzang aan te stemmen, maar de goede God van op zijn troon, waar Hij alles ziet:
‘Waar,’ vroeg Hij, ‘blijft Thomas?’
Het plaatsje van Thomas was leêg.
De heiligen bekeken elkander: ‘zoo iets was nog nooit gebeurd,’ maar de engeltjes draafden in een groepje weg.
‘Thomas, Thomas, hebt ge u overslapen? Het is dag; sta op.’ Doch na een poos kwamen ze allemaal schoorvoetend en met bestorven gezichtje weer en wierpen zich van ver reeds op hun knietjes, roepend:
‘Heer, wees óns niet boos; wij hebben hem gewekt, maar Thomas wil niet opstaan. De dagen zijn te kort, zoo zegt hij; het is de moeite niet waard.’
En als ze dat nu hoorden, voelden de gelukzaligen van schrik het merg hunner beenderen bevriezen. Maar als een goede vader, die de grieven van zijn kinderen onderzoekt en gaarne alle reden tot klagen wegneemt, hoorde de Alvermogende dit zonder gramschap aan.
In nadenken fronste hij een poos zijn machtig voorhoofd.
‘Gaat,’ zegde hij dan, ‘Thomas heeft gelijk, en zegt hem, dat hij kome. Wij zullen van morgen af de dagen doen lengen.’
En zoo kwam het, dat met Thomasdag de zon bevel kreeg, weer vroeger op te staan.
Hannah.