De Vlaamse School. Nieuwe reeks. Jaargang 11
(1898)– [tijdschrift] Vlaamsche School, De–
[pagina 307]
| |||||||||||||||||
![]() | |||||||||||||||||
Iets over de kopersneden van Albrecht Durer![]() HET is hier mijn plan niet, een beschrijving te geven van Dürer's leven en werken, die trouwens genoeg bekend zijn, en noch minder een massa geleerde boeken te doorsnuffelen, die mij toch niet zeggen hoe Dürer was, maar ik wil trachten iets van de geweldige indruk weer te geven, die, bij het doorbladeren van de verzameling Ortelius,Ga naar voetnoot(1) de Kopersneden, en de kopersneden alleen, van deze Uebermensch, deze meester van de meesters, weer voor de honderdste maal op mij hebben gemaakt. Deze verzameling bevat 107 kopersneden, ook alle bij Bartsch vermeld, en behalve deze, noch twee kleine kopjes op kleine, uitgeknipte stukjes papier, die beide, hoewel het éne zeer flauw, met het naamsijfer van de meester voorzien zijn. Het ene, het schijnt mij een Petruskopje, draagt het jaartal 1513, het andere zonder jaartal, is een Christus met de doornenkroon, en een kleine traan in de hemelse ogen, die langzaam afdropt langs de wang. Nr 1. - De verzameling wordt geopend door een volmaakte afdruk van Adam en Eva, Eva die Adam de appel reikt, waar het slangetje naar bijt met het gevederde kopje en de kleine papegaai op de druiventak, die Adam in de linkerhand draagt. Op een tablet, dat aan het takje hangt, staat: ‘ALBERT DURER, NORICUS, FACIEBAT’. De entoeraazje op deze schone plaat is bijna noch mooier dan de menselike gestalten, waarvan vooral Adam prachtig is gemodelleerd. Behalve het allerliefste slangetje, wie de perversie uit de listige en toch zo lieve oogjes loert, en dat met het staartje achter een boomtak vastzit, is er een Kaninchen, ein Kätzlein, ein Zieglein und Kuh en op de voorste voorgrond een heel klein muisje, dat met het staartje uitgestrekt tot onder de voet van Adam, aan een heel klein, winzig graankorreltje knaagt. Heel aardig is het, dat al de dieren mensengezichtjes hebben, met een menselike uitdrukking in de mooie oogjes, en dat de mensen iets op dieren gelijken; vooral in het kopje van Eva merkte ik dit op. | |||||||||||||||||
[pagina 308]
| |||||||||||||||||
Nr 2. - De volgende prent is wel zwakker, ten minste in mijn ogen, een Heilige Maagd, die het Kindje aanbidt, en Jozef die het water, dat hij pas geput heeft, langzaam overgiet uit een emmer in de kruik. Op een uithangbordje, aan een staafje in de gevel, staat het jaartal 1504. De volgende stukken (nrs 3, 4, 5, 6) zijn kleine voorstellingen uit het lijden van Jezus, Die kleine Passion die mij hier en daar wel wat aan de voorgangers van Dürer hebben herinnerd, en, hoeveel schoons er ook is in deze kleine gravuren, men ziet Dürer hier niet in zijn volle kracht. Van 4 tot 15, zijn mede alle, behalve 15, kleine voorstellingen uit de Passie van Jezus, waarvan vooral 12, de kruisdragende Jezus, 16, Jezus die de boetvaardige zielen in de hel vertroost, en 18, Petrus en Joannes, die de kreupele voor de tempeldeur genezen, verrukkelike staaltjes zijn van zijn rijke verbeelding, waarbij men nergens aan enige andere vreemde invloed herinnerd wordt. Nr 19. - Jezus in het Hofje van Oliveten, meer op de wijze van de houtgravuren behandeld (gravé à l'eau forte sur une planche d'étain), trekt mij persoonlik minder aan dan de heel fijne, echte kopergravures, bijv.: van Das Meerwunder (71), De jaloerse Vrouw (73), De Droefheid (74), en De Grote Fortuin (77), die zoveel fijner dan no 19, als met een héel, heel klein borduurnaaldje zijn gegraveerd. Nr 20, 21, 22. - Drie voorstellingen van de Man van Smarten, waarvan ik vooral 