Fragment
'TWas 'n doffe November-avond, 'n avond, die zwaar drukt op de aarde en angstig maakt, zodat men banger ademt.
Buiten wademde mist, droef gespreid over straten en huizen, en tussen de mist droppelde heel traag 'n luwe regen, alsof de beklemde hemel z'n angst neerzweette in vettige droppels op die treurige avond.
Ik zat in mijn kamer; op het boek, dat open vóór me lag, straalde het licht van de lamp hel-geel en duisterde dan weg over de tafel naar de kille muren. Aan de klamme vensters kleefden vocht-droppels, die biggelend nederschoven en natte lijnen tekenden op de ruiten. Kronkelende rook wolkte uit m'n pijp en spiraalde rond het glas van de lamp, zodat het licht voor éen stond vergrijsde.
Ik leunde achterover in m'n stoel, vlak vóór 't vuur, dat langzaam óp-warmde tegen m'n rug, en m'n hoofd was zwaar, als neêrgedrukt, door 't vele lezen en de zwaarmoedigheid van die avond. Onduidelike geruchten van buiten beefden tegen de vensters en stierven dan weg in de dofwarme stilheid van m'n kamer.
De stilte zweefde suizend rond, héél droomerig, alsof dwerggeestjes slierend rond-dansten op de puntjes van hun lange, lenige teentjes, met hun wijsvingertje op het guitig-glimlachende mondje om elkaâr tot stilte aan te manen; en aldoor zweefden ze wild in 't rond, door heel de kamer, bijna onhoorbaar schuivend en onderdrukt lachend om al hun pret, die toch niemand mocht zien.
Ik leunde noch altijd loom achterover; m'n ogen keken flauw naar de lampvlam en pinkten heur toe, en blikten naar de blauw-grijze rook, die m'n mond uitblies.
De dwerggeestjes werden stouter: ze dansten noch vlugger en wilder rondom mijn hoofd, als om me dol te maken, en tilden me op, met stoel en al, tot hoog, héél hoog in de kalme hoogte van de stilte, immer rond-draaiend, en geniepig-lachend, en gichelden spookachtig en stieten elkander aan met de elleboogjes en lieten me dan plotseling vallen van uit die onmetelike, bange stilte.......
Ik duizelde en keek rond als wakker wordend uit een bange droom, die ik mij niet meer herinnerde. Tans waren m'n gedachten helemaal weg, en toch drukte m'n ledig hoofd zo zwaar.
Toen stond ik op en opende 't raam: 'n fris-vochtige lucht waaide m'in 't gelaat en van verre zoefde een verward geraas met het neêr-suizen van de regen, en de dwerggeestjes verzwonden in de koude zwarte lucht.
Ik kwam terug tot m'n stoel en zette me neêr, en las voort in m'n boek. Ik had de Romances sans Paroles van Verlaine vóór me, geopend juist op 't vers:
- ‘Il pleure dans mon coeur
comme il pleut sur la ville;
quelle est cette langueur
qui pénètre mon coeur?’ -
En plots, als 'n verfrissende herfstwind, kwamen m'n gedachten terug-gesneld