| |
Kunstnieuws
Bij Buffa in de Kalverstraat.
Een allerliefst gezichtje op Montmartre, dat volstrekt niet in de manier van Jaap, maar veel meer in die van Thys Maris werd gedaan, - die arme Thys, die bijna niet meer werkt en wat hij gewerkt heeft, bijna niet meer wil verkopen.
Een aardig kinderfieguurtje zo tussen de twaalf en veertien jaar, zittend op de houten balustrade van het eigen huis van Jaap, eer hij vóor de oorlog van zeventig de stad Parijs moest verlaten. Ze breit met een heel geestig Frans gezichtje, met een onregelmatig profiel en leuk opgewipt neusje, aan een heel echt Hollands uitziend kousje, met de lieve, onschuldige kinderogen gevestigd op een houten kooitje, waar een kleine zwarte spreeuw in zit.
De gehele wijze van zien, van opvatten én zien, is zo lief, zo wazig teer; het grijs van de achtergrond doet zo mooi tegen het lichte bruin van de lage huizen, en het kleine fieguurtje van het vrouwtje op de achtergrond is zo fijn gedetaljeerd en zo zuiver geschilderd, dat men dit stukje alleen, zonder de onderdelen te beoordelen, genieten en bewonderen kan als een van de heel weinige, in-mooie stukken, waarin Jaap Maris het fieguur heeft behandeld.
Daaronder hing een beeldig gezichtje op Dordt van dezelfde meester en een heel vroeg paneeltje van Mattheus Maris, Thys, dat me aan de Duitse school deed denken met iets van de fijnreine tinten van de gotieken, - een heel oud vrouwtje aan een bron, die een kleine, gulzige jongen te drinken geeft.
En weer iets heel, heel moois van J. Voerman te Hattem, een brokje van het stadje zelf, met een vrouwtje op het voorplein in het gras, de knieën heel hoog opgetrokken tegen haar kin, wegstarend in het verre licht, dat in teer opaal drijft tussen lichte wolkjes, en kleine scheepjes liggen vóór anker met gouden pinklichtjes in de achtersteven en de mooie droomogen van de jonge kunstenaar, die alles mooier dan anderen ziet, hebben deze eenvoudig intime realieteit van een echt achterhoeks-landschapje in Overyssel, aan ons teruggegeven in een viezieoen van mooi.
Van de 75- jarige Israëls, pas onlangs van een gevaarlike ziekte hersteld, zag ik bij Buffa een verrukkelik landschapje in de duinen, een zachte, stemmige, rosblonde lucht, die schijnt weg te deinen in het grijsblauwe verschiet, waarop het vissersvrouwtje met de hand op de schouder van de kleine jongen, de ogen zo droevig gevestigd houdt.
Dan een prachtig waterlandschap van Willem Maris en noch een ander van de latere van Israëls, een visserspaartje dat door een korenveld wandelt en een tekening in krijt van een ouder zusje dat het kleine jongste zusje draagt.
Een biezonder mooi landschapje van Jan van Essen, schapen op een moerassige hei tegen een zware, blauwgrijze regenlucht, een heel andere wijze van schilderen, hoewel vooral niet minder knap gedaan dan de eeuwige leeuwen, leeuwinnen en tijgers, waar dunkt mij, meer dan uit al de dierstudies, de ware ziel van de kunstenaar uit spreekt.
Van Monticelli, een Italieaan van afkomst, die lange tijd in Frankrijk, in Parijs en Marseille heeft gewoond, een paar prachtige, prachtige stukken, verrukkelik van kleur, die mij even aan de manier van Turner deden denken.
In warme, mooie rijkdom van kleuren, een teerblonde wemeling van mooie vrouwen, die in geflonker van geel, van goud, van gloeiend purper, in prosessie naar een bruidsfeest gaan, naar een lichte zaal vol wit warme gloed, die uitstraalt van de verlichte trap.
De tweede is in mijn ogen minder mooi, - een jonge vrouw in een donker bos, omringd door faunen en minnegoodjes, maar de kleur is hier vooral ook, weer zo heel, heel schoon.
A.W.S.v.L.
| |
Een Memlinc?