21 zeer schoon heb gevonden. Nr 23 is een verrukkelike voorstelling van de Kruisiging, zo mooi, zo roerend mooi en tegelijk zo minusieus van ekzekusie, in zó kleine ruimte, niet groter dan een horloge, dat men nauweliks, zelfs bij Memlinc en Bouts, iets schoner, iets meer volmaakt zou kunnen vinden. Nr 24. - Weer een gekruisigde Christus (1508), waarvan de achtergrond met een ander prosédée schijnt te zijn gemaakt, met sterk geprononseerde, horiezontale streepjes. Op deze plaat is vooral de houding van de apostel, die de armen in wanhoop omhoogstrekt naar het kruis, en van St-Anna, die Maria opheft, verwonderlik schoon. Nr 25. - De Hoofddoek van Veronika, voortreffelik van opvatting en voortreffelik van uitvoering, herinnert mij aan een gelijk onderwerp door Lukas van Leyden behandeld, Sint Peter en Sint Pauwel. Het volgende 28, De verloren Zoon, is, niettegenstaande een fout in de tekening van het been van het hoofdfiguur, verrukkelik schoon, een grote, mooie, fijn geasjeveerde gravuur; als entoerazje een echte, gezellige, oud-Duitse pachthoeve, waar de verloren zoon in het midden knielt. Deze prent is alleen in zoverre Gotiek, dat ze de voornaamste aantrekkelikheid van de Gotiese school heeft behouden, terwijl het | |||||||||||||||||
[pagina 309]
| |||||||||||||||||
MYTHE VAN HERCULES
(Les Effets de la Jalousie) Kopergravure van Albrecht Dürer. | |||||||||||||||||
[pagina 311]
| |||||||||||||||||
sterkwijkende verschiet, de groepering van de zoon onder al die zwijnen, reeds geheel modern schijnen opgevat. Let op de listig-loze uitdrukking in de ogen van die zwijnen, echte Duitse varkens op hoge poten, en de aardige houding van de kleine biggen, die op de achterpootjes staan bij de trog. En het verlopen gezicht van de arme zondaar! Van 29 tot 44 zijn alle voorstellingen uit het leven van de Maagd, waaronder de beroemde Madonna met de Aap (42), zonder jaartal, De Madonna met de Peer (41) en de wondermooie Madonna met de Vlinder (44), waarvan het reine gezichtje in zo sprekend kontrast is met het vulgaire type van de slapende Jozef. Nr 43. - De Heilige Familie, ‘morceau très pâle, dont les bonnes épreuves sont extrêmement rares, l'eau forte n'ayant que faiblement mordu’. Maar juist door die weke, grijze kleur biezonder aantrekkelik en mooi in mijn ogen. Het gezichtje van de Maagd is wondermooi en doet mij meer aan een Vlaamse dan aan een Duitse denken; achter haar staat een mannenfieguur, met een sterke gelijkenis met het gezicht van de Maagd, en het Kindje op haar schoot is wel het tiepe van een gezond kindje met een kleine bloem, een anjer in de hand (1511). Het schijnt overbodig nu hier van de overbekende Madonna met de Aap te spreken, maar toch, hoe enig mooi is de houding van de vrouw en het aardige, leuke, gezicht van het Kindje, dat een vogeltje op het handje houdt en de aap die aan haar voeten zit, met een touw aan een ring om zijn lijfje bevestigd. Biezonder mooi ook is nr 40, waar het Kindje met grappig afgewend gezichtje een ronde appel in het handje houdt en 34, waar een heel andere Madonna dan wij gewoon zijn te zien, een vrouw van wel over de veertig jaren, aan haar volle borst het Kindje zoogt, terwijl een héel klein vogeltje met voorovergebogen kopje, heel neuswijzig, nieuwsgierig het paartje beziet. Nrs 53 en 54. - St-Joris te paard en te voet zijn zeer schoon, vooral 53 waar de ridder met een plezierig verontwaardigde uitdrukking op zijn gezicht en vol verbazing uitgestoken handen, met zijn vaandel staat naast de dode draak, die, met een allerdomste trek om zijn dode bek, achterover ligt op zijn rug in het gras, met een leuke, grappig naiëve uitdrukking op het gezicht. Die draak lacht en trekt een gek gezicht in zijn dood (1508). Nr 57. - De heerlike St-Eustachius, volgens anderen Hubertus, waarvan de biezonder geacheveerde afdruk vooral niet onderdoet voor die in British Museum te Londen. Ik wil deze prent niet uitvoeriger beschrijven, ze is te veel over de gehele wereld bekend. Nr 58. - De lezende St-Antonius is bijna niet minder mooi dan | |||||||||||||||||
