| |
| |
| |
Frans Althaus
VOLENDAMS MEISJE
(Naar een kooltekening)
| |
| |
| |
Over Frans Althaus
FRANS Althaus?... Kent u Frans Althaus niet? Althaus is noch jong; en toen het verzoek tot mij kwam, om hem in te leiden tot het kunstlievend, Vlaamse School-lezend publiek, ging het mij als u. Maar ik had hem kunnen kennen, indien ik de moeite had gedaan enkele weeknummers van Eigen Haard van dit jaar nauwkeurig in te zien. Daar reeds vindt de belangstellende reproduksies naar tekeningen van Althaus. Reproduksies, die niet halen bij de oriegienelen; wat trouwens fout is van de meeste reproduksies. Vooral de oude visserskop op- zij, met de pen, is in 't beschaduwd gelaat-deel niet krachtig genoeg. 't Licht is uit de schaduw; en zodoende 't leven er uit. De foto-zinko naar zijn gewassen en met de pen getoetste tekening, Kinderen, 't jongetje op een stoel bezig met een klompscheepje en 't meisje op de knieën in aandacht er naast, is veel beter; al ging natuurlik de oorspronkelike kracht vrij wel verloren: altans in 't eksemplaar dat mij onder de ogen kwam; wat de mogelikheid van betere afdrukken niet wegneemt.
Om kort te gaan: wie in Nederland Althaus als tekenaar niet kent, heeft dat aan zichzelf te wijten: al wil ik hier bijvoegen, - dat De Vlaamse School het eerste tijdschrift is, waarin iets meer uitvoerigs over deze ernstige en nauwgezette kunstenaar wordt meegedeeld.
Frans Althaus werd geboren in de voorheen, noch niet zo heel lang geleden, vrije Rijksstad Frankfort. Dit vrije, geen losse mantel of sierend epitheton, is de bewoners aan te zien; en dit aanzienlike weeft, waag ik te onderstellen, een geestelike band van sympathie tussen de bewoners van onze vrije lage landen en die van de voorheen vrije vlakte-stad. Onze bekende harmonika-trein gaat niet verder dan Frankfort; en menige Nederlandse zangstem is in Frankfort tot meerdere ontwikkeling geschoold. Naïeve realisten (nuchtere realisten is minder juist) zoeken tussen de harmonika-trein en 't Frankforter konservatorium voor zang een artistiek verband wat er niet is; en zover mag een konkreet idealist dus niet gaan. Maar 't konkreet idealisme, dat in alle opzichten werkelikheid is en zich van 't verstan- | |
| |
delik-abstrakte juist hierdoor onderscheidt, mag dankbaar zijn, dankbaar ook aan Frans Althaus, dat in ander opzicht het artistiek verband niet ontbreekt. Want drie jaar geleden kwam uit Frankfort Althaus in ons land; in het vrije, van militaire onbeschoftheid tamelik vrije Nederland; om er de harde Duitse atmosferen, de bonte Duitse kleuren, waaronder hij opgegroeid was en waarvan ook hij de suggestie ondervond, te vergeten voor 't wazig-dampig, teer-zacht overstolpte, in lichtstraal hulletjes van intiemieteit gewikkelde Noordnederlandse landschap. Niet van kinds-af voor kunst gevormd, tenzij door eigen oefening, vergemakkelikte een eksamen hem de soldaten-tijd; verdiende hij in Frankfort een tijd lang lithografies zijn brood. En ook in Amsterdam is hij aanvankelik op lithografiese ateliers tot die nauwkeurige tekenaar gevormd, die eerst alle onderdelen van een lichaam bestudeert vóor hij er toe komt het geheel Aus einem Guss vast te leggen voor 't oog. Een lithografie, die ik bij hem zag en waarvan hij mij een eksemplaar als aandenken beloofde, toonde wat hij op steen kan.
In kunst belangstellende personen, die hem zagen werken - ik zal maar niemand noemen - rieden hem aan, zich los te maken van de al te harde lithografiese band, en in Noord-Holland de kunst te zoeken voor dat landdeel karakteristiek.
Uit Volendam nu zijn de tiepen, die Eigen Haard publieseerde.
Kent u Volendam?
