| |
| |
| |
| |
Boekbeoordelingen
Interieurs door Herm. Heyermans Jr. H.J.W. Becht, Amsterdam 1898.
H. Heyermans nam vóor een jaar of zes in éens plaats onder de beste prozaschrijvers van Nederland met zijn treffend stuk 'n Jodenstreek. Sedertdien lezen wij met een oprecht genot alles, wat wij van hem in handen krijgen. Telkens bewonderen wij niet alleen de kracht, waarmede hij plastisch voorstelt en ons gemoed schokt, maar ook zijn nerveuzen schrijftrant.
Dat is weer het geval met Interieurs. Amieke en Bep, die dwaze Jongen, twee schetsjes uit dien bundel, vereenigen al de goede eigenschappen, die Heyermans karakterizeeren. Vooral Amieke is een puur meesterstukje vol roerende psychologie. De drie andere schetsen Begrafenis, Huwelijk en De Meid geven ons niet den heelen Heyermans. Wij krijgen hem alleen als scherp opmerker en flink beschrijver in die stukjes; de kunstenaar, die zoo wonderbaar op het gemoed werkt, ontmoeten wij er niet.
M.S.
| |
Confetti door Anna Koubert Amsterdam. H.J.W. Becht. 1898.
Mev. A. Koubert (Tine van Berken), na heel lieve kinderboekjes geschreven te hebben, is een tred hooger gegaan in haar belletrische betrachtingen en heeft thans blijkbaar lectuur voor jonge meisjes en aspiranthuisvrouwtjes willen leveren.
Beoordeelen wij haar jongsten schetsenbundel Confetti als dusdanig, d.i. met inachtneming van de mindere eischen, die men aan dat genre stelt, dan mogen wij hem zonder voorbehoud als geslaagd aanbevelen.
In de meeste stukjes uit Confetti worden verteld het leed en de vreugde van verliefde en niet verliefde meisjes, ofwel de stille zaligheidjes, de ongegronde jaloerschheidjes, de onverwachte rampjes en verdere wisjewasjes van jonggehuwden.
Aan de meeste dier schetsen hangt een bijna onvermijdelijk moraliseerend, didactisch geurtje. Ze toonen aan hoe dwaas het is voor jonge vrouwtjes jaloersch, achterdochtig of zelfzuchtig te zijn.
Mev. A. Koubert geeft echter in hare kleine verhalen blijk van een groote opmerkingsgave en een diepe innigheid van fijn vrouwelijk gevoel. Haar schrijftrant is vrij van alle aanstellerij, vloeiend en onderhoudend.
Dr Maurits Sabbe.
| |
Hanepen door Sinus. Amsterdam. E.L.E. van Dantzig
In den laatsten tijd hebben de Noord-nederlandsche prozaschrijvers een groote voorliefde aan den dag gelegd voor zoogenoemde romans à clef en autobiographieën in romanvorm. Aylva in L. Couperus' Metamorphoze en Satis in M. Emants' Op Zee zijn personages, waarin de auteurs hun eigen zieleleven ontleden. A. de Savornin Lohman laat in haar roman Vragensmoede zeer licht te erkennen anti-revolutionaire aanvoerders optreden. Cornélie Huygens heeft voor haar werk Barthold Meryan ongetwijfeld haar personages en motieven in het Hollandsch socialistenwereldje opgezocht. Nog meer andere werken, die deze dubbele strekking vertoonen, zouden wij kunnen opsommen.
Er is wellicht reden, om zich in dit verschijnsel te verheugen en misschien kondigt het een bloeitijdperk voor onze romanliteratuur aan. De Nederlandsche roman kan er stellig bij winnen, wat diepte van ontleding en sociaal belang betreft.
Nochtans ligt er op dien weg een groote struikelsteen, die eenieder niet kan vermijden. Een autobiographische roman verliest zoo licht zijn algemeen belang! En een verhaal met rechtstreeksche toespelingen op bekende gebeurtenissen en personages ontaardt wellicht nog eerder in een volslagen schandkronijk! Dergelijke werken ontleenen, o zoo dikwijls, hun voorbijgaand, revue-achtig belang alleen aan
| |
| |
het feit, dat er over tijdgenooten in gepraat wordt. Er is een zeer krachtig temperament van noode, om contemporaine gebeurtenissen en persoonlijkheden tot een algemeen psychologische en ware kunsthoogte te verheffen.