[pagina 312]
| |||||||||||||||||
het vorige nr. Hij zit op een berg vóor een oud kasteel, een echt oud kasteel in een echt Oud-Duits stadje, en toch komt het wel bij niemand op, om te denken, dat deze opvatting eigenlik incongruous is, en niemand zou de wettige opmerking durven maken, dat de heilige, evenals het volgende nummer, St-Hieronymus, eigenlik in een woestijn had behoren te zitten; de gebogen, aandachtige houding van het beeldje, het gehele landschapje zijn zo verrukkelik mooi! Het volgende, 59, behandelt bijna hetzelfde onderwerp, maar op een geheel andere, meer klassieke manier, behalve dat de held hier niet zoals ik zei St-Antonius, maar wel de heilige Hieronymus is. ‘Ce saint est assis dans le creux d'un rocher, ayant devant lui une table sur laquelle est un livre ouvert et vers la gauche un crucifix auquel il adresse sa prière les mains élevées’. Ik voel mij biezonder aangetrokken door deze prent, waarvan het onderwerp op zeer voorname wijze is behandeld. ‘Les bonnes épreuves en sont très rares, celles que l'on rencontre ordinairement sont très faibles, l'eau forte n'ayant pas assez mordu.’ Wij bezitten in het Prentenkabienet een zeer schone afdruk en die vreemd-wazige tint is juist héel aantrekkelik, allerminst voor mij (1512). Nr 60 (1514) is biezonder schoon en geasjeveerd, St-Hieronymus in zijn cel. Het gehele interieur, de gehele kamer (want een cel is het niet!) is een droom van een echt gezellig Duits huis. Een zang van stille vreedzame gemoedelikheid ruist u uit deze plaat tegen, zó roerend, zó zoet, dat het is om heel zachtjes van te wenen... Volmaakter, vollediger uitdrukking van wat het Duitse woord ‘Gemütlichkeit’ zo eigenaardig uitdrukt, is zeker wel niet te vinden, noch in beeldende, noch in enige andere kunst. Zie het licht, dat door de prettige, ronde ruitjes speelt, de leeuw, die heel braaf en tam naast het hondje rust, dat enig aantrekkelik is door naieveteit: men ziet bijna het dromende bekje trekken, zoals de bek van een hond soms trilt in de slaap... Zie al die kleine voorwerpen van dageliks gebruik, zichtbaar ‘naar de hand gezet’ van de vlijtig schrijvende heilige, wiens hoofd in een stralenkrans gehuld is, hoe wonderwel stemt dit alles saam, om van deze plaat een volstrekt-zuiver, harmonieus geheel te maken. Nr 61 De boetvaardige St-Hieronymus is héel vreemd, héel schoon. De plaat stelt hem voor, liggend op zijn knieën, houdend een steen in de rechterhand. Het geheel van deze prent is zo verrukkelik mooi, de achtergrond met lage rotsen, met héle kleine boompjes beplant, en heel in de verte de zee in 't verschiet en de fijn gemodelleerde bloem op de voorgrond; alleen de woedende uitdrukking op het gezicht van de leeuw, schijnt mij wat fel, wat geëxagereerd. Nr 63 is een voorstelling van St-Genoveva, die, geheel naakt, gezeten in de holte van een rots, het kindje voedt met haar eigen | |||||||||||||||||
[pagina 313]
| |||||||||||||||||
