Maar zuster Gertrude, ondervindingrijk, schudt het hoofd.
‘Voor minder loon ook wel,’ bekent angstvallig de reeds door intuïtie ongeruste.
‘Hoe oud?’ vraagt eindelijk zuster Gertrude, haar scherp, grauw oog onbarmhartig uitvorschend op de vrouw richtend, die haar aangezicht in 't duister houdt, opdat de onbescheiden rimpeltjes en 't grijzend haar niet al te veel verklikken zouden.
‘Vooraan in de veertig,’ zegt ze moedig.
‘Gij spreekt de waarheid niet,’ antwoordt Gertrude, kalm doch vast, vol zekerheid.
‘Stel vijftig,’ stamelt nu de aanzoekster, heel beschaamd het hoofd buigend.
En de bestuurster dringt niet verder aan, doch schrijft: ‘Ongeveer acht en vijftig jaren oud,’ op haar kladboekje.
Eilaas! De vele menschenkennis heeft haar brein wel verlicht doch tevens ook haar hart verteederd, en door de leugen ziet zij heen, diep - diep in 't akelig drama van den strijd om 't leven en het voortbestaan. Geen quaestie van koketterie of eigendunk. Maar bange vrees voor afgewezen worden, overal, op grond van ouderdom....
‘'k Zal voor u zorgen,’ spreekt de zuster medelijdend - mild.
Van uit het hart van Duitschland komt die vrouw, om hier te zoeken wat ze ginds niet vond: op haren leeftijd nog de dienstbaarheid, om te veroveren 't karig daaglijks brood....
Twee tegelijk, twee pas ontloken roosjes uit de Pfalz, zeer jonge meisjes saam op zoek, te zaam op reis, elkander houdend bij de hand in wederzijdschen drang om steun, om hulp en troost.
En al de vragen worden weer vernieuwd, beantwoord zonder schroom, vrijmoedig hoopvol, met oprechtheid in het klaar vertrouwvol oog. ‘Liefst samen in éen huis, waar meer bedienden zijn.’
Doch zuster Gertrude trekt de wimpers - ongeloovig in den uitslag - op. En de handen der bedreigden strengelen vaster saam en dichter naderen de schouders tot malkaar als tot bescherming voor gevaren, in 't verschiet gezien.
O oude en jonge levenswrakken, die hier aanspoelt in de zee der vreemde stad, niet wetend wat de klip zal zijn, waarop gij landt, noch wat de gunst van 't toeval u ter redding aan zal biên, noch waar het noodlot u onverbiddelijk zal doen ten gronde gaan!...
* * *
De zon heeft haren loop vervolgd en gansch in schaduwduister ligt de spreekplaats thans. Een dame wacht er zittend aan den ingang op een stoel. De stilte is groot. 't Rumoer der wakkere stad dringt niet tot hier. Men zou het nooit vermoeden, dat op eenige honderd meters verder zooveel wandelvoeten gaan, dat zweepen kletsen, koetsen rollen, tramwagens kruisen, fluiten; dat de aan de standplaats wachtenden elkaar verdringen, vechten of ten minste hand- en elboogworstelen voor een plekje op de bank, in haast terug van de wereldtentoonstelling of willend er naartoe.
't Is hier zoo stil, men houdt den adem in, de kuch, hoe ook gedempt, zou nog te hoorbaar wezen. Verschuiven mag de stoel niet op 't linoleum.
De dame wacht, geduldig, op haar beurt. Wat galmt daar luid, ineens, op machtigen toon de groote stilte brekend?
Gezang van vele stemmen, kerkgezang, vuurwerk van vroomheid mild ten hemel opgeschoten:
Komt, Schepper, komt, o heilge Geest,
Bezoek onz' harten al om 't meest....
Hoog gaan de tonen op in hartstochtelijk vertrouwen en dalen zacht in overgang van nederrollende parelen laag, deemoedig, onderworpen laag..., en klimmen weer en blijven zacht berustend kalm op den verlengden eindklank staan...