Hanepen, ook al een ‘roman à clef’, kunnen wij noch afbreken noch ophemelen. Dat boek staat als het ware op de grens, die in bedoeld genre kunst van ‘faits divers’ scheidt. Nu eens stijgt het tot kunsthoogte, dadelijk daarop gaat het weer dalen.
Sinus stelt ons Baron Lodael voor, een jong edelman, die groote politieke en finantiëele plannen koestert, maar niet over de noodige wilskracht en zelfbeheersching beschikt, om ze te verwezenlijken. Hij wordt omringd door een groep intriganten, die hem bedriegen en voor een groot deel meehelpen, om hem heel en al ten gronde te brengen. Bij Nederlandsche lezers wekt die hoofdfiguur - want trots de titel is Baron Lodael de held van 't boek - even als het grootste getal der overige personages levendige herinneringen aan tijdgenooten op.
Hetzelfde gebeurt met de verschillende episodes, waarin die personages optreden. Bij de beschrijving van het oproer, het vertellen van de stichting van een groot dagblad met veel reclame enz. zal de Nederlander namen en gebeurtenissen uit de laatste jaren vóor den geest hebben.
Welnu, hoe duideliker die toespelingen zijn, hoe meer het boek zijn belang aan die bekende gebeurtenissen ontleent, hoe minder het ons bevalt. In Majesteit en Wereldvrede heeft Couperus zich ook ongetwijfeld laten inspireeren door gebeurtenissen uit onze dagen, maar dat was niets anders dan een ‘zich laten inspireeren’. Niemand kan bij de lectuur van die boeken levende personen en pas gebeurde feiten met den vinger aanwijzen. In Hanepen kan men dat wèl en dat is onzes dunkens het gebrek van het boek. Er is geen voldoende ziensbreedte in, en dàt juist had het tot een zuiver literair werk moeten verheffen. Dat is ook de reden, waarom wij hetzelfs ver beneden Kippeveer schatten.
Enkele figuren als die van Hanepen en Jacob De Wilde staan hooger. Hier hebben wij werkelijk literaire typen voorhanden, wier karakterteekeningen psychologische ontleding ons in de eerste plaats belang inboezemen. Enkele episoden, als b.v. de tooneeltjes in de familie Hanepen, vertoonen insgelijks dat karakter van algemeenheid, dat wij in het heele boek hadden willen aantreffen.
Wat wij uit een zuiver letterkundig oogpunt over Hanepen ook denken, kunnen wij het boek niettemin als een zeer boeiende lectuur aanbevelen. Heeft men het boek eens in handen, dan leest men het in een trek door.
Dr Maurits Sabbe.
| |
Was uns die Kunstgeschichte lehrt. Einige Bemerkungen über alte, neue und neueste Malerei, von Karl Woermann. Vierte Stereotyp-auflage. Dresden, L. Ehlermann 1894.
Twintig kleine hoofdstukken, 't een al beknopter dan 't ander, over allerlei vragen, die met de geschiedenis van de schone kunsten in 't algemeen en meer in 't biezonder met die van de schilderkunst in min of meer nauwe betrekking staan.
De schrijver gaat uit van het grondbeginsel, dat de kunst de natuurlike en adekwate uiting is van de ziel van een nasie, scheppensmachtig geworden in de enkele mensen.
In hoofdzaak komt zijn leer hierop neer: gezond is alleen die kunst, welke, met volkomen tekniese meesterschap toegerust, weergeeft de natuur, zoals deze zich openbaart aan de artiest, die haar ziet, zij 't ook met scherper toekijkend en dieper doordringend oog, die haar voelt, zij 't dan ook met veel groter intensieteit, - haar ziet en voelt zó als haar ziet en voelt het volk zelf, waaruit hij gesproten is.
Tot de beste kapittels tel ik mee dat over de innerlike hoedanigheden van elke tegen de tijd bestande kunst, - dat over het nasjonale in de Ietaljaanse, Hollandse, Spaanse, Franse, Engelse, Vlaamse en Oud-duitse kunst, dat over het persoonlike in de kunst en dat over het kunstige in de kunst.
Wat ons vooral bevalt in Karl Woer- | |
| |
mann, is - dat hij zo volkomen vrij is van alle vooroordelen en noch meer van alle schoolse dogmatiek.
Dit komt o.a. uit in zijn bladzijden over de hedendaagse Duitse natuur- en fantazieschilders. Over 't algemeen zoude ik zijn oordeel over von Uhde, Liebermann, Boeklin, Thoma, enz., zonder enige aarzeling willen... voor rekening nemen.