borst. Deze snede behoort tot de best geslaagde, alleen kan ik mij niet begrijpen, wat het kruipende, naakte mannetje op de achtergrond beduidt. Zou het haar gemaal moeten voorstellen, de boze, wreedaardige Siegfried, die de Hirschkuh vervolgde tot hij haar weervond, zijn vrouw, - maar waarom heeft hij dan een heiligen schijn om zijn voorhoofd? Nrs 68 en 69, Apollo en Diana, en de Famielie van den Sater, zijn zeer schone gravures, hoewel de satersfamielie mij minder aantrekt, al is ook hier weer, evenals bij Adam en Eva, het donker-geheimzinnige woud zeer schoon. Nr 70 is een zéer vreemde voorstelling, die ik een ogenblik voor een Simson en Delilah hield, omdat de geknielde man, waarvan men het gezicht niet zien kan (alleen maar het zware, golvende hoofdhaar) op zo zonderlinge wijze zijn schedel krabt en zo ontzaggelik zwaar en machtig gebouwd is en de slapende vrouw en de mannen die hem omringen, Delilah en de Filistijnen zouden kunnen zijn. In Bartsch staat het echter eenvoudig vermeld als: Cinq études de figures. Nr 71, Das Meerwunder, eveneens ongedateerd, is na St-Eustachius en het Hert met het Christusbeeldje tussen de horens, in mijn ogen, een van de mooiste van de hele kolleksie en de verrukkelike, rijke fantazie van de kunstenaar, komt hier bijna evenveel als in de houtgravures uit. Het prachtige lichaam van Amymone ligt op de schubbige staart van een vreemde fieguur, van onder een vis, van boven een man, die een muziekinstrument in de vorm van een schildpad om zijn hals draagt. Het geheel ervan is zo wonderschoon, de ontstelde houding van de overige dochters van Danaüs bij het ontdekken van Amymones vlucht, en het verrukkelike rotsenlandschapje in deverte, en het trotse schip, dat komt aandrijven, héel zacht. De volgende, 72 (1516) Ravissement d'une jeune femme, of Pluton enlevant Proserpine, of Déjamire, enlevée par le Centaure Nessus, hoewel zeer interessant door rijke verbeelding en krachtige modellering, vooral van het paard, is echter voor mijn smaak wat minder aantrekkelik. De handen van de vrouw zijn zo grof, de fieguur is zo zwaar.... Wellicht is dit gedeeltelik aan de bewerking toe te schrijven. ‘Ce morceau est gravé à l'eau forte sur une planche de fer’, het draagt het naamcijfer en jaartal héel hoog in de lucht, in een grote, witte wolk. Het volgende is weer héel, héel schoon, éen van Dürers allerfijnste kopersneden 73, l'Effet de la Jalousie, zonder jaartal, met het sijfer au milieu de l'estampe. Links, op de voorgrond, geheel in de hoek van de prent, zit het paartje, dat de woede heeft opgewekt van de jaloerse vrouw, die er | |||||||||||||||||
[pagina 314]
| |||||||||||||||||
eigenlik helemaal niet jaloers uitziet en met grote kalmte haar talhout zwaait. De vrouw, die haar verontwaardiging opwekt, is héel, héel schoon en ligt gezellig tegen de schouder van een sater, met satershorens, satersoren, een mensengezicht en een geweldig ezelskinnebak in de hand. De houding van het vrouwelichaam is biezonder mooi, bijna trots is die van het kopje met de weelderige haren; de jaloerse, hoewel haar lichaam licht gedrapeerd is, is noch meer aantrekkelik dan zij. Vóor deze staat een eveneens voortreffelik gemodelleerde, krachtig schone man, die een kleine boomstam met wortels in de hand houdt, waarmee hij de woede van de vrouw wil bedwingen. Bartsch noemt deze man ‘Un défenseur du cocuage, Dürer lui ayant donné une coiffure composée d'un coq couché sur le dos, entre des cornes qui sortent du front de l'homme’. In ieder geval is dit kapsel, dat met een doekje om de kin is bevestigd, zeer aardig gevonden en de haan zeer mooi gemodelleerd. Naast de man met het hanenkapsel loopt een heel aardig kindje van een jaar of drie, dat een spartelend vogeltje bij de vleugels houdt en zich vol afschuw keert van de jaloerse vrouw, eigenlik veel mooier noch dan het liefje van de sater, die op echte mannenmanier met een hulpeloos gezicht naar haar opziet. De achtergrond, gedeeltelik