Voor lezers van De Vlaamse School, de gehele wereld door verspreid, is deze vraag overbodig. Want de meeste zijn nooit in Volendam geweest. Zo ging het mij tot vóor enige jaren. Ik had een tiental dagen omgezworven in de Harz, miniatuur-bergjes beklommen, in regen en mist de Brocken op-en-af en meer dergelike dwaasheden, toen de nachttrein uit Hannover mij Apeldoorn voorbij naar Amsterdam bracht, en de stoomtram naar Monnikendam, waar juist bij mijn aankomst mijn familie op de stoep stond en mij toeriep: dat tref-je: wij gaan naar Marken en naar Volendam. De huisdeur was reeds gesloten, zodat ik mee moest, al had ik me ook graag eerst eens verfrist. Aan 't eind van Monnikendam, een aardig stadje met een dubbele singel, pracht van bomen, gingen we ergens in een open schuit, een botter, met Engelsen of Ameriekanen. Dat tochtje, juist niet bizonder poëties, al was 't weer mooi, bracht ons op Marken; waar oû-damesachtige en oudheerse kinderen dwongen om een sent; en als ze niets kregen, verwent als ze waren, tamelik boos keken. Hier op dit Marken met dijken en palen en watertjes en brugjes en lage huisjes, houten hutjes en stene- mensenkooien was alles muzeumachtig saamgeschoven of op-gestapeld. Ergens in een bedstede een verbazend gerimpeld oudje tussen haar schatten, die een achterkleindochter ons liet zien en verklaarde. Alles klein-klein, Hollands klein en miniaturig; en voor wie uit een groot land komt, een aangename afwisseling.
| |
| |
Te Volendam vond ik het aardiger. We gingen er niet heen per stomer, zoals uit Amsterdam gebruikelik is, maar alweer per schipper; terwijl een insiedent met een Franse famielie, die ons door geld en goede woorden buiten boord trachtte te houden, wat vroolikheid bracht. Maar al ging de botter wat schuins, we kwamen er.
Natuurlik ankerden we in hotel Spaander, 't bekende Volendamse kunst-hotel. En al hingen de wanden van de lange pijpelâ-achtige gelag-kamer noch niet zó vol kunst-krabbels als tegenwoordig en al had Nico Jungmann zich er noch niet geportretteerd tegenover een ander, wiens naam ik vergat, 't geheel was toch 't aanzien waard en ik amuzeerde me met een nauwkeurige bekijking. Te meer daar mijn tochtgenoten meer oog hadden voor gesneden scheepjes, stoofjes, klompjes en dergelike.
In deze ‘gelagkamer’ nu heeft, stel ik mij voor, ook Althaus, na volbracht dagwerk, zich menigkeer onder zijn kunstbroeders neergezet tot ongedwongen vrolikheid: waartoe de pijp en de klomp als van zelve aanlokselen zijn. Tenminste onder 't dertigtal tekeningen, studies en akwarrellen die ik zag en alle het jaartal 1898 droegen, was een groot deel uit Volendam. Laat ik nu maar terstond zeggen, dat het moeilike aan Althaus het best gelukt. Vrouwen en kinderen..., het spontane en beweeglike vastleggen van uitdrukking en houding van één ogenblik, ik zet het u in vieren. Maar Althaus doet het niet in vier trekken, maar in éen haal. Daar staat een groepje. Het is druk bezig met elkaar of kijkt elkaar aan... of speelt aan 't strand. Er is niets aardiger dan ongedwongen kinderen aan het strand, aan de grote ongedwongen zee. Een paar dagen geleden zag ik dit noch te Zandvoort. Op een zandheuvel, opgeworpen door de kleuters, staat een rij, tegen-elkaar aan; elkaar vasthoudend of omklemmend. Daar komt de zee..., de altijd beweeglike, de eeuwig veranderlike. Plots... het natte zand borrelt weg, het loddert uit..., de kleuters zinken meê. Maar nu wordt vaster steun op de vluchtheuvel gezocht. En het beengetrek en armbeweeg en kreet-klinken en 't op-gejuich wordt van dien aard, dat het bedaagde leven, breiend of lezend, opkijkt uit de strandstoelen en bezorgde mamaas of plichtvolle bonnetjes komen toeloopen. Als ge dat ziet, tast ge, tien tegen éen, telken keer naar uw schetsboek. En als ge geen schetsboek hebt, zoudt ge het willen uittekenen met de punt van uw paraplu op het harde strand. Maar wie een schetsboek heeft en een zacht stukje kool of heel zacht stukje krijt, en eerst enige ogenblikken scherp kijkt, om alle kontoeren van 't wriemelend groepje vast in zich op te nemen, is in een hoefslags-blikkertje klaar. Dan thuis aanvullen uit 't geheugen wat ontbreekt en uitwerken. Anders kan 't niet.