Daarom druk ik de wens uit, dat een van onze jonge mannen, b.v. voor het T. v.h. Will. enige hoofdstukken uit W.u.d.K. l. zoude vertalen.
Er zijn hier te lande noch veel vooroordelen uit te roeien! Daartoe zou het lezen van Woermann's bladzijden ongetwijfeld veel, veel bijdragen.
| |
Henri de Régnier: La Canne de Jaspe. Monsieur D'Amercoeur. Contes á soi-même. Le Trèfle noir, (Paris, édition du Mercure de France, MDCCCXCVII). 316 bladzijden.
Stil..... O 'k bid u: laten wij stil zijn!
De stem, die hier spreekt, is zo zacht, zo bescheiden; zij zegt de dingen zo zonder de allergeringste inspanning, zo zonder enige moeite om toch maar gehoord te worden... Als sprak zij alleen omdat het zwijgen haar te zwaar en te pijnlik is; alleen uit die alle eenzamen bekende behoefte, om eigen denken en voelen te horen opleven in het geartiekuleerde geluid van de eigen keel; - zó spreekt deze stem, onverschillig of wel éen enkele verstaan wat zij verhaalt, onverschillig zelfs of wel éen oor luisteren zal.
Laten wij stil zijn...
De stem is zo bescheiden, zo schuchter...
Zij mocht wel eens niet langer spreken, zelfs om een onvrijwillige beweging maar, om een kreet, om een zucht...
Zij is zo eenzaam, die stem, en tevens zo intiem, zo innig; er trilt zulk een oprechtheid in, zulk een overtuiging, dat zij niets zegt dan alleen wat de ziel van hem, aan wie zij hoort, voor waarheid houdt en wijsheid; laten wij stil zijn, - dat geen woord ons oor ontsnappe. Laten wij luisteren als naar een, die ons leren kan, ofschoon hij 't ook zelf niet wil, ofschoon hij 't ook zelf misschien niet weet.
In zinnen, zwaar van het weeë weten van een ziel, in de nijpende gevangeniskluisters van het leven wijs geworden; in zinnen, waarvan de ritmus éen is met het óp- en neergaan van de hijgende mensenborst, spreekt deze stem.
Zij komt tot ons als van ver; als door een dikke sluier, als door de schemering van een vroege najaarsavond of een geheimzinnige zomernacht komt zij tot ons; geen opeenvolging van schelluidende klanken; gedempt zingt elk op zichzelf toch rijkklinkend woord, zoals in het schemerduister de heerlikste metalen noch enkel een vaag geglim vertonen, een vaag geschemel als van wat zon in het diepste van een heel dicht bosch.
Maar mooi zijn de dingen, die zij ons toevertrouwt, en slechts door de edelsten van dezen tijd, Flaubert in zijn Contes en zijn Tentation, Villiers in zijn Axel, Gide in zijn Voyage d'Urien, Paul Adam in zijn Images Sentimentales en Princesses Byzantines en Schwob in zijn Livre de Monnelle, werden ons even mooie, even onvergetelike dingen gezegd.
‘L'amour seul nous fait nous mêmes, il nous rend comme nous serions, car il devient ce que nous sommes.’
‘La stature de l'amour est à la taille de notre ombre...’
‘L'amour reste l'amour. Nous l'aimons, tout contrefait qu'il soit...’
Wie sprak even puur over de liefde als Hermotime in zijn wonderschoon epiestel aan Hermas? Klinkt niet een echo van Ruysbroeck in deze woorden:
‘L'amour doit être l'hôte de la sagesse, mais son flambeau doit éclairer, à l'intérieur de nos songes, des voûtes merveilleuses; en diamanter les grotles de toule l'anxiété des stalactites du silence; alors tout flamboiera d'une chaste fête de clarté, et, à des aurores soulerraines, d'entre les pierres pousseront d'inflexibles lis?’
Een zestal verhalen doet ons deze stem: van Hermotime, die Hertulie vlucht, om zijn liefde voor haar in treurige afwezigheid te louteren; van Hermagore, de deugdzame arme visser,
| |
| |

Oorspronkelike tekening van Edmond van Offel
| |
| |
die, koning geworden, zich met schande overdekt, van alle zonden tot en straks, inkeer gekomen, terugkeert, om er te sterven, tot het lapje grond, dat hij eens in 't zweet zijns aanschijns bebouwde; van Hermocrate en van zijn laatste belijdenissen aan zijn zoon en hoe hij begraven werd, enz..