Een vrij aantrekkelik schilderijte, dat door de ontdekker, de Heer Goedhardt zelf,
| |
| |
zoals men mij zeide, voor een echte Memlinc -, en door de Heer Kalf te Amsterdam voor het werk van een Vlaams meester wordt gehouden, die onder Duitse invloeden gearbeid heeft.
Mij voegt natuurlik hierover geen oordeel, hoewel ik, om het gezicht van de monnik met de vuurroode kap, die een gebedenboek in een laag kozijn gesteund houdt, - om het mooie, blonde haar van de Maagd, dat in golven langs het hoofdje wegvloeit, om de ‘Faltenwurf’ van het witte gewaad en om de septer, die de bischop in de hand houdt, meer geneigd zou zijn, het schilderijtje in ieder geval voor het werk van een Vlaming te houden, maar van een, die onder de invloed van Memlinc gearbeid heeft.
Het stukje werd te Hilversum door de Heer Goedhardt (Heerengracht, Amsterdam) heel toevallig, heel sprookjesmooi en romanties ontdekt bij een Hollandse dame, die het sedert jaren, bewaarde in een kist! In het eerst was het zo onaanzienlik door een dichte laag van vuil, waarvan noch enige sporen aan de linkerhoek van de schilderij te zien zijn, dat de kunstkoper genoodzaakt was, het gehele paneeltje met een wat al te glimmende laag vernis te bedekken, waardoor de gehele schildering echter werd gereleveerd en het geheel in duidelikheid won, hoewel later, wanneer het op de gebruikelike wijs gereinigd en de vernislaag verwijderd zal zijn, de mooie, reine en fijne kleur, - toch zeker wel afgekeken van Memlinc -, noch krachtiger zal afstralen van het doek in hele tere, warme kleuren.
't Mooiste van alles, in mijn ogen ten minste, is het schitterende goudleren behangsel als een ‘panoply’ achter het hoofd van de Maagd en de glinsterende troon, waarop de heilige Anna met een opengeslagen gebedenboek op haar schoot gezeten is, terwijl de Maagd, veel kleiner dan zij, bijna zelf noch een kind, haar kindje houdt in tengere armen, en vertrouwelik aan haar voeten zit. Anna draagt een kleed van het verrukkelikste blauw met heel tere, groene refleksen en het onderkleed is van donker aardbezie-kleurig rood.
De fieguurtjes van de mannen, die het paartje beschouwen, heel leuk en ezellig, met de armen in de venstergbank geleund en het slankstengelige lelieachtige plantje op de voorgrond, doen meer dan iets anders aan Memlinc denken, terwijl de heldere, blauwe lucht weer enigsins aan Duitse invloeden schijnt te herinneren.
De troon vooral is biezonder mooi, met vreemde, gedraaide zuiltjes, op elk waarvan een leeuwtje zit, - 't ene met vrome, neergeslagen oogjes, 't andere met het neusje heel pedant in de wind.
Het gezichtje van de Maagd is biezonder aantrekkelik en het kindje houdt een heel klein vogeltje in de handen -, een puttertje, dat zijn trillende vleugeltjes even laat rusten op de hand van het kind, het minst geslaagde fieguurtje van het geheel.
De heilige Anna draagt haar naam op de geborduurde zoom van haar kleed, er klaarblijkelik opgeschilderd door iemand, die geen Latijn kende, want er staat ‘Sanctus Anna, in plaats van Sancta’.
De pareltjes en de bisschopskroon, aan de linkerhand zijn keurig geschilderd en de bisschop zelf houdt een granaatappel in de handen, waar men het bloedende hart van Jezus op ziet.
Er zijn enige kleine vlekjes op het beeld, en wel boven het hoofd van de bisschop, op het mooie, tere grijs van de muren, op het hoge voorhoofd van de Maagd en de borst van het kindje, en het geheel is noch een beetje bemorst door de dikke laag stof, waar het zo lang onder bedolven lag. Maar als de kleuren zullen gereleveerd en de gehele vernislaag zal verwijderd zijn, zal 't geheel, - om 't even nu, wie er de maker van mag geweest zijn, - mogen beschouwd worden als een heel eigenaardig voortbrengseltje van laat-Gotiese kunst.
A.W.S.v.L.
| |
Uit La Cathédrale van J.K. Huysmans.
