De Vlaamse School. Nieuwe reeks. Jaargang 11(1898)– [tijdschrift] Vlaamsche School, De– Gedeeltelijk auteursrechtelijk beschermd Vorige Volgende [pagina 305] [p. 305] Uit: Natuur Opgedragen aan mijn vriend: Dr I.H. Leopold. I Uit: Woudklanken Waar boomen roerloos, rustig staan, met blaadren-weelde boven sluimer-meer, en waar een vogel telkens keer op keer, zijn zachte roepstem door het woud laat gaan; daar wil ik lieflijk voor u baa'n een vredig-stil, 'n plekje, dat weleer misschien, door 't wonderbare feeënheer bewoond werd, waar de olmenboomen staan, en waar de woudduif weenend-klagend, zijn stem aan stille bosschen-rand laat dole' in stille avondstond. Daar, waar het dorstend herte, fierlijk dragend zijn wijdvertakt gewei, gaat door het rustig land. II Holland I Breed weideland ligt nu ver in nevelen neêrgezonken, en ook staat her en der wat vee te pronken. De boomen staren droef in de arme luchten, en of hij een lief begroef, de wind aan 't zuchten. Wat huizen in verte eenzaam donkeren in het lucht-grauwe, wat arme vogelen gemeenzaam, teekenen op het lucht-blauwe. [pagina 306] [p. 306] II Goud-geel staat maan, kogelend boven aarde, kringeling van licht, goud-geel op water, dat ligt wijd-uit en waar staat er de maan op, rimpeling ik ontwaarde. Boomgekroes nu wel bezwaarde de licht-lucht en ook wel gaat er een stil-geheimenis, als vaart er iets vreemd-geheims, nu waar de lucht zoo open is, door 't stil geboomte; er is geen leven, maar toch geheimenis. En waar de dag was in een groote loomte, is nu wel zoete lafenis gekomen, nu nachtewind is aan het overkomen, heel schuchter nog in stille schroomte. Meindert Boogaert Jun., te Velp. Vorige Volgende