Van de drie hier bedoelde verhalen zijn de twee eerste de mooiste, - het tweede is daarenboven een onvergelijkbaar meesterstuk van gedachte evenzeer als van vorm.
Geen zin, geen woord, geen letter te veel. Geen woord kunt gij uit zijn verband rukken, zonder het geheel te bederven. Alles is hier louter harmonie en eenheid.
Dit verhaal werkt op ons als een van die superbe tekeningen van Kranach, Lukas of Durer: de Adam en Eva van de eerste, Jefta en z'n Dochter van de tweede, Ridder, Dood en Duivel van de laatste. 't Is niet geschreven, 't is geradeerd, geëtst.
Dürer had zo iets moeten illustreren.
‘Pourquoi ris tu?’ dit Hermagore. ‘O roi,’ répondit le misérable, ‘je regarde á tes pieds l'ombre que fait ta gloire.’ Et le roi ayant baissé les yeux vit cette ombre. Composée de la crête de la haute couronne, du bec du sceptre, des ailes du manteau, elle était difforme et trappue, et, monstrueuse, elle semblait, avec son envergure chimérique, quelque bête hargneuse et infirme, accroupie aux pieds du triomphateur qui le précédait.’
Stil... O ik bid u: laten wij stil zijn en ingetogen...
En ons zal het bij het luisteren vergaan als Hertulie, waar zij luistert naar Hermas:
‘Elle avait senti dans sa voix quelque chose de si lointain que le mélancholique interlocuteur de son désespoir s'éloigna en sa pensée à des confins de songes...’
Deze stem spreekt tot ons als die van Hermas: ‘à des confins de songes,’ op de grens, die waken van droomen scheidt.
P.d.M..
| |
Missa duobis choris vocum virorum cum organi concertu cantanda. Composuit Alphonsus Johannes Maria Diepenbrock. Edita expensis ‘Algemeene Muziekhandel’ Amstelodami, MDCCCLXXXXV.
Deze uitgaaf mag gerust beschouwd worden als een tot nu toe onovertroffen model van boekversieringskunst.
Mooier geheel werd, met zulke eenvoudige middelen, door slechts weinige modernen en zeker door geen enkel negentiendeeuws Noord-of Zuid-Nederlander verkregen.
Slechts van twee kleuren, goudachtig okergeel en paars of grijsbruin, deftig, stemmig uitkomend op het bescheiden wit van 't Hollands papier, bediende zich de meester, die het versieren van Diepenbrock's Mis op zich nam: A.J. Derkinderen.
In 't geheel ontwierp hij 7 versieringen, namelik, benevens dit voor 't omslag, éen voor 't Kyrie, éen voor 't Gloria, éen voor 't Credo, éen voor 't Sanctus, éen voor 't Benedictus en éen voor 't Agnus Dei. De zes laatste zijn niets meer dan kopstukken.
Zij zijn - van de eerste tot de laatste - het werk van een meester in 't vak, die, te huis als niet éen in de katolieke zinnebeeldenleer, met volkomen trefzekerheid telkens motieven weet te vinden, die zo innig mogelik bij de onderwerpen passen.
Zo bij 't Kyrie een kartoesje, de Heilige Drieëenheid verbeeldend, bij 't Benedictus het Christus-monogram, bij 't Agnus Dei een kelk in een nimbus van witte vlammen, uittongend op paarse grond.
De twee andere kopstukken, Credo en Sanctus, bevatten geen simboliek, alleen maar woordenteksten in stijlvolle letters, altijd in dezelfde tinten gedrukt.
Het omslag is heerlik! Onder de Latijnse titel, - zo als deze hier boven staat, - even boven de naam van de uitgevers-firma, drie bogen, en daarin, tussen twee wierookvaten met oprankende rookwolken, een harp onder het Christus-cijfer; dit alles in een drie vinger brede lijst van eenvoudig, mooigevonden ornament-loofwerk. Wat in de kopstukken dofpaars was, is hier
| |
| |
even bruingrijs. Het is een onberispelik stuk werk.
Om over de muziekale schepping van de heer D. te oordelen, verklaren wij ons onbevoegd... Voor zo veel wij een oordeel durven uitspreken, enkel dit: wij achten het een werk van een tot het einde toe volgehouden, innig godsdienstige inspierasie, mooier dan een van de ons bekende missen uit de laatste halve eeuw.