Lang niet alle bemerkingen, door de uitstekende schrijver in dit z'n laatste boek vooruitgezet, komen ons voor, de toets van een gezond wijsgerig en geschiedkundig onderzoek zegevierend te kunnen doorstaan. Van de eigenlike teologiese, of - zo men wil - mistieke strekking van dit werk spreken
| |
| |
wij niet eens. Dit uitsluitend aan kunst en enkel kunst gewijd tijdschrift zou zich niet gaarne een oordeel over dát gedeelte van Huysmans' werk aanmatigen. Alleen de estetiese partijen hebben wij op het oog. De schrijver gaat daarbij uit van een grondbeginsel, dat, op zich zelf volkomen gegrond, ongelukkiglik door hem veel te algemeen en tot in enige gevolgen, welke het niet hebben kón, toegepast wordt. Ik bedoel - de zinnebeeldige betekenis van de gehele kunst in de middeleeuwen. Zolang hij er zich toe beperkt, de simboliek van de ogievale of gotieskristelike kerkenbouw te verklaren en te verheerliken, zijn wij het met hem volstrekt eens. Waar hij er echter toe komt, in de werken van allerlei grote en kleine teologen en scholastieken de verspreide biezonderheden bijeen te lezen voor een leer, neen, een ‘stelsel’ van simboliezering, dat, in het gewilde en gezochte van z'n konvensieonalisme zo bij uitstekschools en dogmaties wordt als het ars poëtica van onze ‘rhethoriesienen’; waar hij uit de kleurschakeringen niet alleen van Fra Angelico maar van andere middeleeuwers, volgens de regels van die simboliek, een verborgen, misties-asketiese betekenis afleidt; waar hij, eindelik, - zij 't dan ook enigsins schertsenderwijs, - het ontwerp ontwikkelt, óf van een tempel, die, uitsluitend uit bomen, gewassen en bloemen ‘opgetrokken’, óf van een lieturgiese tuin, die, al naar de wijs, waarop knollen en penen, uien en prij, gurken en artiesjokken er zouden door elkaar groeien, een grootse zinnebeeldige gedachte zouden belichamen, kunnen wij ons niet weerhouden, op hem de gekende spreuk toe te passen: ‘à trop prouver, on ne prouve rien.’ Er is hier stellig overdrijving; het doel wordt hier - boogscheuten ver - voorbijgeschoten.
Intussen bevat La Cathédrale heel wat uitspraken, die wij, óf om haar treffende juistheid, óf om haar nieuwheid, graag onder 't oog van onze lezers willen brengen. Dit is al dadelik het geval met hetgeen Huysmans doet opmerken aangaande het aandeel, door Frankrijk genomen aan de ontwikkeling van de godsdienstige kunst. Alleen in het opzicht van de bouwkunst verdient het vermeld te worden. Wat de schilderkunst aangaat, die werd, evenals overigens de beeldhouwkunst, hoofdzakelik beoefend door Ietaljanen, Spanjolen, Duitsers en Dietsers. ‘Ceux que l'on tente de vous imposer ainsi que des compatriotes, sont des flamands transférés en Bourgogne ou de dociles français dont les oeuvres décidées portent une empreinte toute flamande. Voyez au Louvre ceux que l'on appelle nos Primitifs... Tout vient des Flandres; Jean Perréal, Bourdichon, Beauneveu, Fouquet même, sont tout ce que vous voudrez, sauf les inventeurs d'un art original dans les Gaules. Il en est de même des écrivains mystiques... Eux aussi sont espagnols, italiens, allemands, flamands; pas un français.’
Verder, De Kroning van Maria door Angelico vergelijkend met de werken van onze grote middeleeuwers, schrijft hij: ‘Là, ce n'est plus un travail manuel même souverain, ce n'est plus un ouvrage spirituel, vraiment religieux, ainsi que Roger Van der Weyden et Quinten Metsys en firent; c'est autre chose... Avec l'Angelico, un inconnu entre en scène, l'âme d'un mystique arrivé à la vie contemplative et l'effusant, ainsi qu'en un pur miroir, sur une toile..... Les Metsys, les Memling, les Van der Weyden impregnèrent leurs panneaux d'un reflet céleste, ... mais ils ne purent représenter que des gens demeurés comme eux dans les premières pièces de ces châteaux de l'àme dont parle sainte Thérèse et non dans la salle au centre de laquelle se tient, en rayonnant, le Christ.’
