De Vlaamse School. Nieuwe reeks. Jaargang 11
(1898)– [tijdschrift] Vlaamsche School, De–
[pagina 227]
| |
![]() | |
Edmond van Hove![]() DE invloed van het midden kan niet als een axioma betoogd worden; dat hij echter feitelijk bestaat blijft onbetwistbaar, als men gadeslaat, hoe hij zich veelvuldig en luidsprekend in zijne uitwerkselen doet gelden: de zoon kiest de loopbaan zijns vaders; de knaap uit de garnizoensstad, op klinkklank verzot, wil soldaat worden, terwijl zijn makker van de kust bepaald van schepen en verre reizen droomt; het jonggehuwd vrouwtje bereddert haar huishoudentje, zooals ze 't jaren lang door moeder heeft zien doen; de landman gaat op in den buiten, in vruchten en vee, waarvoor een stedeling onverschillig blijft; fijnschilders borstelen hoekjes en kantjes, waarmeê ze vertrouwd zijn, en beeldhouwers boetseeren de luidjes, die langs hen voorbijloopen; wie zijn geboortegrond verlaat en rondom zich een ander dialect dan 't zijne hoort, blijft niettemin aan zijne oortaal getrouw, welke hem onbewust van de lippen rolt, hóe wanklinkend ook in dat nieuwe midden. Heet dat nu instinct, of natuurlijke aanleg, of kracht der gewoonte, of een tweede natuur, om het even! het etiket geeft slechts een naam aan de waar, doch komt voor niets in hare zelfstandigheid of hoedanigheid tusschen. Wat in dat alles onloochenbaar blijft is de invloed der omgeving, de langzame en gestadige inwerking van het midden waarin men leeft, waarmede men zich allengs vereenzelvigt en samengroeit, en waardoor de mensch welhaast gelijkt op eene plant, welke nergens elders dan in den oorgrond, onder een zelfden breedtegraad en gelijke luchtgesteldheid, gedijen wil. Zie Brugge: hier leven de menschjes dag aan dag, jaar in jaar uit, bijna in denzelfden gemoedstoestand: hun doen en laten staat volkomen op het diapazon der omgeving en 't is een hééle gebeurtenis, een ommekeer in 't bizonder evenals in 't openbaar leven, wanneer een feit of wat ook die kalme zielsrust eventjes rimpelen - late varen storen - komt. De middeleeuwsche godsdienstzin spreekt er nog uit | |
[pagina 228]
| |
oude tempels en zwarte torens en spreidt over de lijdzame stad een waas van vrome ingetogenheid; de geest van 't verleden waart er nog rond in de eenzame straatjes, langs de stille ‘reien’, voorbij verweerde brugjes. Verwondert het u dan, indien dat alles op het licht ontvankelijk gemoed der Brugsche kunstenaars een indruk prent, dien zij gansch natuurlijk - alhoewel bij enkelen misschien onbewust - ondergaan; maar die hunne werken tot iets bizonders, bepaald ‘Brugsch’ stempelt? Over dit midden zweeft immers de onverwelkbare roem der gothieken, als de van Eyck's en de Memlincs; hier bloeide trouwens de oudste onzer nationale schilderscholen, de ‘Brugsche school’, aan wier hemel glanssterren als Peter Cristus, Jan en Pieter Pourbus, Jan Mostaert, Geeraart David, Jan Prevost, Lancelot Blondeel, Antoon en Pieter Claeissins, Jan Maes, Jaak van Oost en anderen geschitterd hebben! Zoo wordt het ons duidelijk, waarom kunstenaars van elders als de Vriendt, Horenbant, Bekaert, Wytsman, Hannotiau en anderen herwaarts komen, om ter plaats zelve ingeving te zoeken, wanneer ze iets scheppen willen dat met ons midden harmoniëert, 't zij ze slaafs onze schilderachtige binnenkanalen, mooie trapgeveltjes of prachtige torens konterfeiten, 't zij ze het mysticism van Brugge belichamen in teekeningen en doeken, zooals die puikkunstenaar van een Hannotiau het opvat en vertolkt. In dát midden nu werd geboren, leeft en