P.d.M..
| |
Woord en Beeld, juli, 1888.
Voor Zuid-Nederlanders is in deze aflevering vooral aantrekkelik de bijdrage, Brugge, van Mej. Caroline Beeloo, of beter - de daarbij horende, inderdaad zeer fraaie tekeningen van J.G. Veldheer. De tekst zelf is al te zeer een napraten van Rodenbach's Bruges la Morte, al te weinig een uitzeggen van zelf-opgedane indrukken in de heerlike oude stad. Daarenboven is het voor elk Nederlander, die zich... werkelik Nederlander voelt, bepaald ergerlik, Mej. B. stelselmatig alle namen van personen en plaatsen en gebouwen te horen aanhalen in het Frans. Wanneer zullen onze lieve Hollandse stamgenoten toch eindelik eens gaan begrijpen, dat de 2/3 van België's bevolking zo niet beschaafd Nederlands, dan toch een Nederlands dialekt spreken!! 't Is toch al te dwaas, in Nederlandse tijdschriften zo maar te gewagen van een Brugse Rue des Pierres, en een dito Porte d'Ostende en een Quai Vert, enz... Ja tot de oude Nederduitsche mededeelingen van van Vaernewyck toe worden ons in 't Frans opgedist..., met name, o goede Vlaamse lezer, omtrent Hans l'Allemand, de maker van de beroemde Châsse de Sainte Ursule in het Musée de l'hôpital...
Bij een belangwekkend, ofschoon bondig stukje van H.P. Berlage Nz. over De Nieuwe Beurs, door hem ontworpen, leverde de redakteur, Prof., C.L. Dake een mooi portret van de voortreffelike bouwmeester. De illustrasies van Josselin de Jong bij Dood en nieuw Leven van Eigenhuis zijn te weinig ... illustrasies.
| |
Dekorative Kunst, F. Bruckmann, Munchen, 8-9-11.
Voor al wie belang stelt in de hedendaagse beweging voor toegepaste kunst is hier stof in overloed! Wij vermelden onder het beste: Muthesius, over de ‘Guild and School of Handicraft’ te Londen, Esmaltatore, over het herleven van de kunst van metaalbewerking in Engeland, de redaksie over Franzörisches Mobiliar, en verder kleinere opstellen over Peter Behrens, over Belgische Schmucksachen, waaronder verscheidene van onze stadgenoot Georg Morren, over Hermann Obrist, als ontwerper van patronen voor borduurwerken, enz..
Elke aflevering bevat een menigte, met smaak gekozen en met zorg gedrukte platen.
| |
Hausschatz moderner Kunst, Gesellschaft für vervielfaltigende Kunst, Wien, VI-VII-VIII-IX-X.
De vijf nu vóor ons liggende afleveringen schijnen een kentering in het streven van de uitgevers aan te duiden. Met genoegen stellen wij vast, dat de keus van de etsen, in deze nummers voorhanden, merkelik beter is dan die van de eerste vijf. Zo ontvangen wij ditmaal De Opwekking van Jaïrah's Dochtertje naar Max, De Kust bij Dieppe naar Jettel, Vrouweportret naar Lenbach, Luitspeelster naar F.A. von Kaulbach, Hennipspinsters naar Liebermann, biezonder mooi, - 's Morgens naar F. von Uhde, een Donaugezicht, oorspronkelike ets van E. Fischer, Op Weg naar Emaüs naar Böcklin, Moedergeluk naar A. Feuerbach, Voll Dampf voran naar Bartels, zeer fraai, - Overstrooming naar Stäbli, Jagers-Vrijwilligers naar Haug, In de Duinen naar Liebermann, Flamingo-Jacht naar Hans Canon, enz..
Intussen zijn niet alle etsen van gelijke waarde.
Enkele zijn meer naauwgezette graveer- dan speels en luchtig gedane radeerwerken. Die van Unger, Hecht, Woerle, Krüger, Fischer, Krauskopf, Rohr, Meyer-Basel, zijn over 't algemeen de beste.
| |
| |
| |
Das Narrenschiff, Blätter für fröhliche Kunst. Wekeliks 1 nummer van 16 bl. a 20 pf. Berlin, Carl Predeek & Co.
Ook dit weekblad is, naast Jugend, Simplicissimus, enz., de kennismaking waard.
