Boekbeoordelingen
Schoppenboer door Cyriel Buysse, Amsterdam H.J.W. Becht 1898
Slechts enkele bladzijden hoeft men te lezen, om al dadelik overtuigd te zijn, dat Cyriel Buysse, met dit boek, een grote stap vooruit gedaan heeft op de baan van zijn letterkundige ontwikkeling.
In opzicht van taal en stijl staat het oneindig ver boven al wat hij tot hiertoe leverde. Niet enkel zijn de grove fouten, die zijn vroegere werken zo vaak ontsierden, hier schier geheel vermeden, maar op vele plaatsen bereikt hij een hoge mooiheid van prozaritmus en klankharmonie.
En op dit punt dient biezondere nadruk gelegd te worden. - Een der hoofdkenmerken van onze jongere letterkundige beweging is een biezondere, vroeger zelden nagejaagde zorg, gewijd aan de vorm, de stijl, de golving van de zinnen, de keus en schikking van de woorden. Prachtige voorbeelden van woord- en klankrijkdom werden in deze tijd zo overvloedig geleverd, dat een auteur, die er niet toe komt een behoorlike stijl te voeren, behalve aan gebrek aan talent, ook aan gebrek aan alle assiemielasie-vermogen lijden moet. - Dit is dan ook een zeer verheugend verschijnsel voor onze literatuur. Taal en stijl zijn in een letterkundig kunstwerk van even groot belang, als faktuur in een plasties, of harmoniezering en orkestrasie in een muziekaal. Is deze zwak, - door gebrek aan zorg of gebrek aan talent, - verliest het kunstwerk ook een zeer gewichtig bestanddeel van zijn schoonheid. - Het schijnt dat men daarvan in ons letterkundig wereldje eerst in de 10 à 15 laatste jaren bewust geworden is - en met die ontdekking was men zó blij, dat velen in hun eerste aanloop, het doel voorbijstrevend, kunst hebben willen maken van louter woord- en klankspel. Ook die mode is nu verouderd, maar we zijn haar 't grootste respekt verschuldigd, want zij heeft een zeer heilzame invloed op de letterkunde uitgeoefend.
En niet zonder verwondering en ergernis bespeurden we dat Buysse, in zijn vroegere boeken, nagenoeg geheel buiten die invloed stond, m.a.w. dat èn stijl èn taal deerlik, deerlik verwaarloosd waren.
Met des te meer vreugde begroeten we zijn nieuw boek, want hier geeft hij het klinkend bewijs dat hij thans machtig is wat hem vroeger ontbrak: een vlotte, minstens korrekt-Nederlandse stijl.
* * *
En ook het boek op zichzelf is beter, oneindig beter dan vele van zijn vroegere werken. - En toch zijn er gewichtige krietieken te maken, die diep ingrijpen op het wezen, op de personalieteit zelve van de artiest.
Vooral deze. -
Buysse ondergaat heel sterk de invloed van de Franse realistiese roman. Hij bewondert hem, hij dweept er mee: men voelt het. Hij heeft hem in zich opgenomen, in zich verwerkt, hij is er vol van, en zijn overvloed giet hij uit in zijn eigen werk.
Daarvoor is onze literatuur hem zeker dankbaarheid verschuldigd. Want dat genre werd in onze taal - behalve een paar en dan noch niet zo héél schitterende uitzonderingen - noch niet beoefend. In dit opzicht is Buysse dan ook een novateur, en verdient daarvoor een eigen plaats in de geschiedenis van onze letterkunde.
Maar zijn fout is, dat hij al te zeer laat merken wat doel hij nastreeft, naar wat modellen hij werkt. Ik aarzel niet te zeggen, dat zijn navolging soms plat is en aanstoot geeft. Niet dat er letterlik zou gekopieëerd zijn, - zó ver gaat het niet - maar de manier van beschrijven, van effektjes bewerken herinnert soms zózeer aan die of die, dat men er zich aan ergert.
Op vele plaatsen ziet men duidelik dat het verhaalde hem niet zo ineens, in de natuurlike aandrang uit de pen gevloeid is, zonder dat hij zich op 't eigen ogenblik rekenschap gaf van wat hij schreef, - maar dat ie zich,