Maar dit wil nu niet zeggen, dat Althaus over 't geheel zó werkt. Hij is veel te ernstig en veel te degelik, om er zich zo af te maken ‘met de Franse slag’. Maar de zoekende kunstenaar neemt zijn schoon waar hij 't vindt. En wie anders doet laat de beste ogenblikken ongebruikt gaan. De natuur geeft aanleiding tot kunst.
| |
| |
Om terug te keeren tot Volendam. Dit dan is in sommige tijden van 't jaar een ware schilders-kolonie. Bijna alle kunstlievende volken zijn er vertegenwoordigd. Het komt, omdat het is wat de Engelschen noemen, een sketching-ground. Een studie-plek, zouden wij zeggen, voor artiesten in vast of vloeibaar. Zo zag ik van Althaus wijdbroekse, gelooid- of getaandhuide oude heren met de knuisten in de wijde zakken en een pijpje tussen de hangende of opgetrokken lippen.
Ook het hangende wangvel, als een windloos zeil aan de wal, duidde op een bergings-kapasieteit, die de smokkelaars van Corot in het Suasso-muzeum zouden benijden. Aanvalliger, aanvalliger zelfs dan de kinderen, zijn de achttien- à twintigjarige ‘deerns’ in de gevleugelde ragdunne hoofdbedeksels of hulseltjes, overal in ons land als overtooi, maar van vormsel verschillend, hagelwit gebruikt. Die ik op de hoofden der Althausche meisjes zag, hadden, ingestikt of geborduurd, eerst klimmende dan dalende reeksen geldstukken naar het mij leek in den rand. Waarschijnlik is het geldstuk het onbewuste voorbeeld geweest of later geworden. De aanvallige snoetjes, hier en daar wat rijkelik berood, waren, dunkt mij, iets voor een Ameriekaans boudoir: om mee te dwepen. Zo ook zag ik een zeer oude dame, door Althaus geakwarelleerd. De tekening had zulke goede eigenschappen, dat het mij spijt ook het minder goede te moeten aanstippen. Maar ik releveer deze tekening, om uit te doen komen het verband van klederdracht en versierselen dezer brave mensen met de fraaie dingen, waarmede zij in aanraking komen en waarop zij belust zijn: natuurdingen. Deze oude dame dan draagt een hemelblauwe slaapmuts met kersrode kwast en zij heeft een doekje om dat een regenboogforel haar kan benijden. Het zeegroen-kleur gordijntje, waartegen zij uitkomt, is star-bestraald; en de oude armen, over de knieën gestrekt, houden een oud boekje vóor zich uit, waarin zij leest door een knijpbrilletje. Het geheel is mooi van kleur; maar de ééne arm, de onderarm, is zoo stok-vis-achtig dat ik omkeek naar een kreeft in de buurt om het beest te zeggen: knip af die arm met je schaar.
Maar ik denk dat Althaus wel zo verstandig zal zijn om het zelf te doen: want hij weet drommels goed wat er aan zijn werk ontbreekt. En gaat hij vooruit zoals hij, door onophoudelik werken naar het levend model, in het laatste jaar vooruitgegaan is, dan voorspel ik hem, vooral als illustrator, indien hij in dit vak behagen schept, een grote toekomst.
