Rembrandt's goede Samarietaan
Nu dat men te Amsterdam volop bezig is, een aanzienlike tentoonstelling van werken van de grootste van alle Hollandse schilders voor te bereiden, nu zal het zeker wel vele van onze lezers aangenaam zijn, in De Vlaamse School de wedergave aan te treffen van een schilderij, waarvan, ondanks het daarop voorkomende monogram R-H en de jaartekening 1631, de echtheid waarschijnlik toch noch door meer dan éen ongelovige Thomas zal betwijfeld worden.
De Vlaamse School denkt er niet aan, zich het recht aan te matigen, over dit vraagstuk, - zo het werkelik hier of daar wordt opgeworpen. - reeds bij voorbaat en op eigen gezag de staf te breken.
Slechts dit willen wij van nu af in overweging geven.
Dat de verhoudingen, de opvatting, de keuze en de groepering van de personen, volkomen en volkomen anders zijn in het als echt gewaarmerkte schilderij van 1648, is noch kán volgens ons een enigsins ernstige reden zijn, om te besluiten, dat het hier gereproduseerde stuk nu in geen geval van Rembrandt zijn zou.
Dat op verscheiden plaatsen het stuk in de loop van de tijden overschilderd, altans hersteld is geworden, valt niet te loochenen.
Daar tegenover staat echter, dat de voorstelling zo nauwkeurig mogelik overeenkomt met die op Rembrandts eigen in 1633 gestoken ets, zo als die o.a. is weergegeven in Knackfusz' bekende monografie, namelik op bl. 22, en onlangs noch in het hier al meermaals aanbevolen Kupferstichkabinet van Fischer en Franke te Berlijn.
De verhoudingen van breedte en hoogte van deze ets, 25×20, komen vrij getrouw overeen met die van het schilderij, dat wij bedoelen, namelik 80×58.
Errard vervaardigde naar het bewuste stuk een gravure, die deze verhouding oplevert: 37×26,36.
De verlichting van het schilderij komt ondanks de wat dikke vernislagen - op treffende wijs overeen met die van Rembrandt's schilderijen in het algemeen en, wat hier zeker wat te betekenen heeft, met die van de ets van 1633 in het biezonder.
De afgebeelde tiepen, hun houding, hun bewegingen zelfs, verraden alle om het zekerst het kenmerk van zijn hand.
Eén enkel opvallend verschil is er tussen de ets van 1633 en het stuk, dat we hier meedeelen: naast de ton en dat soort paardekrib op de voorgrond rechts ziet men op de gravuur een zittende hond, die hier is weggeschilderd. Men kan noch duidelik de plaats onderscheiden, waar het dier was afgebeeld.
Het tafereel werd door de gunstig gekende verzamelaar, de heer L. Menke, te Antwerpen, aangekocht in de veiling van Dr Mannouvrier te Quaregnon, in 1896.
Dr Mannouvrier zelf kocht het van een Engelsman in 1845.
Toen C. Errard het graveerde, hoorde het tafereel toe aan zekere heer Hoevenaer te Amsterdam.
Ik onthoud er mij van, voor de echtheid van het besproken werk, als een argument te doen doorgaan het anders op zich zelf wel belang opleverende feit, dat het stuk van de heer Menke, altijd op die hond en een enkel bijzaakje op de achtergrond na - het juiste