door bergen gevormd, gedeeltelik door een stadje en een mooi, oud slot, is verrukkkelik gedaan en over het gehele landschap trilt een warme, lichte gloed. Sedert Bartsch schijnt het bewezen, dat deze plaat een toneel voorstelt uit de Mythe van Hercules, Dejanire, Nessus en Hyllus op de boorden van de Evenus, zonder dat nochtans de gegeven dezer Mythe letterlik in 't oog gehouden werden. De volgende Melancholia (74) is niet minder schoon, hoewel op gans andere wijze behandeld. Op de voorgrond, rechts van de toeschouwer, zit een schoon en verheven wezen, met werelden van gedachten in de peinzende ogen, dat door Bartsch gemakshalve eenvoudig genoemd wordt: ‘une femme ailée’. Ik vind deze omschrijving noch al ‘gemakkelik’. Zeker, het wezen draagt een vrouwegewaad en heeft hele lange, golvende haren, waarom een krans van fijne takjes is geslingerd, maar de bepaalde attriebuten van het vrouwzijn ontbreken en op het gelaat ligt een uitdrukking van mannelike ernst. Aan haar gordel een bos grote sleutels en een kleine fluwelen tas; timmermansgereedschap ligt om haar heen en ze houdt een grote passer in de handen. Links naast haar slaapt een grote hazewind en op een slijpsteen zit een kleine engel onder een weegschaal, die iets neergriffelt in een kleine tablet. (Bartsch noemt al deze attributen: Les marques des veilles, du travail et de l'industrie, naturels à ceux qui sont de tempérament | |||||||||||||||||
[pagina 315]
| |||||||||||||||||
Albrecht Dürer
ADAM EN EVA (Naar een kopergravure) | |||||||||||||||||
[pagina 317]
| |||||||||||||||||
melancolique (!). Boven het hoofd van de engel zien we een vierkant, waarin, in zestien verschillende hokjes, nevenstaande nummers:
Interessant wordt deze plaat vooral, wanneer men de omstandigheden nagaat, waarin ze gemaakt werd. Immers, het nevenstaande vierkant met sijfers is niets anders dan een zinspeling op het overlijden van Dürers moeder. Deze stierf de 17e Mei 1514 en de sijfers in het vierkant kunnen aldus gelezen worden: 16 in de hoek boven links + 1 in de hoek beneden rechts = 17; 13 in de hoek boven rechts + 4 in de hoek beneden links = 17. - 10 + 7 en 11 + 6 in 't binnenste vierkant geven ook 17 evenals 5 + 12 en 8 + 9. De twee sijfers die op de bovenste rij overschieten 3 + 2 = 5, wat Mei, 5e maand van het jaar betekent. De twee middensijfers op de onderste rij geven, naasteen geplaatst, 1514, jaar van het afsterven van zijn moeder. De zin van de plaat is dan ook niet moeielik meer te vatten. Vanitas vanitatum, ijdelheid der ijdelheden, zó droomt de Weemoed. Waartoe dienen vleugels, wat betekent de lauwerkroon, wat baat het te bouwen, te meten, te rekenen, te wegen, vraagstukken op te lossen van wiskunde, alchemie of fielozofie, als het eind van alles niets is? Nacht en eeuwige slaap is al wat de mens van dit leven verwachten mag. De regenboog is de enige straal van hoop in deze samenstelling, terwijl de staartster het bestaan van een andere wereld boven het menselik begrijp laat vermoeden. Naast Ridder, Dood en Duivel en de grote St-Hieronymus behoort deze kopersnede tot het drietal van de allervolmaaktste, die Dürer ooit voortbracht, en die tevens het toppunt van deze kunst in haar heerlikste bloei bereiken. In deze sobere lijnen is het hoogste uitgedrukt, dat in het harde koper kón gesneden worden. Dürer heeft in deze enkele plaat zoveel gezegd als Goethe in een gedicht of Beethoven in een sinfonie zeggen kunnen. Nr 76, l'Oisiveté ook le Songe de Vénus of le Démon de l'impureté inspirant des désirs criminels à un homme plongé dans l'oisiveté geheten, is hoewel niet een van de schoonste, toch een van de zeer zeldzame platen. Nr 77, de verrukkelike Grande Fortune, zonder jaartal, die, alhoewel het zonderling heten mag, dat Dürer hier, tegen de tradiesie in, een oude vrouw tot zinnebeeld heeft gekozen instee van een jonge, een juweel is, een van de schoonste van alle. Onder haar grote voeten, die ze op de wereldbol heeft gezet, kronkelt een riviertje door een sprookjeslandschap, langs een lief, Goties kerkje en lage huisjes. ‘La vue du pays, qui remplit le bas de | |||||||||||||||||