werkt Edmond van Hove. Ge kent hem toch? Hij is onze Vlaamsche Menzel: klein van gestalte, maar groot van talent, voorwaar! Blond van haar en baard, dien hij à la duc d'Albe draagt en wier oorspronkelijke kleur, bij den eersten oogopslag, de zilverdraden niet bespeuren laat, welke men anders bij een man, die de vijftig nadert, gansch natuurlijk vindt; dikke wenkbrauwen boven de uiterst beweeglijke schitterende oogen; een gelaat vol uitdrukking; een artistenkop! Zedig, te zedig zelfs. Noch schoon-, noch veelprater; hierin, evenals op wijsgeerig gebied, een volgeling van den Zwijger. Eenvoudig in zijnen handel en wandel, alhoewel een man van echten fijnen smaak; kunstenaar door aanleg en door studie; iemand die zijns eigen weegs gaat en van wien men zeggen kan: c'est quelqu'un! Het moet den jongen van Hove reeds vroeg in 't bloed gestoken hebben dat hij zou... schilderen, want hij was achtereenvolgens bij drie of vier... sieraadschilders in de leer; doch dáár waren hem de kwasten te grof en te zwaar, en zijn kunstsmaak hunkerde naar fijner werk. Zoo kwam hij, als leerling, op de stedelijke Academie terecht, waar hij schetsen en studiën naar 't levend model leerde maken. Gelukkig dat van Hove streng voor zich zelven was en zich niet liet bedotten door het loftuiten van hooggekraagde filisters, die in hun alwijsheid doceerden, dat hij talent te over had. | |
[pagina 229]
| |
![]() DE MOEDER-MAAGD
Oorspronkelike tekening van Edmond van Hove | |
[pagina 231]
| |
![]()
portret van mevrouw edmond van hove
Hij geloofde 't niet en trok naar Parijs. ‘Toen ik dáár kwam,’ zegt hij zelf, ‘en wat ik schilderen kon vergeleek met hetgeen de leerlingen van de hoogere klassen der kunstschool aldaar vermochten, dan stond ik in beraad, of ik op de ingeslagen baan ging blijven, dan wel schoenmaker worden’. Er was niemand minder dan Cabanel noodig, om onzen Vlaming van een dwaalspoor af te houden. Wijlen de groote Fransche Meester was een uiterst meêgaand man als leeraar: nooit drong hij zijne zienswijze aan zijne discipels op; hij liet hen ‘wroeten’ zooals het ging en kon. Hoogstens een raad, - nimmer een bevel; en als hij over den schouder des leerlings kwam heengluren, om te zien hoe het werk van stapel liep, was gemeenlijk heel zijn beoordeeling in eenige woorden vervat: ‘C'est bien, mon garçon. Continuez comme ça et vous parviendrez. Tous les chemins conduisent à Rome’. En juist daardoor heeft Cabanel leerlingen gehad als Bastien-Lepage, Chartran, Besnard, Carrière, Veber, Dantan en van Hove, die de wijdst uiteenloopende richtingen gevolgd hebben en niets of weinig van 's Meesters trant hebben medegedragen. Zonderlinger nog: 't was de Meester zelf, die, op 't laatst zijner kunstloopbaan, zijne leerlingen navolgde en hunnen invloed onderging! | |
[pagina 232]
| |
* * * In Parijs offerde van Hove aan den god van den dag en maakte er dingetjes, welke hij nu niet meer zou willen onderteekenen, maar die nochtans vlot van de hand geraakten en den schilder het dagelijksch brood verschaften; doch niet zoo haast was hij in Brugge terug - dit gebeurde omstreeks 1878 - of alles, wat hij zich slechts als een vizioen, in het hedendaagsch Babylon, had mogen herinneren, doemde weer in werkelijkheid op, schooner en dichterlijker nog dan vroeger, met eene aantrekkingskracht, die den jeugdigen kunstenaar in haren maalstroom meêtilde en waartegen hij ook niet beproefde te worstelen. Zijn weg was gevonden: doorvlamd van bewondering voor de gothieken en voor zijne geboortestad, zou hij schilderen zooals Memlinc en van Eyck het deden, en Brugge's schilderachtige hoekjes in de landschapjes op den achtergrond zijner doeken overbrengen. 