| |
Tijdschriften
Woord & Beeld, mei 1898. Erven F. Bohn, Haarlem.
Het is ons een waar genoegen, dit werkelik zeer aantrekkelike tijdschrift nu al voor de tweede maal in het kort bestek van nauw éen goede maand te kunnen aanbevelen. In deze goedgevulde aflevering vergen in de allereerste plaats de aandacht twee bijdragen van Jan Toorop, een vrouweportret uit 1896, tekening van een zeer fijn gevoel en van grote distinksie, en een illustrasie bij een prozastukje van J. Vriesendorp, Het Schaap.
Het portret van de komponiest, Bernard Zweers, gevoegd bij een kort en zaakrijk stuk van Hutschenruyter over loopbaan en werken van deze voortreffelike kunstenaar, mag gerust vergeleken worden met de beste van de vele portretten van tijdgenoten, welke Haverman reeds ondertekende. 't Is leuk, gezond, goed geluimd werk, zo eenvoudig gedaan als scherp gezien, ofschoon toch minder sober dan dat van Veth. Bij De Kikker, een sprookje door V.N., leverde van Oort twee aardige, gekleurde tekeningen, die ons zouden doen wensen, dat deze tekenaar meer dergelik werk zou voortbrengen.
Lezenswaardig zijn ook Edamiana, met een reeks pentekeningen van de Vries J., en Russiese Schetsen, door van Nifterik, met niet onaardige tekeningen van de schrijver zelf.
Een lied met klavierbegeleiding, woorden van E. Geibel, muziek van Bertha Koopman, besluit het nummer.
| |
De Gids, mei, 1898.
Het belletristies gedeelte staat ditmaal tamelik ver beneden het wetenschappelike. John Ruskin, I, door Mej. G.H. Marius, lijdt aan een dubbel gebrek: het bevat
| |
| |
te veel sietaten uit de werken van de behandelde aesthetieker, van wie wij karakter en streven door Mej. Marius zelf breder en kraniger wilden gekenschetst zien, en de stijl laat, op vele plaatsen, erg te wensen. Er komen zinnen in voor, die, ver van op hun poten te staan, zo maar in de lucht hangen, namelik - omdat zij wel begonnen, maar niet voltooid werden. Aan vreemde woorden en zelfs aan geheel onnederlandse geen gebrek. Nu zijn de aanhalingen uit R., b.v. die over Turner, zeker wel heel belangwekkend, maar, om die te lezen, slaan wij dan liever het oorspronkelike werk zelf even open. - In een studie over een dichter, b.v. in een bespreking zoals de hier gegeven van Boutens' Verzen, zijn zulke aanhalingen volkomen op haar plaats; daar toch komt het er op aan, een kunstwerk als kunstwerk, en niet, zoals bij Ruskin, een streven, een leer te doen kennen, en daartoe zijn proeven uit de dichter zelf onontbeerlik.
Deze bespreking van Boutens' boek hebben wij dan ook met belangstelling gelezen evenals het zaakrijk muziekaal overzicht van Mr Viotta. De Verlossing van C. Buysse leek ons een tamelik alledaags verhaaltje, niet biezonder aangrijpend door de stof zelf, en - vooral om die stof - veel te ondichterlik behandeld in een zware, gewilde, onnatuurlike taal, qui ne coule nullement de source.
Heel merkwaardig, maar erg lang, Samenwerking voor Leerplicht door C.H. den Hertog en Oud-Zeeuwsche Gastvrijheid door Mej. Maclaine-Pont.
| |
Dekorative Kunst, I, No 7, april 1898, Bruckmann, Munchen
Een van de beste afleveringen, die wij van dit tijdschrift reeds zagen. Allen, in Noord en Zuid, ten warmste aan te bevelen om het uitgebreide stuk van een ongenoemde, die zeker wel mijn geachte vriend J. Meier-Graefe zal zijn, over Das neue Ornament und die jungen Holländer. Dit stuk is versierd met tal van stalen van het beste werk van Der Kinderen, Toorop, de Bazel en Lauweriks, Nieuwenhuis, Dijsselhof, Molkenboer, van Hoytema.
L. Simons behandelt daarna onder de tietel, Holländische Baukunst, het streven van H.P. Berlage, een opstel, dat ons met een tiental welgekozen werken van deze talentvolle bouwmeester laat kennis maken.
Verder brengt de aflev. noch een stuk over Hirzel als tekenaar van ontwerpen voor Schmucksachen als juwelen, doekspelden, enz., een opstel van Lessing, Aus alter Kultur, een over Stoelen, en een reeks zeer doelmatige Korrespondenzen. Het tijdschrift is, dunkt ons, op de goede baan. Het wordt overigens van maand tot maand schoner en belangrijker.
| |
The Artist, 3-4, april en mei 1898, London, Whitehall Gardens, 2, Constable & Co.
Nr 3 bevat artiekels over de Engelse schilder G.P. Jacomb-Hood, over de impressioniesten in het Musée du Luxembourg, over Belgiese Plakkaten, over de ornemaniest Antonin Daum, over de beeldhouwer Adrian Jones, en over een freskoschildering van Domenico Ghirlandajo, - dit alles verrijkt met een ware overvloed van wel niet alle even goed gekozen, maar altijd zeer goed ‘getrokken’ platen.
En - men gelieve het op te merken - wij noemen lang niet alles, - enkel maar het werkelik voornaamste.
