leed, werd de inventaris zijner nalatenschap gemaakt, en daar in vinden wij aangeteekend: ‘In den winckel: Een contrefeytsel van Pepijn geschildert bij van Dijck.’ De weduwe van Grapheus, Cecilia Claessens, zette den kunsthandel voort, maar pronkte niet lang meer met het schoone portret van Marten Pepijn, dat haar werd afgekocht door den Brusselaar Jan Meyssens, die schilder was en zich in onze stad als kunsthandelaar had gevestigd. Ten jare 1659 verkocht Meyssens het kunststuk aan zijnen stadgenoot, den Brusselschen wijnkoopman Jan Hujoel, die er zich op beroemde het puikgewrocht te bezitten. De Antwerpsche schilder Jozef Lamorlet, die Pepijn's portret ten jare 1663 in de zaal van den wijnkoopman mocht aanschouwen, wilde het dadelijk afkoopen, doch bood er vruchteloos 250 gulden voor.
In Juni 1666 werd het vermaard geworden konterfeitsel ten huize van Jan Hujoel, in de Oude-Kleerkooperstraat, openbaar, met den stokslag, geveild en aangekocht door den te Brussel gevestigden Jonker Francisco Seigneurs. Toen deze kunstminnaar het in zijne galerij had uitgestald, ontstond er twijfel, of dit portret wel het echte was, dat door den beroemdsten konterfeiter werd gemaald. Van Dijck maakte de beeltenis van Pepijn ook in grauwschildering voor den plaatsnijder Schelte van Bolswert; en, naar dit gewrocht en meer waarschijnlijk naar het oorspronkelijk portret, terwijl het bij Grapheus, bij diens weduwe of bij Meyssens te koop stond, moet er een ander Marten Pepijn zijn vervaardigd, die echter op doek schijnt gemaald en geen opschrift droeg.
Om bewijzen te hebben, dat hij wel degelijk het oorspronkelijk portret bezat, kwam Jonker Seigneurs, bij den aanvang van 1667, naar Antwerpen, en spoorde daar de bevoegde personen op, die, onder eed, vóor notaris, zouden getuigen, dat zijn portret van Marten Pepijn wel het echte was, dat door Antoon van Dijck naar het leven werd geschilderd. Zij, die deze gewichtige verklaring zouden afleggen, waren Catharina Pepijn, de eigen dochter van den afgebeelden meester, benevens de vroegere bezitter van het konterfeitsel, Jan Meyssens, de schilder Jozef Lamorlet, en de beide kunsthandelaars Jan Sieberechts en Bartholomeus Flocquet. Met deze geachte lieden ging de Jonker naar de Kammerstraat, in het huis ‘den kleinen Eenhoorn’, ten kantore van den notaris Jan Baptist van der Linden, die hunne getuigenis aanteekende als volgt:
Ten versoecke van Jonker Francisco Seigneur,
woonachtich tot Brussel.
Die quarta Januarii Anno 1667.
Compareerde Jouffrouwe Catharina Pepijn, Martinus dochter wijlen, oudt sessenviertich jaren, innewoondersse deser stadt, mij notario bekent sijnde, Ende heeft onder solemnelen eede, te desen in handen mijns notaris gedaen, verclaert ende geaffirmeert, dat op het originael contrefeytsel van den voorschreven Martinus Pepijn, der comparante vader was, geschildert door den heere Anthonio van Dijck in den jare sesthien hondert tweendertich, waren