't Was de groote Londensche kunstperiodiek, The Artist, die van Hove ‘een modern Memlinc’ heette. Den grooten Vijftiendeeuwer niet te na gesproken, is de vergelijking op meer dan éen punt verre van ongepast: zelfde strengheid in de keus van het onderwerp, met angstige uitsluiting van het grove en alledaagsche, - bij Memlinc bijna uitsluitend godsdienstig, bij van Hove meer bepaald filosofisch; zelfde eerbied voor den vorm en de natuur; zelfde nauwgezetheid in 't weergeven van de minste bijzonderheden; zelfde geduld in 't voltooien der koppen en handen, waarvan men bij beiden, door middel van 't vergrootglas, de haartjes en rimpeltjes tellen kan. Doch van Hove is minder stroef dan de gothieken; hun werkwijze mag hij wel afgekeken hebben en op andere onderwerpen toegepast, maar hierbij heeft hij zijn voordeel gedaan met al de gegevens welke de moderne wetenschap, wijsbegeerte en kunst hem aanbieden. Bezie al zijn Madonna's, - een onderwerp, waarin hij uitmunt en dat hij overigens met voorliefde behandelt. Het onderwerp werd duizendmaal in streng klassieken godsdienstigen zin aangevat. Evenmin als Fritz von Uhde, wanneer deze de tooneelen uit het Nieuwe Testament modernizeert, houdt van Hove van vieux jeu. Hij verjongt met reden het aandoenlijk tafereel dier immer jonge en dichterlijke moederliefde: zijn moedermaagd is niet goddelijk schoon, maar eene vrouw zooals men er dagelijks ziet; - alleen haar sluier herinnert aan de oude werken. Zijn kind is niet het magere, onbeholpen, stijve wezentje der gothieken, maar een echte Divino Bambino, zooals de engeltjes en amorkens van Rubens en van Dyck, mollig en malsch, waarin men bijten zou. Hij vertoont ze noch in een nederig stalleken, noch pralend op een rijken troon, met goudbrokaat behangen, maar liefst op den drempel van een gezellig huisje, veraangenaamd door een fluitend sijsje en geurende bloemen, of te midden van een ver- | |
[pagina 233]
| |
E. van Hove
SINT JAN Met biezondere toelating van ‘The Artist’, Londen | |
[pagina 235]
| |
eigen portret
rukkelijk Brugsch landschapje. Bij hem gaan Moeder en Kind in elkander op, onverschillig aan hetgeen rondom hen gebeurt, in plaats van, zooals in de meeste oude opvattingen, voor den toeschouwer deftig te poseeren en hem in de oogen te kijken, als wilden ze zeggen: Zie ons aan! In zijne doeken, Ontwaking van het Kind Jesus, van 1892, (behoorend aan de prinses van Tour en Taxis, te Regensburg, Beieren), De H. Familie, 1889 (thans te München), De H. Maagd met het Jezuskind 1892, De Moedermaagd 1893 (behoorend aan M. Verhaeghe-Lebret, te Brugge), het drieluik, De Moedermaagd, St-Jan en St-Lucas, 1894, medaille van 2e klasse in de laatste Wereldtentoonstelling te Brussel, (thans te Antwerpen), Mater Amabilis, 1897 (eigendom van burggraaf de Ruffo Bonneval de la Fare, te Brugge), Mater Salvatoris, 1898, - in die doeken, zeg ik, daagt een gemoedelijk huiselijk poëma vóor ons op, half wereldsch, half godsdienstig, steeds heerlijk, ontdaan van de naïeve stijfheid der vorige eeuwen, verjongd door de levendige en schilderachtige verbeelding van onzen Bruggeling, die de scenen uit het verre Oosten naar zijne vaderstad verplaatst en ze in een dier bouwkundige décors inlijst, waarvan hij, evenals onze oudere Meesters, het geheim schijnt te kennen, samen met de perspectief, de uitdrukking, de groepeering en heel de toerusting der moderne schilderkunst. Hier is zijne kunst levend, waarheidvol, diepzinnig en prachtvol. Aan | |