Ofschoon hoofdzakelik als Witz-blatt bedoeld, brengt het toch vrij wat, dat als ernstige kunst verdient genoten te worden. Zo troffen wij, in de eerste 23 nummers, reproduksies van tekeningen, steendrukplaten, enz., van Liebermann, Leistikow, Skarbina, Heilemann, Schnebel, Edel, Brandenburg, Julie Wolff-Thom, W. Jordan, Baluschek, Klimsch, van der Woude, Tippel, benevens tekst van Tovote, Grottewitz, Frans Held, Dehmel, Evers, Peschkau, Ernst, Jacobowski, Scherbart... Alle richtingen zijn gastvrij vertegenwoordigd. Realisties opgevatte werkelikheidsbeelden van Schnebel, Skarbina, Brandenburg, naast idealistiese sprookjesverbeeldingen van Jordan en dekoratief uitgevoerde koplijsten van v.d. Woude en brutale spotprenten van Feininger, - of - omgekeerd! Want geen van de medewerkers van het plastiek gedeelte schijnt zich aan een enkele manier of richting te houden, wat de Vlaamse School de allerleste zijn zal, hun kwalik te nemen. - De algemene geest is alles behalve ... reaksjonnèèr en meer dan éen van de platen is werkelik artistiek. Kortom: het verschijnen van het Narrenschiff is voor de Duitse humoristieke-pers een ware aanwinst.
| |
Deutsche Kunst und Dekoration. 1 tot 12, Darmstadt, Alex. Koch.
Reeds tweemaal, en wel op bl. 352 en 377 van onze vorige jaargang, gewaagde De Vlaamse School enigsins uitvoerig van dit tijdschrift. Nu, dat de eerste jaargang volledig en het aldus mogelik is, het streven van de redaksie met meer kennis van zaken te beoordelen, stellen wij met genoegen vast, dat de verwachtingen, welke o.a. onze medewerker Dr Graewel van deze uitgaaf koesterde, in geen enkel opzicht beschaamd, maar integendeel overtroffen werden.
Deze eerste jgg. van D.K. en D. is inderdaad noch min noch meer dan een nagenoeg volledig verslag over de kunstbeweging in de Germaanse landen van ons werelddeel van Oktober 1897 tot Augustus 1898 toe. In altijd belangwekkende, deels uitstekende opstellen wordt de lezer, om nu van de 2 eerste op bl. 352, 1897, reeds vermelde afleveringen maar niet weer te reppen, ingelicht omtrent Deutsche Plakkatkunst, door M. Schmid, over leven en streven van Fritz Erler te München door H.S. von Berlepsch, over Die Ausbildung zum Künstler door Schmid-Kunz, over Moderne Kunstverglasung und Glasmalerei door Faulwasser, over Möglichheit und Ziele einer neuen Architektur door Endell, over de Munchense meester Melchior Lechter door Georg Fuchs, over pottenbakkerswerk van Schmuz-Baudiss door H.W. Singer, over nieuw Meissener porselein door Meissner, over de Noorse Tentoonstelling te Stockolm door C. Mühlke, over een nieuwerwets magazijn te Berlijn, namelik het door Alfred Wessel voor de firma Wertheim in de Leipzigerstrasse gebouwde Warenhaus, door Fritz Sahl, over Hans Christiansen's plakkaten en boekversieringen door Schliepmann, over Modernen Stil door von Poellnitz, over de Secession te Munchen door Fuchs, over de Frankforter meester Hans Thoma en zijn veelomvattend opus door Fries, over Hermann Hahn, de Münchense beeldhouwer, door Habich, enz..
Elk van deze hoofdartikelen is verrijkt met een - zo men ze naast elkaar moest leggen - werkelik onafzienbare reeks reproduksies. Bij dat over Thoma krijgt men er een dertigtal, bij dat over Christiansen niet min dan zestig, bij dat over Lechter nagenoeg veertig, bij dat over Erler evenveel, bij dat over Duitse plakkaten meer dan twintig, enz.. Enkele van deze platen zijn uitgevoerd in kleurendruk, o.a. éen naar Otto Fischer's plakkaat voor de tentoonstelling Alt-Dresden, éen naar vazen van Erler, éen naar een tegelschilderij van Christiansen. En zonder aarzelen durven wij zeggen, dat deze kleurplaten, uitgevoerd volgens de beste prosedees, die van de mooiste Engelse uitgaven als Studio overtreffen. Die naar Fischer's Alt Dresden o.a. is een ware lust voor de ogen.
| |
| |
De talrijkheid van de platen laat tevens toe, ons de bestudeerde artiesten in elk en noch eens elk onderdeel van hun streven te doen waarderen. Zo bracht ons nr 4 portretten, sprookjes, studies naar het naakt, fantazieën, plakkaten, boekversieringen, potten en vazen, ex libris-prenten, boekbanden - alles naar Erler.
