De Vlaamse School. Nieuwe reeks. Jaargang 11
(1898)– [tijdschrift] Vlaamsche School, De–
[pagina 297]
| |
I.....Im Anfang war die That! Als uit nachtstilte 't gouden Licht geboren,
de aarde wekt uit suizelend gedroom,
doen wondre bloemen, boven wolkenzoom
ontbloeid, gouden mysterievuren gloren....
O, bleeke vlammen, in den nacht geboren,
stil brandend aan den diepen blauwen doom,
de starren vaag omneev'lend!... Toovergloom
omhult den blik in eeuwigheid verloren....
O, zie de neev'len langs de starren ijlen,
aan horizont het gouden zonlicht gloren:
de wereldkracht ontbloeit tot brand van Leven....
Doemt in geheim'nis op het niet te peilen
raadsel van 's Levens aanvang uit het even..,
uit nacht van tijden is de Daad geboren.
| |
IIHoe stijgt de ziel langs onbetreden wegen,
in 't speuren op 't verheven doel gericht,
door 't scheem'rend ruim, der zwarte aarde ontstegen,
de schuim'ge golven laag, hoog tint'lend licht
der starrenvlucht, de nevelkringen tegen,
door het Heelal;... totdat, waar 't bronloos Licht
brandt passieloos, z' is machtloos neergezegen:
nabij de poort, waar Tijd en Ruimte zwicht.
Dit is 't geluk, dat 't sidd'rend voorgevoel
nabijheid duidt van wat geen mensch ooit zag.
't Geloof blijft ons.... Het nagejaagde doel
voor 't zwijmend oog in weidsche schoonheid lag:
het Hemelrijk, waar eeuw'ge Liefde woont,
waar hoog in eenzaamheid de Godheid troont.
| |
[pagina 298]
| |
IIIIn 't lichtgewemel van een sterre-nacht,
ziend alom aller dingen inigst wezen
in mystisch droomen, - toen hebt Gij gedacht,
mijn Lief, voor 't eerst, dat eeuwig opgerezen,
al schoone zielen zijn in heil'gen nacht,
tot die starlichte hemelen.... Wij vreezen
den Dood niet meer.... O! Al-Liefde dwingt zacht
den mensch tot nadering der Godheid wezen.
die de macht-linie door de tijdenluchten
in rhytme heenstuwt van het gansch Heelal,
tot eeuw'ge eindloosheid van méer dan Liefde....
Het Hemelrijk, der doffe aardgeruchten
ontheven, waar ondoofbaar glanst God-liefde
nog ná der starre-lichten láatsten val.
![]() |
|