[pagina 236]
| |
landschap en luchtperspectief, aan menschen, bloemen en bijhoorigheden schenkt hij hunnen waren en kunstschoonen vorm. Vast en afgewerkt is de teekening; vol en tintelend de kleur; meesterlijk en geleerd de factuur. Zijn schildering heeft een dichterlijk en tevens indrukwekkend karakter. Zijne Madonna's en Deezekens vertoonen een mengsel van bevallige droomerij en verbazingwekkend naturalism. In dergelijk oordeel staan wij niet alleen. Ziehier wat een geleerd kunstcriticus, die zich liefst onder den deknaam Job in de Flandre libérale verschuilt, over van Hove schreef, bij de beoordeeling dezes werken in de eerste tentoonstelling van het Kunstverbond der Vlaanderen, 1897: ‘Toujours éminemment travailleur et consciencieux, M. van Hove, l'artiste brugeois bien connu, nous présente un excellent portrait et une Mater amabilis. Nous rendons pleinement justice à l'habileté de la facture, ainsi qu'à l'harmonieuse tonalité du tableau de la Madone. Le portrait nous rappelle quelque peu le faire des Gothiques; mais nous ne l'en aimons pas moins et l'oeuvre, dans son ensemble, ne manque nullement de séduction’. We zouden geenszins verlegen zijn, dergelijke vleiende beoordeeling met tientallen te vermenigvuldigen; doch met de volgende, ditmaal van eene andere zijde (Bien public), kan het over van Hove's godsdienstige onderwerpen volstaan: ‘Van Hove, dans ce dernier tableau (Mater amabilis), marche dans le sillon des gothiques: évidemment il s'est inspiré des maîtres de l'école brugeoise et l'esprit de Memlinc, qui hante le vieil hôpital de St-Jean, l'a inspiré. Nous nous empressons d'ajouter, qu'il n'est pas un banal copiste et que son oeuvre a un cachet personnel. L'expression de la Vierge, comme celle de l'enfant Jésus, est d'une douceur ineffable et d'une admirable idéalité, et sauf une bien légère imperfection dans la main droite de la Madone, le dessin est irréprochable. Quant au coloris, s'il a moins d'éclat que celui des vieux maîtres, il est plein d'harmonies et à la fois sobre et brillant, ce qui se rencontre rarement’. * * * De portretten zijn eene zeer belangwekkende zijde van Edm. van Hove's ‘kunnen’. Door portret beduiden wij hier niet alleen het konterfeitsel van een bepaalden persoon, als van wijlen M. Recour, van Zuster Maria-Baptista uit het Engelsch klooster te Brugge, of van Mevr. de Baronnes Gillès de Pélichy; maar ook die heele reeks schilderijen, die meestal éen enkel personage vertoonen, doch te zamen genomen een aantal middeleeuwsche typen en beroepen voorstellen, zooals zijn eerste bijval in het Parijzer salon van 1880, Een Liefhebber van Etsen, thans te Londen; zijn Geleerde en Een Gouddrijver, beide van 1881, in het kasteel van Marlagne, te Wépion bij Namen; De Oudheidkenners, Een Pottebakker, Een Alchimist, Een Verluchter, Eene Verluchtster, Een | |
[pagina 237]
| |
E. van Hove
MATER SALVATORIS Met biezondere toelating van ‘The Artist’, Londen | |
[pagina 239]
| |