De uitgaaf van D. K en D. was een groot en welgerechtvaardigd sukses, waarmee ook wij de veelaandurvende stichter-bestuurder, Max Koch, gaarne feliesieteren.
Dat, van nu af, de Nederlandse kunst, die van het Zuiden zowel als die van het Noorden, in zijn belangwekkende uitgaaf een ruimer plaats mag bekleden, met deze wens besluiten wij gaarne deze korte aanbeveiing.
| |
The Dome, a quarterly, containing examples of all the arts, Nr 4 & 5, London, Unicorn-Press, Paternoster Square.
De Vlaamse School was ‘bon prophête’, toen zij, nr 1 van The Dome besprekend, er bij voegde: ‘Dit tijdschrift belooft een van de mooiste Engelse uitgaven te worden’. Sedert wij voor het allerlaatst er van gewaagden, zagen twee nieuwe deeltjes het licht, en zeker overdrijven wij niet, als wij zeggen, dat zij de 3 eerste boekjes in ieder opzicht overtreffen.
Als tekst bevielen ons wel het meest, in nr 4 Little Saint Michael bij Lourence Housman, The Lady Amaranth van J.E. Woodmeald en vooral een keurig stukje over Hokusai van C.J. Holmes; dan in 5: Before the Theatre, een toneelproloog van Arthur Symons, Aodh to Dectora, drie gedichten van W.B. Yeats, en vooral Children of the Dark Star, verteld door Fiona Macleod en een uitstekende nota over The White King en Keizer Maximiliaan van Oostenrijk, van Campbell Dodgson.
Het illustratief gedeelte is een ware versnapering voor alle fijnproevers. In nr 4: reproduksies van vier zeldzame oude prenten van G.B. Piranesi, een karakteristieke tekening, Wotan's Abschied, door Alan Wright, drie fac-simile's naar Hokusai en Hiroshige, en The Menuet van Malcolm Putterson; in nr 5: vier platen uit de hooginteressante verzameling van Charles Méryon, wedergaven van drie houtsneden van Hans Burgkmaier en éen van Leonhard Beck, een aardige kleurendruk, The enchanted Sea, van H.A. Payne, een tekening, Beauty and the Best van Byam Shaw, en een landschap van Rosa Bonheur.
Drie muziekale bijlagen, met daarbij horende aantekenigen, besluiten elk deel.
| |
The Artist, 2, Whitehall Gardens, London, mei, junie, julie, augustus 1898.
Het Mei-nr is voor het grootste deel gewijd aan de bespreking van de jaarlikse kunsttentoonstelling in de Royal Academy en bevat o.a. reproduksies naar Alma Tadema, Burne Jones, Poynter, Byam Shaw, enz.. Verder bevat het een stukje over Ethel Wright, een over Madox Brown en zijn designs for fourniture en verder de gewone aktualieteiten uit Parijs, Wenen, enz..
Het nr van Junie bestudeert Randolph Caldecott, en vooral Max Klinger, namelik, zo als de tietel het aanduidt, als visionary, painter and sculptor. Zeven fraaie illustrasies verklaren dit laatste stuk. Ook miss Dibbid Davison, Horace Vernet en verscheiden tentoonstellingen worden behandeld. Niet het minst belangrijk is, onder deze laatste opstellen, een korte nota over Australiese kunstenaars als Ford Paterson, Streeton. Lister-Lister, Roberts, Piquenit. enz.
De Juli-aflevering bevat een lezenswaarde waardering van de onlangs overleden Edward Burne-Jones, de schilder van de sagen van Artur en z'n hof, een wandeling door de laatste tentoonstellingen te Parijs, een bijdrage over zilversmederij, iets over een ekspoziesie van beeldhouwwerk in Burlington House te Londen, een karakteristiek van de Engelse beeldhouwer Furse, en voorts de gewone rubrieken.