Maar nu is Althaus niet meer te Volendam; hij woont en werkt op het oogenblik te Blaricum, Blaricum in het Gooi. Kent u Blaricum? Lees Potgieter's Lief en Lied in het Gooi en als u het niet kent, lieve Vlaamse Mevrouw, zult u zich een à-peu-près van Blaricum kunnen voorstellen. In Laren en Blaricum zijn ook schilders... en altijd geweest. In Laren immers leefde en werkte Mauve. In Blaricum hebben er enkele kleine villaas die gefortuneerd zijn getrouwd. Want Laren en Blaricum, om niets anders te noemen, zijn ook echte Sketch-
| |
| |

Frans Althaus
TIEPE UIT VOLENDAM
(Naar een oorspronkelike krijttekening).
| |
| |
ing-grounds. Ook op de Veluwe zijn er vele, waarover ik later wel eens spreek. Ook onze strand-dorpen komen hiervoor in aanmerking. Nu te Blaricum, in een boere-binnenhuis, werkt en woont op het ogenblik onze artiest. Hier huurt hij zijn modellen; en tekent alles er van wat hij nodig heeft: handen en voeten in allerlei aksie, en armen en benen: in rood krijt of zwart, gewassen of met de pen; om dan later uit de onderdelen het gehele figuur op te bouwen of de schets uit te werken tot geacheveerde tekening; en de tekening tot akwarel; om de akwarel later weer, naar hij hoopt, voor een olie-verf-tafereel tot grondslag te doen dienen. Dit is studeren; ernstig, degelik studeren; waarvoor men stellig eerbied, misschien meer eerbied moet hebben, als voor het wild neerflodderen; wat toch ook soms noodzakelik is. Ja die modellen. Ik zag een moeder die een kind de borst geeft. En de akwarel, de laatste en beste die ik van Althaus zag, deed mij terstond denken aan Albert Neuhuys. Die lavende vrouw, die ik meer had gezien, was in dit zelfde bruine jakje, dat zij voor de gelegenheid aantrekt, model geweest van Neuhuys, tijdens diens vertoef te Blaricum. Zoo ontstaat overeenkomst: al is de persoonlike behandeling en eigen gevoelswijze van alle echte artiesten een beletsel voor kopiale overeenstemming.
Het spijt mij dat ik hier in dit korte opstel lang niet alles kan noemen en omschrijven, wat ik van 't laatste werk van Althaus zag. Mooi vooral vond ik de moeder, die een staand jongetje pap voert naast een staand meisje met een keteltje in de hand: tekening met kool, krijt en de pen. Met rood krijt: een Blaricum's meisje met schilderachtig mutsje en halsdasje om; een kindje in de wieg, slapend in een kussen: een Huizer meisje met wit gehoogd, een Amsterdams meisje met wit gehoogd. Met de pen: een oude Volendammer met wit vlokkig haar en diepe wangplooien. Zelfde model op de lithografie met gevouwen handen: Vater Unser. Met kool en pen: Blaricum's interieur: moeder met spelend kind op schoot, trekkend aan een kluwen, naast een jongen op een stoel aan een ronde tafel waaraan links twee pratende boeren: interieur van des schilders huisbaas. Met krijt: Volendamse vissersjongen: elboog over de leuning van de stoel waarop hij zit. Maar vooral Trijntje: 't Volendammer meisje met mooie handen, waarvan een in de schoot rust, de ander over de stoelleuning. Ook de Larense appelschillende jongen op een boomtronk is goed. Ook Neeltje, 't Huizer meisje, dat zit op een hek en levendig lachend uit de donkere oogjes kijkt. Ook 't kindje op de arm van 't Blaricummer meisje is lief; 't blonde modelletje uit des schilders woning, dat mij een handje kwam geven, maar schrikte van oome's lange baard. Uit Volendam herinner ik mij noch 't achterbuurtje in krijt; maar 't duidelikst zie ik noch vóor mij 't beeldsel van Harmen Voss uit Blaricum op een stoel, rechterbeen over 't linker, linkerhand steunende op een stok, stompje pijp in de mond, pet schuin langs 't rechteroog...
| |
| |
Althaus werkt veel, maar er staan ook heel wat draken op weg naar de kunsttempel; en zij alle moeten worden verslagen. En dan nog, zoals zijn stadgenoot, de dichter Friedrich Stoltze 't uitdrukt in Frankforter dialekt:
Schon gleich der Stich der Brick en uff
Hält oft die brävste Männer uff.
Maar waarachtige artiesten versagen niet.
Apeldoorn, 31 Juli 1898.
J. Winkler Prins.
| |
| |
Frans Althaus
VOLENDAMS KINDERGROEPJE
(Naar een oorspronkelike kooltekening)
|
|