Geleerde, Een Koperdrijver, Een Dokter, Een Horlogemaker, De Heks (tripticon), Werkplaats van Koperdrijvers, Een Sterrekundige, Grootmoeder, Een Citherspeelster, Een Scheikundige, Heks haar Tooverdrank bereidend, Bij den Wapenmaker, Een Aardrijkskundige, Een Klerk, De Goudsmid, De Porseleinschilder, Jacob van Maerlant, De Muziekles, enz. enz., die alle dagteekenen van de periode tusschen 1882 en- 93, en in openbare en bizondere verzamelingen te Londen, Dublijn, Liverpool, St-Petersburg, Warschau, Lemberg (Oostenrijk), Berlijn, Mentz, New-York, Robaais, Spa, Kortrijk, Gent, Brussel en Antwerpen, van de kunst huns scheppers schitterend getuigenis afleggen. Veelal komt hetzelfde type in eene andere kleedij en in een verschillend midden terug; maar hoe wisselen de bijzonderheden af! In dit vak heeft van Hove getoond, dat hij niet alleen een knap schilder, maar evenzeer een veelwetend archeoloog zijn moet. In onze hedendaagsche musea van oudheidkunde vindt men niet een stielgereedschap, dat hij niet heeft benuttigd en met de meeste getrouwheid, in al zijn eenvoud, nagebeeld. Zulke schilderijen zijn méer dan kunstwerk: zij leeren den aanschouwer iets en maken hem bekend met velerlei bijzonderheden, aangaande de kunstnijverheid der middeleeuwen. De nauwkeurigheid, waarmede hier meubels of werktafel, gereedschappen of kleedij gekonterfeit worden, grenst bijna aan 't naïeve en gewild gezochte; doch wáár blijft het steeds: 't is benediktijnerwerk met het penseel. En hierin is van Hove weeral een dóor en dóor ‘Brugsch’ artist, omdat hij slechts rond zich te grijpen had. Bijna geheel de kunstnijverheid van vroeger, welke hij in zijn doeken veraanschouwelijkt, bestaat hier nog, evenals de typen, die er als handelend persoon in optreden: hij had ze slechts in een middeleeuwsch pak te steken en eene wijl te laten poseeren, om die reeks werken te vervaardigen, welke wij gaarne ‘didactische’ schilderkunst zouden noemen en waarin hij zoo machtig veel talent heeft neergelegd; - want veel dier koppen herinneren aan de portretten van Holbein, den grooten meester in 't vak. Wie de proef op de som hebben wil, bekijke eens aandachtig de koppen der twee doctoren in 't middenpaneel van 't drieluik, Alchemie, Tooverkunst, Scholastica, en onwillekeurig vliegen uwe gedachten naar 't portret van den grooten Erasmus, door Holbein in het Louvre. En niet dézen alléen, volgt van Hove zoo dicht op de hielen; ook Memlinc en van Eyck komt hij nabij. Het best gelukte zijner portretten is dat van wijlen M. Recour. Alwie dezen gekend heeft, zegt dat het leeft. Van Hove droomde er sinds lang van, dit zoo echt typisch Vlaamsch wezen te mogen malen en waagde het eindelijk M. Recour te vragen. Hij beschouwde 't als eene gunst, dat zijne bede ingewilligd werd en schiep een kunstwerk | |
[pagina 240]
| |
van onbetwistbare waarde, waarin hij gansch zijne ziel van nauwgezet artist had uitgestort en dat, samen met Van Maerlant, in het Parijzer salon van 1887, eene eervolle melding bekwam. In hoeverre die onderscheiding beneden de waarde des werks viel, moge best blijken, wanneer men het vergelijkt met een meesterstuk in het genre, nl. het portret van den begiftiger, kanunnik Vander Paelen, in 't beroemd tafereel, De H. Maagd met het Kind Jesus, St-Donatius, St-Joris en de Begiftiger (1436), door Jan van Eyck, in 't Brugsch museum der Oude Meesters. Van bewust portret sprekend, zei 't Journal de Liége: ‘Le séjour de Bruges a ceci de particulier, qu'il fait oublier le 19e siècle. On dirait du Memlinc’. Inderdaad; wie zich eens te meer wil overtuigen, vergelijke Memlinc's SybillaGa naar voetnoot(1) met van Hove's Brugsche Vrouw uit de 15e Eeuw (1889). Hiervoor heeft Mevrouw van Hove zelve tot model gediend; doch geheel gekostumeerd en in dezelfde houding als de vermaarde ‘Sybilla’. Welnu, het verschil der wezenstrekken daargelaten, is de gelijkenis van procédé allertreffendst en de schilder, die de begoocheling bij den toeschouwer zoo ver kan drijven en de vergelijking