In het Augustus-nr verschenen artiekels over de Duitse landschapschilder Karl Heffner met 6 platen en een portret, over Charles Cottet, met 4 platen, over The Temenos van Claudius Harper, met 3 platen, over The rood Screen and Lectern of Ranworth Church,
| |
| |
ook met platen, en - last not least - een vertaling uit het Frans van de la Sizeranne, Germs of English Art in 1841, een inleiding tot de waardering van de prerafaëlieten, met een viertal platen, en een stukje over James J. Guthrie, met 8 platen, waaronder een, de kleurendruk The Wood-elf, mooi als een brok uit Shakespeare's Zomernachtsdroom. Opmerking verdient het, dat het in ieder opzicht aantrekkelike tijdschrift in tegenstelling tot Studio geen berichtgever bezit voor de beide Nederlanden. Een leemte, dunkt ons, waarin wel mocht voorzien worden.
| |
The Print Gallery. Reproductions of engravings from the end of the XVth to the beginning of the XIXth century vol. I. Containing 96 plates with reproductions of 105 woodcuts, engravings on copper and etchings. London, H. Grevel & Co, 33 Kingstreet, Covent Garden W.C., 1897.
Een zonderling en haast niet te geloven feit in de kunstgeschiedenis is het verdwijnen, het langzaam uitsterven van een of andere kunsttak. En nochtans is dit feit even onloochenbaar als bedroevend, en we hoeven niet zo heel ver te zoeken, om er al dadelik een voorbeeld van te vinden.
Waar blijft, asjeblieft, onze oude, echt-Germaanse prentkunst uit de XVIe en XVIIe eeuw? Wie beoefent haar noch op onze dagen, ja, wie stelt er noch enigsins belang in buiten enkele kunstkenners.... van beroep? Waar blijven de volgelingen van Holbein, van Burgkmair, van Cranach, van Altdorfer, van de Beham's, van Lukas, van Mantegna, van Bellini en van de allergrootste der groten, van Dürer.... Waar zijn de kunstenaars die hun dromen met taai geduld in hout of koper sneden, en onder 't stille werk steeds verder droomden en nieuwe plannen opvatten...? Ik zoek ze te vergeefs onder de artiesten die enkel met verf kladderen en de lijn-kunst ver beneden zich achten; ik zoek ze te vergeefs onder de zogenaamde illustrators, die hun tekeningen op 't papier smijten zonder er zich verder mêe te bemoeien hoe ze weergegeven en afgedrukt worden; ik zoek ze te vergeefs onder de afgerichte moderne graveer-werklieden die met habiele tintjes en halve tintjes schildering of fotografie weergeven op hout à la Baude en à la Richard Bong!
Neen, ze bestaan niet meer, hun ras is uitgestorven, en behalve bij enkele maar o zo weinige heel modernen, die men gemakkelik op de vingers van éen hand tellen kan - blijft er niets, niets over van dit grote geslacht van kunstenaars met hun grote edele kunst.
En daarom doet het goed aan 't hart te zien, dat een uitgever het aandurft een tijdschrift op te richten uitsluitend aan deze kunst gewijd, dat geen vrees-voor-te-weinig-belangstelling hem weerhoudt deze assepoester van onze kunstwereld de hulde te brengen die ze zózeer verdient. En daarom ook heeft deze uitgave al dadelik onze volle simpathie verworven.
Ook het innerlike stelt onze verwachtingen niet te-leur. Op groot folio-formaat (40×30 cm.) gedrukt zijn de platen meestal op ware grootte en met veel nauwgezetheid weergegeven. We willen echter niet beweren dat ze alle even volmaakt zouden zijn. Doch de uitgave is niet duur en daarom mag ook niet al te veel geëist worden. Juist door haar gematigde prijs is ze geroepen om uitstekende diensten te bewijzen aan de liefhebbers zowel als aan de jonge artiesten, die veelal niet bemiddeld zijn om zich de zeer dure werken te verschaffen.
| |
L'Ermitage 9e année, 6 en 7, Parijs, 16, Rue du Sommerard.
Het beste in deze beide afleveringen is: als tekst, Calypso, treurspel van E. Ducoté, de twee eerste bedrijven, Cravetheen, le Joueur de Harpe, Keltiese sage, verteld door Fiona Macleod en vertaald door H.D. Davray, Les Enfants dn Zodiaque, van Rudyard Kipling, vertaald door G. Khnopff, een Commentaire van Jean Dolent bij het boek, Pélerinages vers l'Automne, van Degron, waarvan verder een brok in de aflev. voorkomt, en Entretien sous les quinconces, van Charles Guérin; - als illustrasies, de portretten van Ch. Guérin en Henry Ghéon, door Jean Veber,
| |
| |
beide zeer interessante krabbels, en een Croquis pour ‘Clémence Isaure’ door Henry Martin,
|
|