| |
| |
| |
Sonetten
I.
Fier spreidt de beuk zijn loover, glanzig bruin,
- hij, eenig heerscher in 't hellicht gebied! -
In wazig blauw versmelt het schoon verschiet,
lokkend tot dwepen, als een toovertuin.
O stil te droomen, op deez' heuvelkruin,
van wat geen oor ooit hoort, geen oog ooit ziet,
wen zoete illusie ons voor goed verliet
en menig luchtslot wreedlijk viel in puin!...
Hier wilde ik wonen tot mijn stervensuur,
ver van het leven, dat zoo pijnt en schrijnt,
ontraadselend Natuurs geheimenis,
en onder dit wijdstralend lent-azuur
vol zon en zang, waarbij al leed verdwijnt,
zoeken 't Geluk - zoo 't hier te vinden is!
| |
II.
Weer heeft het woud de pluimen losgewonden
van machtige' eik en breede varenplant!
Weer tooien bloemen gansch 't hergroenend land,
wáar ze ergens maar een zonnig plekje vonden!
Komt gij opnieuw, als blijde heilgezant,
ons, na veel leeds, tot vreugd en heul gezonden,
de waarheid van 't herlevingswoord verkonden
in loof en lied en weel'ge bloemwarand?...
O zoete Mei! Laat zacht uw zegen dalen
ook waar de storm zóo toomloos heeft gewoed,
dat, in onze oogen, zelfs ùw hulp zou falen!
Schenk, wien het bitterst lijden martien moet,
weer hoop en steun, die, beî, zijn krachten stalen...,
en wees ook mij een trooster, trouw en goed!
| |
| |
| |
III.
Toen ik, een kind, als 't 's avonds duister werd,
zoo heel alleen moest door de donkre gang,
of eenzaam in een kamer zat, - hoe bang,
van wat ik dácht te zien, sloeg dan mijn hart!
Hoe week het bloed mij ijlings uit de wang,
als ik daarbij nog werd vervolgd, gesard
met raadslen, nooit door 't kinderbrein ontward... -
'k Zal 't niet vergeten heel mijn leven lang!
Nu ben 'k niet meer bevreesd, als de avond daalt:
't zijn ándre spoken, waar mijn ziel voor schrikt,
wanneer de morgen weer in roosgloed praalt,
hóe vriendlijk ook de zon mij tegenblikt.
En 'k snak naar de ure, wen àl 't licht vervalt
en zoete slaap 't heulzoekend hart verkwikt.
| |
IV.
O dat mocht komen 't vuriglijk begeerde
- wat 'k ach, zoo lang alleen in droomen zag! -
en 't kwellend Heimwee, dat mijn ziel verteerde
verdwijnen mocht bij Vredes vreugdelach!
Nu is, wat droef des levens last vermeerde,
slechts een herinring, ver en vaag: als rag
scheurde het floers, nu 't zonlicht wederkeerde,
en 'k me in zijn gloed opnieuw verblijden mag!
'k Ben als een balling, die, na jaren zwerven
in Vreemdenland, weer de' éigen grond betreedt;
of als een kranke, die àl hoop moest derven
tot hem de Lent' geheel genezen deed....
Hun prijkt Natuur in pracht van schooner verven,
hun blijkt dit leven minder kil en wreed!
| |
| |
| |
V.
Veel zangen voel ik nu in mij ontwaken,
die sluimerden zoo langen, bangen tijd,
en vreugdevol de onzichtbre boeien slaken
van twijfelsmart en droeve angstvalligheid!
Als vlinders, die hun windselen verbraken,
zwevend omhoog, door luwte en licht verblijd -
als zeegnende englen zie ik ze genaken,
beslechtend menig stil gestreden strijd!
Want - wil hun wiekslag zachtkens mij aanroeren,
dan wijkt de Weemoed, die van ver bleef loeren,
dan wordt het óm en in mij wonderhel:
als uchtendgloor na 't somber nachteduister
zijn mij hun woorden, wijl 'k aandachtig luister...,
en 't is mij, als voorheen, zoo vreemd, zoo wel!
|
|