Zijn IV., VII. en XXII. tale bewijzen dit ten volle. Alleen in Kaulbach's onovertroffen Reineke-illustrasies drukken de helden van het dierenepos wellicht noch welsprekender, treffender de ondeugden of gebreken uit van de mensen, die zij voorstellen.
Wat nu, benevens al het reeds genoemde, Pyle's werk in mijn oog noch meer waarde verleent, dat is het door en door Duitse karakter van zijn tekentrant evengoed als van zijn opvattingen. Zijn kunst is verwant met die van Richter, Kaulbach, Vogeler onder de modernen, met die van Dürer onder de ouden. Met de eenvoud van eerstgenoemde, de spirit, het zinrijke van de twede, het gevoel en de diepe poëzie van de derde, verenigt hij iets, zelfs veel, van de grote uitdrukkingskracht van de onovertroffen schepper van Ridder, Dood en Duivel.
Vooral van Vogeler heeft hij veel. Ik weet in zijn Wonder Clock meer dan éen prent, die Vogeler net zó zou denken, - ik zeg niet, tot in de minste biezonderheid zó zou uitvoeren, dáarvoor zijn beiden immers te personeel.
De platen op bl. 9, 53, 68, meer noch die op bl. 153, 155, 159, zijn Vogeler's Sagen- en Märchen- illustrasies waard.
Zelfs die lichte, onschuldige zweem van ieronie, dat greintje skeptiesisme, dat bij de jonge Worpsweder-meester steeds zo leuk om het hoekje komt gluren als wilde het zeggen: ‘Nou, dat het evenmin gekraakt is als gescheurd, evenweinig waar is als gebeurd, zie-je, daar weten wij, lezer en tekenaar, nu toch immers alles van, he?’ zelfs dát ontbreekt hier niet. In dit opzicht zijn Master Jacob en de koning uit XXI werkelik maszgebend. Al Pyle's koningen, overigens, drukken het zo allerplezierigst uit, qu'ils ne se gobent pas. En daartoe hoeven zij noch niet éens, als die uit laatstbedoeld stuk, de kroon op het hoofd, een regenscherm onder de arm, de Duitse pijp in de hand en de chamberloe om het lijf te hebben.
Van Dürer leerde Pyle veel. Zijn gehele tekniek is Düreriaans noch min noch meer. Hij houdt van straffe, kordate omtrekken, ziet over alle nutteloze bijzaakjes heen, tekent zijn fieguren uit de hele, en geeft hun, zonder eigenlike schaduwing, een verbazend reljef.
Walter Crane had gelijk, toen hij, een van zijn platen uit Otto of the silver Hand kenschetsend, zeide: ‘Which suggest somewhat the effect of the famous copperplate of Erasmus.’
The Wonder Clock is ook een model van boekdrukkunst en boekbindingskunst.
De lopende tekst, zeer kompakt, is meesterlik gezet, d.w.z., weinig ontsierd door wat men zo noemt ‘straten’ of witte leemte-lijnen door de bladzijden heen.
Vóor elk sprookje komt een tietelbladzij, namelik een kopstuk met verzen, die een opperbest geslaagd geheel uitmaken.
De grote platen, - ik bedoel die, welke een gehele bladzij beslaan,