De Vlaamse School. Nieuwe reeks. Jaargang 11
(1898)– [tijdschrift] Vlaamsche School, De–
[pagina 264]
| |
![]() | |
Over Nederlandse gotieken in het buitenlandBehalve de Italiaanse, is er wel geen enkele schilderschool, waarvan de werken de wereld door zozeer verspreid zijn als de Nederlandse: - d.w.z. de Vlaamse en de Hollandse. - Geen muzeum, geen verzameling van enig belang, of de Nederlanders nemen er een eervolle, vaak een overwegende plaats in. We noemen dit onze eer en onze glorie, alhoewel 't eigenlik onze schâ en onze schand is, vermits er uit blijkt, hoezeer we, in de loop van de tijden geplunderd werden. Het beste, het hoogste dat we het onze kunnen noemen, onze kunst, vinden we voor een groot deel niet op eigen bodem, maar wel te Parijs, te Londen, te Berlijn, te Kassel, te München, te Wenen, te Madrid, te St Petersburg, te New-York of te Chicago. Maar naast een ware overvloed van werken uit het wedergeboorte- en verval-tijdperk van onze Nederlandse school, vinden we maar een betrekkelik gering aantal kunstwerken van onze nooit-volprezen Vlaamse gotieken. Ze zijn links en rechts verspreid, hangen soms verloren op de derde rang in 'n muzeum of in een ziltige hoek van 'n kerk, en zelfs de meesterwerken, die in volle glorie prijken in de druk bezochte openbare verzamelingen werden zelden ernstig bestudeerd en noch veel min gezamenlik beoordeeld en beschreven. Dit nu heeft de Vlaamse School zich voorgenomen te doen. Ze heeft een soort van onderzoek ingesteld, dat haar moet in staat stellen berichten in te winnen over onze gotieken uit alle landen van de wereld. Deze berichten, elk op zichzelf volledig, elk een afgesloten grooter of kleiner geheel uitmakend, zullen gezamenlik iets als een beknopt algemeen overzicht vormen van de Nederlands-gotieke kunst in de vreemde, een overzicht dat alles zal samenvatten wat in 't buitenland belangwekkend op dat gebied bestaat, en dat door velen, kunstenaars en liefhebbers, met vrucht zal kunnen geraadpleegd worden. Ieder artiekel zal geïllustreerd worden met vertrouwbare weergevingen van de voornaamste stukken, die er in besproken worden, zodat daardoor alleen reeds dit enkwest geroepen is, de kunstkenners nuttig en de liefhebbers aangenaam te zijn. Van heden af bezitten we de medewerking van een aantal buitenlandse critici, waarvan de bijdragen, voor zover in vreemde taal geschreven, door de redaksie zelve zullen vertaald worden. Het eerste opstel, dat we hierachter laten volgen, handelt over het Mauritshuis te 's Gravenhage. Voor latere afleveringen liggen reeds bijdragen gereed over Amsterdam, Parijs, Londen, Wenen enz. | |
[pagina 265]
| |
I
| |
[pagina 266]
| |
rogier van der weyden
GRAFLEGGING derde gordel. Zie de uitvoerige behandeling van dat zachte bont: men ziet de fijne verdeling van ieder vlokje en het onderkleed van met goud doorstikt purperbrokaat, waartegen het geheel andere, heldere scharlakenrood van de Hosen volstrekt niet schril of onaangenaam afsteekt. De ene dode arm wordt vastgehouden door een Maria-Magdalena in héel teer, duifkleurig grijs, met een onderkleed van gloeiend purper, terwijl noch twee andere vrouwen onmiddellik achter Jezus, de ene in zwart fluweel met een rode mantel, de andere in een bruin gewaad met mollig petit-gris, door een heel eenvoudige, waardige beweging, uitdrukking geven aan haar diepe smart. Nikodemus, in het purperbruin met vergulde randen, houdt heel even een slip van het lijkkleed in de linker en brengt de rechter met een beweging van vertwijfeling aan zijn hoofd. Achter hém Petrus, in het donkergroen met de grote sleutels, en Paulus, lichtrood en lichtgroen met een geweldig zwaard. De allermooiste van al de fieguren, en die ook duidelik naar een tijdgenoot van Rogier is genomen, is een bisschop met een glinsterende alba van fijn, wit linnen een prachtige stola in purper en goud. Zie toch eens naar de verrukkelike behandeling van de fieguurtjes op de stola, men kan zelfs in deze kleine afmetingen héel duidelik zien, dat ze zijn geborduurd. Inderdaad, het valt mij uiterst moeilik om te geloven, dat dit mooie schilderij niet méer zou zijn dan een kopie. | |
[pagina 267]
| |
![]()
memling - MANSPORTRET