met zulke Meesters doorstaan, moet met een ongemeen talent begaafd zijn. Om daarmede in te stemmen is de kritiek het eens. Aldus Verdavainnes in La Fédération artistique: ‘M. van Hove reste fidèle à ses archaïques recherches. On pourrait dire de lui ce que Taine a écrit, parlant d'Ingres: ‘Il a vécu comme un plongeur sous sa cloche, fermant les fentes, par où l'air du dehors eût pu entrer’. Van Hove vit du passé: son Horloger est d'une autre époque, du 15e ou 16e siècle. C'est fini, précis, achevé et parachevé et nullement déplaisant. Il y a là une énorme dépense de talent’. Ook Boussenot in La Revue du Monde latin: ‘Les têtes pastichées des aïeux de M. van Hove, ces grands Flamands, dénotent une habileté et une science indiscutables;’ en Gustave Lagye in La Gazette: ‘Van Hove, remontant aux gothiques, pousse très loin le scrupule d'analyse, dans l'étude de la figure humaine. Son portrait, doux et lacté, baigné de lumière pâle, est délicieux’. Vooral de Fransche kritiek, die weinig of niets van ons Vlaamsch gemoedsleven af weet, heeft van Hove die navolging der Ouden tot eene grief aangerekend. Zulks is even ongepast als ongegrond. Vooreerst modernizeert van Hove zijne scheppingen, waarvan hij enkel het onderwerp in 't verleden gaat zoeken. Vervolgens blijft het de vraag, | |
[pagina 241]
| |
ALCHEMIE
TOOVERKUNST SCHOLASTICA Naar het Drieluik van Edmond van Hove | |
[pagina 243]
| |
of zulke doenwijze wel laakbaar is: ofwel hetgeen de Ouden maakten beteekent niets en dan hebben ongelijk het met godsdienstige trouw te bewaren; ofwel is hun werk onze bewondering overwaardig en dan kan 't geen kwaad, dat er nu nog artisten leven die schilderen als van Eyck, Metsys, Memlinc en Holbein. Voor elken ridder der verfkwast is nu ook precies zóoveel talent niet weggelegd! Dát meent juist het Journal des Beaux-Arts, wanneer het schrijft: ‘Van Hove se cantonne et s'affirme dans un genre, qui me paraît devoir vivre plus longtemps que l'à-peu-près, comme on le comprend aujourd'hui et qui est si propice aux médiocrités. Van Hove joue serré; il a tous les atouts pour lui: la composition, la couleur et surtout le dessin. Qu'il se console s'il n'a pas pour lui les apôtres du débraillé; il est dans le camp de ceux qui ne peuvent plus mourir’. En op eene andere plaats: ‘Je ne dis pas que tout le monde devrait peindre comme van Hove; ce serait d'abord... difficile et puis fatiguant pour le public. Mais il n'est pas mauvais d'avoir au sein de l'école moderne un ressouvenir vivant de Quintin Metsys. J'en connais plus d'un qui préfère cette perfection inouïe, au laissé-aller et au débraillé de MM. tel et tel’. * * * Bij zijne intrede in de kunstwereld, toen hij zich hoofdzakelijk op het schilderen naar den trant der Ouden toelegde, scheen van Hove voor zijne portretten enkel een drietal kleuren: wit, zwart en bruin, op zijn palet te spreiden; in zijne laatste wijze integendeel, de Madonna's, is hij volop plein-airist geworden en werkt met al de tonen eener rijke kleurengam. Daartusschen in, heeft hij een derde manier aangedurfd, volgens mij de verdienstelijkste, waarin hij krachtig bewezen heeft, dat hij niet uitsluitend van de gothieken moest afleeren, om als ‘zelfstandig’ kunstenaar zijnen weg te banen. Wij bedoelen die werken van grooteren omvang, als Galilaes bij den Kardinaal van Siëna (stadhuis te Brugge); De H. Maagd de Kunsten bezielend (1893); het veelluik, met het Laatste Avondmaal als middenstuk, in de St-Gilliskerk te Brugge (1896) en zijne triptika, waarvan hij zich