De Wandeling, een vrouw met een kind aan de hand, wandelend langs den Dijver, en Oude Wateren, een avondgericht op de Rozenhoedkaai. Van dat oogenblik af kwam hij elk jaar nieuwe schilderijen, pastels en teekeningen uit Brugge aanbrengen.
Hannotiau is als de hofschilder van de Brugsche stedemaagd.
Vóór 1881 dacht hij nog aan geen schilderkunst. Hij was toen als bouwkundige werkzaam aan de herstelling van de Zavelkerk te Brussel, onder leiding van Schoy. De beroemde zeeschilder Artan was toevallig een vriend van zijn familie, en toen Hannotiau voor het eerst lust tot schilderen gevoelde, vond hij in hem een gewaardeerden raadgever. Met Artan maakte hij zeegezichten naar de natuur.
Zijn schilderij, In den Avond, dat we zooeven vermeldden, vertoont overigens onloochenbare sporen van Artan's invloed.
Het was op een reis naar Heyst, waar hij met Artan moest samentreffen, dat Hannotiau voor het eerst Brugge zag. De indruk, door de oude stad op hem teweeg gebracht, was overweldigend. Van dan af bezweek hij onder hare bekoring en werd de trouwe vertolker van haar heerlijkheid.
Uit zijn doeken spreekt de innemende poëzie van de oude straten en pleinen, waar elke gevel, elke toren, elke steen iets wonderbaars te vertellen heeft, - ofwel van de oude gildezalen en burgerkamers, waar nog een geest uit vroeger tijden schuilt. Opmerkelijk is het, hoe zijn stadsgezichten en binnenhuisjes, zonder het minste figuur soms, leven en boeien. In al die overblijfselen van vroeger ontdekt hij oneindig meer dan vorm en kleur. Zelfs waar hij met architecturale motieven, aan de oude stad ontleend, zelf een gebouwenhoekje samenstelt, ziet men dat hij den zin en den geheimen geest van al dat schijnbaar onbezielde bezit.
En hij vertolkt niet alleen de stad, maar ook hel leven van haar bewoners, - dat eigenaardige kleinsteedsche leven, nog zoo heel doortrokken van oude, volksche overleveringen en gebruiken. Het suffige doen der oude godshuizenvrouwtjes en begijntjes, het klappeien achter het hoekje van de straat, de zondagwandelingen van de burgerluidjes op de vestingen, de kerstzangertjes, de optocht der driekoningen met rommelpot en goudpapieren star: - het geheele gemoedelijke leven der oude stad trekt hem aan.
En hij vindt treffende tonen, om de oude kerken en het naïeve, diepwortelende geloof te vertolken, waarvan de inwoners er komen getuigen. De kroften der Jeruzalem- en der Bazielkerk, de koor der Salvatorskerk, de Lieve-Vrouwekerk zijn voor hem niet alleen heerlijke interieurs, maar tevens toevluchtsoorden voor bedrukten en beladenen, waarin hij het godsdienstige gevoel suggestief laat oplaaien. In het vertolken van dat godsdienstgevoel stond hij in den beginne onder den invloed van zekere doodelijk nare literatuur en schilderde met