Zeer juist is dit:
‘L'âme de l'Angelico est plutôt celle d'une Sainte que d'un Saint. Que l'on se reporte à ceux de ses tableaux où il voulut rendre la Passion du Christ; l'on ne se trouve plus en face des tumultueuses pages d'un Metsys ou d'un Grünewald; il n'a ni leur âpre virilité, ni leur sombre énergie, ni leurs tragiques émois; lui, pleure, a la douleur désespérée d'une femme...’
De zeven Sakramenten van Rogier van der Weyden noemt hij, met Quintens ‘Graflegging’, door hem verkeerdelik ‘Kruisafdoening’ betieteld, ‘la gloire du musée d'Anvers’, waarna hij beweert, dat de Brusselse stadschilder aan elke
| |
| |
door hem aangewende kleur een bepaalde betekenis heeft gegeven. Het bewijs hiervan zoekt hij dan in de verschillend gekleurde engeltjes, die boven elk van de zeven tonelen, welke de drie panelen vullen, in de lucht zweven. Dan zegt hij: ‘La version picturale du Baptême, de l'Extrême-Onction et de la Prêtrise est claire (namelik het wit, het donker violet, het gewone paars); le Mariage même, traduit par du bleu, peut, pour les âmes naïves, se comprendre; la Communion armoriée par le sinople se conçoit mieux encore, puisque le vert est la sève, l'humilité, l'emblème de la force qui nous régénère; mais la Confession ne devrai-elle pas être translatée par du violet et non par du rouge, et comment expliquer que la Confirmation soit désignée par du jaune?’
Indien Rogier werkelik bedoeld heeft, een zinnebeeldige betekenis aan die kleuren te geven, dan menen wij te mogen zeggen, dat hij die betekenis is gaan vragen, niet aan de mistiek, maar aan zijn aangeboren Duits of Germaans, zo gij wilt Vlaams of Diets kleurinstinkt. Hij koos blauw voor het huwelik, omdat die kleur, voor ons, Duitsers of Germanen, die is van de trouw, die Treue; wit voor het Doopsel als kleur van de reinheid; groen voor het H. Sakrement van 't outaar als kleur van de hoop, voor 't mensdom door Christus' kruisdood vernieuwd; rijk paars of violet voor het Priesterschap als kleur van de waardigheidbekleders van de Kerk gedurende een deel van de middeleeuwen; donker paars voor het Oliesel als kleur van de stervenden, van de dood, die komt; rood voor de Biecht als kleur van het gewonde, bloedende hart, van het berouw; geel, eindelik, voor het Vroomsel als kleur van de rijpte, de vastheid, het koninkdom. Niet de mistiek, de lieturgie, alleen z'n door en door Duitse aard, z'n aangeboren, intiemste gevoel, wees Rogier de weg bij deze keus.
Hier te onderzoeken, of Huysmans al of niet gelijk heeft, te zeggen, dat ‘l'école de Cologne n'avait acquis le sentiment mystique qu'après avoir subi l'influence des Flandres;’ - ‘il avait fallu Van Eyck et surtout cet admirable Roger Van der Weyden pour insuffler une âme celeste à ces peintres. Ils avaient alors changé leur manière, imité la candide rigueur des flamands, s'étaient assimilé leur tendre piété, leur franchise, et, en des hymnes ingénus, ils avaient, à leur tour, célébré la gloire de la Mère et pleuré le martyre du Fils’, - dát te onderzoeken, zou ons te ver voeren. Stippen wij enkel in het voorbijgaan aan, dat - zo de Vlaamse vijftiendeeuwers werkelik zulk een invloed op de school van Keulen geoefend hebben, de vroegere Keulse meesters zonder enige twijfel een dan wel meer stoflelike, maar al even duidelik merkbare invloed op van Eyck en van der Weyden en noch veel meer op Memlinc gehad hebben. Dit hopen wij, later, hier of elders, eens in een afzonderlike studie breedvoerig te staven.