[pagina 318]
| |||||||||||||||||
l'estampe est selon Sandrart celle du village d'Eytas, situé près de Guila, sous Grand-Warasdin, dans la Haute-Hongrie. C'est la patrie du père d'Albert Dürer et le lieu d'où sa famille tirait son origine. On prétend que la tête de la femme est le portrait de la femme de Dürer!’ Nu als 't waar is, had Dürer géen mooie vrouw! Maar toch, niettegenstaande deze vulgere Fortuin, is deze prent, waarvan maar enkele goede afdrukken bestaan, verwonderlik mooi. Zie die vleugels eens, hoe ze vastgegroeid schijnen aan het lijf, hoe verrukkelik de valschaduw is tussen de pennen en het fluweelzwart op de rotsen in de verte en het zachte kabbelen van de kleine rivier. Nr 88, Assemblée de gens de guerre, herinnert mij, ik weet zelf niet waarom, 't was enkel maar een hele vage impressie, aan de Valkenjacht van Lukas. Het draagt geen jaartal, maar is toch stellig in de tijd van de vriendschap tussen Dürer en Lukas gemaakt. Nr 89, le Paysan au marché, 90 le Branle, 91 Le Joueur de Cornemuse, 92, 93, les Offres d'Amour, 94 le Seigneur et la Dame, le Pourceau monstrueux, een varken met een dubbelgegroeide kop, twee lijven en acht poten, zijn even veel bewijzen voor de juiste opmerkingsgave en de rijke verbeelding van de kunstenaar, al behoren ze niet tot de bestgeslaagde van de sieklus. Van de meeste geldt wellicht wat Bartsch van Les Offres d'Amour heeft gezegd: ‘Cette estampe est une des premières que Dürer ait gravées. Il y a même apparence que ce n'est qu'une copie d'après un maître plus ancien, Lorsqu'il la faisait, Dürer avait encore peu la pratique du burin’. Nr 96, (1505) le petit Cheval, is echter weer zeer, zeer schoon, en le grand Cheval, 97 van het zelfde jaar, al is het een geweldig, log dier, niet minder. Nr 98 is een van de volmaakste van al, die we natuurlik wel alle kennen: Ritter, Tod und Teufel. De afdruk in het Prentenkabienet is biezonder mooi. Nr 99, le Canon (1518) is de eerste eigenlike ets of sterkwaterplaat, die ooit gemaakt werd. De opvatting is bijna geheel modern en doet maar weinig meer aan de Gotieken denken. Nrs 100 en 101, les Armoiries du Coq, en les Armoiries à la Tête de Mort, herinneren weer sterk aan Lukas van Leyden. Ik wil hiermee niet zeggen, dat er van navolging van een van beiden sprake kan zijn, maar het is of beiden, in vriendschappelike wedstrijd, dikwijls de zelfde onderwerpen hebben willen behandelen, die ze waarschijnlik ontleenden aan elkaars fantazie. Deze wapens zijn bij Dürer zeer, zeer schoon, vooral dat met het Doodshoofd en met, als zeer eigenaardig schildhouder, een wildeman, die een echt huismoederlik Duits vrouwtje wil kussen. Nr 102, Portret van Albert van Ments, ‘pièce très rare’, zonder jaartal, maar met het wapen van de keurvorst, heel fijn gegraveerd in de hoek. | |||||||||||||||||
[pagina 319]
| |||||||||||||||||
Nr 106, Wilibald Pirkheimer, en 107, het verrukkelike portret van Erasmus, besluiten de sieklus, een van de grootste schatten van de verzameling te Amsterdam, waaraan alleen maar enkele prenten ontbreken, o.a., het portret van Joachim Patinier, peintre de Dinant. Behalve deze weinige uitzonderingen zijn dus bijna alle kopersneden van Dürer, door Bartsch vermeld, in het Prentenkabienet te Amsterdam te vinden. A.W. Sanders van Loo, Amsterdam. ![]() | |||||||||||||||||
