Daarvan getuigt vooral het grote paneel van de naastgelegen zaal, Margareta van Parma voorstellende. Van een zekere afstand gezien schijnt dat werk de voortzetting, het vervolg te zijn van de wezenlijke zaal met al haar leven en beweging, veel eer dan een heuse wand, zozeer dat het onmogelik wordt met zekerheid te bepalen, waar de marmeren archietektuur van het gebouw eindigt en het geschilderde marmer van het paneel begint, waar de grens is tussen de levende mensen vóor, en de afgebeelde mensen op de muur.
Nooit werd de kunst, om de versiering met de omgeving te doen samenstemmen, verder gedreven; volkomener eenheid van deze beide delen zal wel nergens verkregen zijn.
Op onze aanvraag zouden wij ongetwijfeld met de meeste bereidwilligheid in de gelegenheid zijn gesteld geworden om, ten dienste van De Vlaamse School gemelde schilderingen te reproduseren, vóórdat zij geplaatst werden.
Wij meenden echter van die gelegenheid geen gebruik te mogen maken.
Stellig zouden het zeer belangrijke dokumenten zijn voor enkele ingewijden. Maar die werken werden vervaardigd, om op een bepaalde afstand en onder een biezonder licht gezien te worden.
Door ze fotografies af te trekken in het daartoe nodige schrille licht, en recht vóór het objektief geplaatst, zouden zij zeker, in wit en zwart, niet die indruk gemaakt hebben, welke zij, op de hun bestemde plaats gezien, zo zegevierend teweegbrengen. Overigens, noch de samenstelling, noch de tekening, noch al wat fotografies kan weergegeven worden, maakt de grootste waarde van het werk uit; het is integendeel de artiestieke geest, het onstoffelike, het spel van kleur en toon, het effekt, juist al wat de fotograaf niet vertolken kan, waardoor die schilderijen uitmunten. Ten andere, van de samenstelling verscheen reeds in een van de oude reeks van De Vlaamsche School een zeer getrouwe tekening in omtrek, naar welke wij de belangstellende lezer eenvoudig verzenden.
De kleine Leyszaal, zoals zij zich nu voordoet, is, als het ware, het portaal van de naastgelegene grote zaal, zoals de versiering van de huiskamer van de meester het voorhof was van het aanzienliker werk, dat hij beraamde. Deze twee zalen vormen alzo een geschiedkundig geheel, een uitmuntend beeld van het streven en de behaalde zege van de grootste Antwerpse schilder uit de XIXe eeuw.
P.B..
Ook de veiling Kums mag beschouwd worden als een gebeurtenis, die haar plaats zal innemen in de kunstgeschiedenis van onze eeuw.
Zijn daaruit wetenswaardige biezonderheden te putten voor de sjacheraars, die krioelen in Apollo's tempel, er ligt ook een les in besloten voor de liefhebber buiten het zoogezegde grand-monde, die nadenkt en koopt voor eigen genot, en niet om met zijn aankoop te pronken bij schatrijke verzamelaars, wie het er alleen om te doen is, te bluffen met duurbetaalde stukken, maar die meestal niet begrijpen noch waardeeren, wat kunstwaarde ze bezitten.
Het is te begrijpen, dat een muzeum honderd duizend frank betaald, om met een goede van Eyck, een Quinten, een Rubens of Rembrandt zijn verzameling te kunnen volledigen, en zodoende de werken van grote mannen in het land te behouden; maar is het redelik, is het rechtvaardig, dat een eenvoudig verzamelaar 70, 80, ja 100 duizend franks betaalt voor een schilderij van een kunstenaar die, omdat hij in zijn leven voor hetzelfde gewrocht niet eens zeven of acht honderd franks bekomen kon, aan ellende en armoede bezweek?
Bewijzen zulke feiten niet, dat bedoelde werken in wezenlikheid zulke verbazende sommen niet waard zijn.?
Zeker, het is niet te bepalen, hoeveel in geld de kruisrechting van Rubens, of de Nood Gods van Quinten waard zijn, al weet men, dat zij aan de meester met een paar duizend gulden en een geschenk voor zijne huisvrouw betaald werden; maar stellig is het atelier van Stevens, bij voorbeeld, niet juist veertig maal schooner dan de intrede van Lodewijk de XIe van Leys, en vijftig maal dan zijn Magistraten, evenmin