De Vlaamse School. Nieuwe reeks. Jaargang 11(1898)– [tijdschrift] Vlaamsche School, De– Gedeeltelijk auteursrechtelijk beschermd Vorige Volgende [pagina 207] [p. 207] Nacht In blauwbesterde sluiers daalde al zo lang de nacht en spreidde over heel het landschap vleugelen, zijdezacht. En ver over heel het landschap, van d'een tot d'andere zoom, is niets en niemand wakker dan de rusteloos ruisende stroom. In het water weerspiegelt en wiegelt een lichtjen; en - waar dat blaakt, staat een maagd vóór het open venster en zwijgt, en wacht, en waakt... ‘Ei, liefje, zoete liefje! Waarom toch slaap je niet? Kun je van geluk niet slapen of waak je van verdriet?’ - ‘Wel gaarne wilde ik slapen! Mijn voeten zijn zo moe! Zo loom zijn al mijn leden... Mijn ogen vallen toe. Maar, ach! de stroom, daaronder, die ruist er zo luid en wild: dat komt als een pijnlik klagen tot mij in de diepe stilt...’ - ‘Dat is de stroom niet, liefje! Die ruist... als elke nacht! Dat wat je niet laat slapen, dat is een mensenklacht. De stem van mijn verlangen, die klinkt tot jou... van wijd... Mijn ziele hoor je roepen: ‘O kom! Kom weer! 't Is tijd!’ Vorige Volgende