eene specialiteit schijnt te maken. Als wij de reeds vermelde Heks en Moedermaagd voorbijzien, welke in zijn eersten trant behandeld zijn, treffen wij eene reeks compositiën aan, in dewelke van Hove er zich schijnt op toegelegd te hebben, eene wijsgeerige gedachte, het afgetrokkene, het onstoffelijke, door middel van gepaste personages of tooneelen voor te stellen of vatbaar te maken. Aldus: Alchemie, Tooverkunst, Scholastiek, dat in de Wereldtentoonstelling van Parijs, in 1889, eene derde medaille verwierf en thans in het Berlijner muzeum prijkt. Behendige uitvoering, heel in overeenstemming met den aard van het onderwerp, zal men dit werk niet | |
[pagina 244]
| |
ontkennen. Het eenige, wat daarin niet gothiek is, zijn de... weelderige vormen van Ghislena Lievekindt (episode uit de plaatselijke geschiedenis van Belle, in Fransch-Vlaanderen), die aan het onderzoek naar het gevreesde duivelsmerk, stigma diabolicum, onderworpen wordt. ‘Les figures de cette fort belle allégorie,’ zegt nagenoeg Haraucourt in L'indépendance belge, ‘sont d'un art extraordinairement curieux et savant, peintes avec une volonté d'évoquer les siècles anciens et la vieille gloire de Flandre et de Hollande; les têtes de l'alchimiste, du scolastique, celles du clerc et du docteur, on les dirait détachées d'un tableau de Holbein le jeune...’ enz. Gansch anders is de prachtige bladzijde, die Historio, Tempus, Legenda heet en waarmede van Hove verleden jaar te Brussel eene tweede en dit jaar te Barcelona de eerste medaille verwierf. De Geschiedenis wordt verbeeld door eene deftige, reeds bejaarde matrone, met lauweren gekroond, die, door middel van een vergrootglas, de microscopische letterteekens van een oud perkament tracht te ontcijferen. De Legende, voorgesteld door eene jeugdige maagd, het hoofd met madelieven omkranst en een - wellicht naïef - verdichtsel neerschrijvend, is eene allerliefste compositie, waarvan een paar bijzonderheden nog de beteekenis verduidelijken: het bijgeloof aan 't bloeiende kersttakjeGa naar voetnoot(1) en de legende van den H. IsidoorGa naar voetnoot(2), in 't landschapje door 't openstaande venster. - Nu verschijnt de Tijd in 't middenpaneel, onder de gedaante van een eerbiedwaardigen, indrukwekkenden ouderling. Met vastberaden kalmte scheurt hij het blad papier vaneen, waarop de dwalingen en vergissingen der Geschiedenis, alsmede de verdichtsels der Legende geboekt staan. Doch niet hij alléen voltrekt het vernielingswerk; hij wordt daarin geholpen door het vuur (in de verte brandt een Brugsche stadspoort af) en door eene rat - o nietig détail! - die gerust aan een foliant in eene boekenkast te knabbelen zit. Stellig is dat het werk van iemand, die denkt en filozofeert. De uitvoering houdt gelijken tred met de diepte en den ernst van het onderwerp en de figuren zijn uitstekend gepast voor de gedachte, welke zij moeten verpersoonlijken. Het laatste triptiek, waarover van Hove zich verhoovaardigen mag en dat thans te Antwerpen de bewondering der kenners gaande maakt, heet De drie Zustersteden: Gent die Dappere, Brugge die Schoone, Antwerpen die Weelderige. Bij elk figuur behooren eenige verzen uit Lede- | |
[pagina 245]
| |
E. van Hove
EEN HEKS Met biezondere toelating van ‘The Artist’, Londen | |
[pagina 247]
| |
