Tentoonstellingen
Brussel. Le Salon de 1898 (La Société des Beaux-Arts, cinquième exposition.)
Eene grote revelasie was deze tentoonstelling nu wel niet. Er pronken een aantal redelik banale dingen, van die landschapjes of portretjes, zoals de kunstmarkt er bij dozijnen en nocheens dozijnen oplevert, en die zo weinig zeggen, dat men ze bij een tweede bezoek niet eens herkennen zou...
Op enkele dingen, die waarlik buiten en boven het gewone staan, willen we hier even de aandacht vestigen.
In het eerste zaaltje, waarin beeldhouwwerk met namen als Dillens, Lambeaux, Vinçotte en Meunier, trof ons vooral het dubbel borstbeeld van J. Lagae, ‘portret van Vader en Moeder’.
Het stuk is behandeld in zijn gewone stijl, waarin ook 't portret van Guido Gezelle zo meesterlik uitgevoerd werd (gereproduseerd Vlaamse School 1896 bl. 79) en die denken doet aan een Donatello, een Andrea del Verrocchio of een van die ongeëvenaarde meesters van de Florentijnse school uit de XVe eeuw..... Maar ondanks deze onmiskenbare italjaniezering in de beste zin van 't woord, is de ziel, de kern van het werk, door en door Vlaams. Vader en Moeder zijn twee heel eenvoudige buitenmensen, moeder met kapmantel en muts, vader in zijn werkkiel, noch krachtig en in de bloei van z'n jaren, alhoewel arbeid en zorg reeds diepe rimpels in de goedhartige aangezichten gegroefd hebben. Men ziet, neen, men voelt dat dit werk met toewijding, met liefde uitgevoerd werd, en in al zijn eenvoud heeft het dan ook iets roerends, iets treffends, dat u onverdeelde simpathie voor de kunstenaar doet gevoelen.
In zake van landschapschildering beviel ons uitermate de prachtige Sneeuwstorm van Frans Courtens, die we ook kort geleden in de ‘Cercle Artistique’ te Brussel bewonderden. Wat formiedabele wervelwind van witheid, wat gezwaai en gezweep door hemel en aarde... Waarlik, er hoeft een driest en gespierd penseel toe, als dit van Courtens, om zo iets op 't doek te smijten. - Heel merkwaardig eveneens een Spiegelend Water van Karel Mertens, alhoewel we toch, met de beste wil, niet steeds akkoord zijn met die doffe, matte tint, dit versomberend waas, die vervagende nevel, die hij in de laatste tijd over al zijn schilderingen legt, en die vaak de onaangename indruk maakt alsof ons iets aan 't oog scheelde. Van Victor Gilsoul naast een paar andere, verdienstelike stukken, een kranig stasionsgezicht, met, in de vallende duisternis, fantastiese lokomotieven, en 't geglinster van honderd veelkleurige sinjaallichten.
Leo Frédéric zond een heel prettig dorpsgezichtje, op zijn eigenaardige manier behandeld, die hier een beetje denken doet aan enkele van de beste dingen van Francis Nijs. Van dezelfde is er daarenboven een groot stuk ‘La Fleur malade’, een meisje in geweldig rood kleed, met een bloem in de hand. Van Sander Struys een groot schilderij, in de echte ‘Sanderse’ stemming: een binnenhuisje, door de berechting bezocht, en waar een vrouw wanhopig snikt, op de knieën, het aangezicht verborgen in de arm, die op een biezen stoel leunt.
Veel draagt bij tot het belang van de ekspoziesie een aantal werken uit de verzameling Ernst Seeger van Berlijn. We troffen hier aan de reeds in 1896 te Brussel geziene ‘Jagerin’ van Böcklin, die we toen ‘een type van gemeenheid, ros haar, varkensogen en een archi-vulgere uitdrukking’ noemden - en waarlik! met de beste wil, en al klinkt het ook als heiligschennis in vele oren, blijven we bij deze opienie. Heel gedistingueerd daarentegen de stukken van de in polietiek peblejaanse maar in kunst hoog-aristokratiese Walter Crane: o.a. La belle Dame sans Merci, Symbole du Printemps en The Chariots of the Hours. Hier te lande kent men Walter Crane al te weinig in zijn oorspronkelike werken; de reproduksies naar tekeningen of gravuren, die de beste Engelse tijdschriften van hem bevatten, geven slechts een onvolledig, een eenzijdig iedee van zijn kunst. Men verzuime dus de zeldzame gelegenheid niet, enkele van zijn werken,