Daarnaast hangt (gelukkig) een echte Memlinc onder de eenvoudige tietel van Mansportret.Ga naar voetnoot(1) Een héel opvallend karakteristieke kop met sterkgekrulde, korte, kastanjebruine haren, heel vreemde lichte hazelnootogen en een zonderlinge veeg midden over de neus, alsof die eens gebroken was geweest. Het schijnt een geestelike te zijn in huisgewaad; hij draagt ten minste de purperen halve ringkraag met een koordje bevestigd en de met bont gevoerde ‘hood’ of ‘kap’, zoals de Oxford dons ze nu noch dragen. Op de achtergrond een lief landschapje met een riviertje, van het echte, lichte, gotieke blauw. Aan de tegenzij een wapen: drie balken, een rode, een witte en een zwarte, wapenversieringen in donkergroen en rood, en als helmteken een zeer schoon geschilderde valk met klappende wieken. Van Jacobus Cornelis van Oostzanen, twee schilderijen, waarvan vooral No I, een Herodias met het hoofd van Johannes de Doper, heel mooi en aantrekkelik voor mij was, vooral om het vreemde, noch bijna levende licht in de slechts half gestorven ogen en het verrukkelike rivierlandschapje op de achtergrond. Ook het een beetje scheve gezichtje van het danseresje is zeer schoon, met een echt perverse uitdrukking in de kleine, groene oogjes en de fijne rimpeltjes van de hals.Ga naar voetnoot(2) No 433. Het triptiek Uit het Leven van Koning Sjelomo, legaat van Jhr. Mr J. de Witte van Citters, is veel minder dan het vorige aantrekkelik in mijn ogen. Op het middenblad Sjelomo, die de valse goden aanbidt, op het linkerblad het bezoek aan Sjelomo van de koningin van Sjeba, rechts een verschijning van God aan Israëls koning. Opmerkelik is het, dat God hier de gewone, geijkte trekken van Jezus draagt. | |
[pagina 268]
| |
Het schilderij heeft zeker heel veel moois, maar toch het steekt zo ongunstig af tegen de Vlaamse Gotieken.Ga naar voetnoot(1) Van Jan Gossaert van Mabuse (1470-1541) een paar allerliefste, kleine, blondharige engelen, die elkaar schelmachtig kussen, vlak op de mond. Het gehele schilderijtje is zó allerliefst, met het mooie sprookjeslandschap op de achtergrond en de aardige armluchter-ornamenten met de kleine, vergulde engelen boven licht groene medaljons, dat ik van deze vriend van Lukas van Leyden noch maar zelden zulk een aantrekkelik schilderijtje heb gezien. Van Holbein de Jongere een prachtig stuk, ‘Portret van Robert Cheseham’ met de valk op de handen, herkomstig uit de kolleksie van Prins Johan, Willem Friso, later op het Loo en in het Kabienet van Willem V. Zie de heerlike plooien van die matte, zwarte stof, wel de moeilikste soort van stof om na te schilderen, de warme tonen van het zachte bont en het rode satijn van de ondermouwen. De valk op zijn linkerhand is eenvoudig volmaakt, evenals het prachtig blauw van de achtergrond en het loodgrijs van de lichtgekrulde haren. Het volgende, 277, heeft eveneens een valkenier tot onderwerp; de twee anderen, 275, portret van een jonge vrouw volgens de katalogus in de manier van Holbein, en 278, portret van Johanna Seymour, zijn niet al te wel geslaagde kopieën. In het kleine zaaltje, achter het ‘Schot’, een zogenoemd ‘Kapitaal stuk van Maarten van Heemskerck.’ Laat mij, eer ik het stuk ga beschrijven, er vooral nadruk op leggen dat Heemskerk een Hollander was en dat in mijn ogen de Noordnederlandse Gotieken, wij hebben er zo weinig! nu eenmaal niet in éen adem met de Vlaamse kunnen worden genoemd. Ze missen meest altijd, het dromerige, het sprookjes-fijne, dat bij onze zuidelike broeders nooit ontbreekt. Ze missen bovendien het eenvoudig naïeve kindergeloof, dat van gotieke schilders dichters maakte. Ons volk daarentegen is altijd materialist geweest in zijn hart. Toch is er zeer veel moois in deze schilderij, die reeds een weinig uit de Gotieken treedt, vooral in het heel gedistingeerde landschap, dat op de uitslaande bladen van het drieluik met de boodschappende Engel begint en wordt voortgezet op dat met de luisterende Maria. Op het laatste is vooral de fladderende duif zeer schoon. Maar de hoofdvoorstelling op het Middenblad, De Geboorte en de Aanbidding van de Koningen wil mij toch maar weinig bevallen, hoewel het hier en daar zeer schoon is van kleur. Het is alles te vol, te bont en te druk, een | |
[pagina 269]
| |
knap schilderij, maar volstrekt geen gedicht, en sommige van de tiepen, die als model hebben gezeten, zijn zo hopeloos vulgeer! Van fluwelen Breughel zijn er een paar aardige schilderijtjes, waarvan Jan Breughel het landschap en Hans Rottenhammer de fieguurtjes heeft geschilderd: 283, Rust op de Vlucht naar Egypte en 285, Christus, die de zielen in het Vagevuur vertroost, met twee andere van Jan Breughel en Rubens, 253, Het Paradijs, landschap van Breughel en fieguren van Rubens, en 234, Zonder Ceres en Bacchus verkleumt Venus van koude, waarvan vooral het eerste, het Paradijs, heel leuk is, heel sprookjesachtig naief. (Wordt voortgezet). A.W. Sanders van Loo, Amsterdam. Maarten, Jacobus van Heemskerck, historie- en portretschilder, glasschrijver en teekenaar, geb. te Heemskerck 1498, overl. te Haarlem 1 Oct. 1574. Leerling van Cornelis Willemz, Jan Lucasz en voornamelijk van Jan Scorel, later in een manierist van de ergste soort ontaard, hoewel zijn werk bij zijn leven zeer werd bewonderd ![]() |
|