Biezonder aantrekkelik zijn, voor ons, Zuid-Nederlanders, de bladzijden 368, 369, 370, 371, 372, gewijd als zij zijn aan de verheertijking - dit is inderdaad het woord - van de ernstige, diep wezenlike, tevens hoog reliegieuze kunst van Rogier van Brussel. Na hoger De Sakramenten uit het van Ertborn-zaaltje alhier beschreven te hebben, bestudeert hij ditmaal het wonderbaar ‘Stalletje van Betlehem’ uit het Muzeum te Berlijn. ‘Jamais Vierge,’ zegt hij terecht, ‘ne fut et plus extraterrestre et plus vivante. Ni Van Eyck, avec ses types un peu populaires, laids en tout cas; ni Memling, plus tendre et raffiné, mais confiné dans son rêve de femme à front bombé, n'ont atteint cette noblesse délicate de formes, cette pureté de la femme que l'Amour divinise et qui, même retirée du milieu où elle se trouve, même privée des attributs qui la font reconnaître, ne pourrait pas être une autre que la mère d'un Dieu.’ Verder noemt hij deze ‘Nativité’ ‘l'exoration colorée la plus pure de l'art mystique demeurant encore sur la terre, ne se passant plus seulement en plein ciel;’ en hij voegt er bij: ‘Jamais la Théophanie n'a été plus splendidement célébrée et, l'on peut dire aussi, plus naïvement et plus simplement rendue; le chef-d'oeuvre de la noël est á berlin de même que le chef-d'oeuvre de la descente de croix (lees: l'Ensevelissement) est à anvers, dans la douloureuse, dans
| |
| |
la splendide page de quinten metsys!’ Eindelik willen wij noch, en vooral, dit besluit ten beste geven: ‘les primitifs des flandres ont été les plus grands peintres du monde, et ce Rogier Van der Weyden ou ce Roger de la Pasture, ainsi que d'autres le momment, écrasé entre le renom de Van Eyck et de Memling, comme le furent également, plus tard, Gérard David, Hugues Van der Goes, Juste de Gand, Thierry Bouts, est, suivant moi, supérieur à tous ces peintres.’
Huysmans verdient er onze dank voor, dat hij - Frans letterkundige en kunstenaar - eindelik eens, van de gehele hoogte van zijn mooie faam, deze onbetwistbare, schoon noch zo dikwels betwiste superieorieteit van de Vlaamse middeleeuwers heeft uitgeroepen.
P.d.M.
| |
Fotografieën naar Toorop.
In Juni 1896 richtten enige Groninger studenten een tentoonstelling in, uitsluitend gewijd aan werken van deze wellicht eigenaardigste van alle Noordnederlandse kunstenaars, heer en meester Jan Toorop. Met goedkeuring van de schilder lieten zij negen van de tentoongestelde taferelen fotograferen, niet met het oog op mogelik winstbejag, maar alleen met de bedoeling, om Toorop's scheppingen in ruimer kring, en wel in de eerste plaats onder de heren studenten en studiosi bekend te maken. Zo werden dan gefotografeerd De drie Bruiden, De Zaaier, De Zang van de Tijden, De Verdervers (Les Rôdeurs), Fatalisme, De Tuin van Weeën, Verlangen en Bevrediging, Kinderlike Bespiegelingen en Naur Verhaeren's Passeur d'Eau.
Voor De Vlaamse School was het een blijde verrassing, met deze lichttekeningen kennis te maken. Meer dan éens toch drukten enkele van onze lezers reeds de wens uit, een goede reproduksie naar een of ander van Toorop's beste werken te bezitten, en telkens waren wij tot nu toe gedwongen, hem met een ‘bestaat niet’ of ‘onvindbaar’ onvoldaan te laten. Nu werden de Groningse foto's niet alleen genomen naar enige van de werkelik mooiste kleuren lijngedichten van de ook hier te lande zeer gewaardeerde artiest; zij zijn daarenboven - zeer voldoende alle, uitstekend ten minste enkele.
Vooral die naar De drie Bruiden, De Tuin van Weeën en het overschone, De Verdervers bevelen wij, als karakteristiek voor Toorop's opvatting en uitvoering, ten zeerste aan.
Elk van de negen foto's kost -, opgeplukt op grijs karton, - grootte 48 × 32, frs. 2.50. Alle in éens genomen, kosten frs 20. Broom-afdrukken zijn verkrijgbaar à 5 frs.
|
|