Nota.- Platen van Albrecht Dürer, verzameld door Abraham Ortelius in het Prentenkabienet te Amsterdam. ‘De vermelding van de bekende verzameling, aan den graaf von Fries toebehoord hebbende en sedert door den baron Verstolk van Soelen aanzienlijk vermeerderd, (zie jaargang 1854, blz. 299 van de ‘Kunst- en Letterbode’) deed den wensch bij de redactie ontstaan, om in dit blad eene beschrijving te zien opgenomen van eene dergelijke verzameling, doch alleen van de gravures, welke sinds lang in het bezit mijner familie is; aan dien wensch wil ik nu trachten te voldoen. Het is bekend dat Abraham Ortelius, te Antwerpen in 1529 geboren en aldaar den 26sten Juni 1595 gestorven, die zich vooral met de studie der aardrijkskunde bezig hield, uitgebreide verzamelingen van boeken, munten, medaillen en naturalien bijeen had gebracht, gelijk reeds is opgeteekend in de Italiaansche vertaling van zijn Theatrum orbis terrae. Het werk van Albert Dürer, dat aan zijne erfgenamen is overgegaan, was vervat in drie kunstboeken, waarvan het eerste de platen op koper, tin of ijzer bevatte. Ten minste zijn zij in dien toestand in 1824 te Amsterdam op de verkooping der kunstwerken aan Moritz, graaf von Fries, toebehoorende, door den baron Verstolk van Soelen gekocht. De catalogus geeft de volgende beschrijving: ‘zooals hetzelve door Abraham Ortelius bijeenverzameld, en bij deszelfs dood, in Ao 1598, is overgegaan aan zijnen erfgenaam Jacob Collius, blijkens het eigenhandig berigt van M. Mariette’. Die verzameling was echter niet geheel volledig, althans wat de platen betreft. Blijkens den catalogus der verkooping van den heer Verstolk, heeft deze er bijgevoegd: No 19 van Bartsch Jésus-Crist Au jardin des Olives, op tin gegraveerd; No 27, la Trinité; No 45, la Vierge à la Porte, die echter beide volgens Bartsch niet van Dürer zijn; en No 80: le petit Courier. Aan de verzameling ontbraken dus nog No 65: le jugement de Paris, planche ronde sur fer en No 81, le grand Courier; het wordt echter betwijfeld of dit laatste blad door Dürer is gegraveerd. (Zie o.a. | |||||||||||||||||
[pagina 320]
| |||||||||||||||||
Neues Allgemeines Künstler-Lexikon von dr G.M. Nagler) zoo vermeerderd is dit werk in 1851 weder verkocht geworden. De vergelijking van de hier te beschrijven verzameling met de reeds besprokene heeft mij doen zien, dat deze over het algemeen betere afdrukken bevatte, schoon de andere daaromtrent weinig behoeft onder te doen. Dat zij afkomstig is van Ortelius blijkt uit de door hem gestelde aanteekening op de keerzijde van het voorlaatste blad: Ao 1562 Mense April hic Liber concinnatus et hunc in ordinen (sic) perductus est a me Antverpiae. Abrah. Ortelius. Behalve de reeds vermelde nummers 27, 45, 65, en 81, ontbreken daaraan No 62: la Véronique en 108: Joachim Patinier; No 80 is er daarentegen in opgenomen. Buitendien vindt men nog in dit kunstboek 1o een rond plaatje, iets grooter dan de bekende zoogenoemde degenknop van Maximiliaan, voorstellende een Christuskop met de doornenkroon, met het monogram van Albert Dürer, zonder jaartal; 2o, een met de pen geteekend portret van Albert Dürer; 3o, een groot portret in houtsnede: Albert Dürer conterfeyt in Seinem alter des LVI Jares, gedruckt zu Nürnberg, bey Wolfgang Drecksel, Brieffmaler.’ J. de Witte van Citters, (overgenomen uit de Algemeene Kunst- en Letterbode, No 4 van het jaar 1855.) ![]() | |||||||||||||||||
[pagina 321]
| |||||||||||||||||
![]() ‘DAS MEERWUNDER’
Kopergravure van Albrecht Dürer |