ganck's lierzang, om des schilders gedachte te verduidelijken; doch, voor den aandachtigen toeschouwer zijn ze gansch niet onontbeerlijk. Bezie de flinke deerne, wel gevleesd, louter melk en bloed, die Antwerpen verbeeldt: achter haar stroomt de breede Schelde, bron harer welvaart; kostbare juweelen en perelen schitteren haar op de borst, in de hand, om den hals en de armen; een diadeem en rozen sieren haar hoofd; ze houdt het fameuze landjuweel, den eereprijs der rederijkersprijskampen, in de hand. Wie, toeschouwer, zou daarin niet de ‘driedubbele krone van kloekheid, rijkdom en kunst’ erkennen? Hoe stil en ingetogen staat daarnevens Brugge die Schoone, zonder den minsten opschik, slechts een perelkam in 't haar, om den eenvoudigen sluier op te houden, en een anjelier in de hand, 't zinnebeeld harer schoonheid! En toch draagt zij 't ‘kenmerk van den adel om de leden...’ Ook Gent die Dappere is juist getroffen: uit den vastberaden blik der ernstige Maagd spreekt moed en zelfvertrouwen. Zij is harer macht en haar recht bewust en zeer beslist rust hare hand op 't gevest van het zwaard, dat voor de eer en het heil der stad getrokken wordt. Zij is ridderlijk en fier, ‘gelijk een spruit van adellijken bloede’. De achtergrond van elk der drie paneelen is door een, bij 't figuur passend, klassiek zicht uit de drie Zustersteden ingenomen. * * * Zelden vond het spreekwoord Geen sant in eigen land een jammerlijker en ergerlijker toepassing dan op van Hove. In Brugge, waar hij zóóveel meesterlijke doeken borstelde, zijn er slechts zes zijner werken gebleven: vier in bijzondere verzamelingen, een in St-Gilliskerk en een in 't stadhuis. Ons museum der moderne Meesters bezit zelfs geen enkel werk van onzen in 't buitenland zoo zeer beroemden als geprezen Bruggeling! Wij hebben het in 't begin van dit artikel gezegd: van Hove is te nederig: zijne leus schijnt altijd geweest te zijn: Doe stil voort, en steeds had hij een hekel aan mouwvagerij en gekuip, om in de officiëele wereld te kunnen pralen; niettemin werd hij, eenige maanden geleden, ridder der Leopoldsorde benoemd en door zijne medeburgers en leerlingen, - hij is professor van schilderen naar het leven, aan onze stedelijke Academie - om die lang verdiende, (doch veel te laat komende) onderscheiding luidruchtig gevierd. Ten volle beamen wij, wat de Flandre libérale eens over van Hove schreef, na de ontleding van zijnen Goudsmid, dien zij ‘een meesterstuk van uitvoering’ noemde: ‘Holbein's en Quinten Metsys' werken staan algemeen en te recht als voortreffelijk bekend en men besteedt fabelachtige sommen om ze aan te koopen. Van Hove's werken, die misschien geen geringere verdienste hebben, zijn ternauwernood door | |
[pagina 248]
| |
eenige dilettanten gekend en verwekken geen geestdrift. Van Hove blijft vergeten en gelukt niet in de gemoederen te dringen en blijvenden indruk te maken in het midden, waar men eer en roem uitdeelt. Wij hebben de overtuiging, dat het nageslacht de onverschilligheid en het verzuim onzer tijdgenooten herstellen zal en dat van Hove's werk, in gelijke mate als de schoonste voortbrengselen der kunst, zal bewonderd worden’. 't Is waar: over kleuren en smaak valt niet te twisten. Menschen, die ons innig zielsleven niet begrijpen, die onkundig blijven van de gevoelens, welke eene stad, als Brugge, in 't hart harer kunstenaars verwekt, kunnen dan ook niet getroffen worden, wanneer een dezer die gewaarwordingen door lijn en kleur vertolkt; doch, waar men het niet bij die honende onverschilligheid laten wil en zulken kunstenaar dáárom lastig valt en beknibbelt, dan zijn we gedwongen het uit te schreeuwen: Zwijg over hetgeen boven uw begrip staat; want onze kleine van Hove is een heel groot artist! Medard Verkest, te Brugge. ![]() |
|