Nr 4 is gewijd, in hoofdzaak altans, aan een overzicht van de plastiese beweging in Engeland gedurende het afgelopen jaar, April 97 - April 98, en brengt een haast onafzienbare reeks platen naar Poynter, Burne Jones, Alma Tadema, Brangwyn en een twaalftal anderen.
Verder bevat dit nr een goed opstel over de schilderes Ethel Wright en een ander over Ford Madox Brown als ontwerper van nieuwe gebruikskunst. In beide aflev. ook brieven uit Weenen, Brussel, Parijs, enz..
| |
The Special Winter-Number 1897-8 of The Studio. London, offices of The Studio, 5 Henrietta Street, Covent Garden. Price one shilling
The Studio, ‘het meest verspreide kunsttijdschrift van de wereld’, niet tevreden met alle
| |
| |
maanden een overvloed platen te laten verschijnen, gaat duchtig voort met afzonderlike uitgaven in het licht te geven.
In 1894 verscheen het eerste ‘Special Winter Number’, handelende over de door en door Engelse Kerstbeeldekens.
In '97 verscheen het boekdeel ‘The Art of 1897’, dat we in de afgelopen jaargang (bl. 376) bespraken, en deze Winter verscheen het derde Winter Number, gewijd aan ‘Children's Books and their Illustrators’.
Waarlik een zeer interessant onderwerp, juist geschikt om in een uitgaaf als deze tot een degelike studie aanleiding te geven. En zulks is dan ook het geval. Het belangrijke opstel wordt door niet min dan een hondertal platen versierd, van de onbeholpen, priemietieve kinderprentjes af, tot de meest geraffieneerde moderne boekillustrasies toe. Het is waarlik een goed iedee, de aandacht van de artiesten zowel als van het publiek te vestigen op dit soort uitgaven. Al te gemakkelik toch stelt men zich tevreden, kinderen de eerste de beste prentboekjes in de hand te stoppen, zonder er maar in 't minst aan te denken, wat invloed een prentenboek op de vorming, de ontwikkeling van een menselik gemoed hebben kan. - En hoe beklagenswaardig gering, eilaas, om niet heel en al te zeggen nul, is het aantal inderdaad degelike kinderboeken, dat men in ons land aantreft. Het zijn doorgaans de onbeduidendste kromolietografieën, die men zich denken kan, zonder het minste karakter, zonder de minste smaak, ja zonder ‘liefde’ samengesteld.
Wat anders dan een schadelike invloed kan dergelike in-enting van grove smaak op de ontvankelike geest van een kind hebben? Wat verschil met een dramatiese Walter Crane, een liefelike Kate Greenaway, een echt sprookjesachtige Howard Pyle of Anning Bell! En deze mannen juist, met al de anderen, die in dezelfde richting gewerkt hebben, leren we in dit nummer kennen.
De uitgaaf, verzorgd, zoals we dit van The Studio gewoon zijn, zit in een zeer eigenaardig omslag: een fraai winterlandschap in kleurdruk, en op de achterkant een dekorasiemotief samengesteld uit de mikroskopiese sterretjes van de sneeuw.
P... II.
| |
The Portfolio. Monographs on artistic subjects with many illustrations. Issued periodically. London, Seely & Co., Ltd., 38 Great Russel Street
Een biezonder soort tijdschrift, niet op gestelde tijdstippen verschijnend, in afleveringen van om de 100 bladzijden gewoon 8o formaat. Elke aflevering is een afgesloten werk, volledig op zichzelf, en handelt over éen bepaald kunstenaar. - Al dadelik wil ik zeggen, dat deze uitgaaf tot de beste behoort, die ik in die aard ken, niet enkel door de overvloed, maar vooral door de biezondere verzorgdheid van de platen, evenals door de ernstige, sober gestelde tekst. - Onder de talrijke nummers, die nu sedert 1894 verschijnen, merkten we vooral op Rembrandt's Etsen door P.G. Hammerton, - reeds in een vroegere jgg. besproken en aanbevolen, - en Dürer door Lionel Cust. Deze laatste wordt in twee afzonderlike afleveringen behandeld, de ene, van November 94, behandelt zijn gravuren, de andere, van Januarie 97, zijn schilderijen en tekeningen. Die twee zijn verkrijgbaar, samen gebonden, a 7 shilling 6 pence en vormen samen een zeer uitvoerig overzicht van het reuzenwerk van de grootste van alle Germaanse kunstenaars. Biezonder aantrekkelik is The Portfolio door de prachtige helieogravuren, waarvan er in elke aflevering drie of vier te zien zijn. - Het vleugelstuk van 't Baumgartnerse triptiek b.v. is vlakaf bewonderenswaardig; zo ook 't bekende portret van Michel Wolgemut, terwijl de in helieogravuur weergegeven koperplaten haast zo mooi zijn als de oriezjienelen zelf. Maar ook de gewone tekstillustrasies zijn ongemeen welgelukt, en wat een heel buitengewone verdienste mag heten, veelal onder de min-bekende uitgekozen, zodat elk nummer van The Portfolio, hoe bekend de behandelde artiest ook zijn mag, toch altijd wat nieuws, wat interessants te zien geeft.
De laatst verschenen aflevering (nr 35, Januarie 1898) handelt over Rubens.
| |
| |
Als frontispies een prachtige helieogravuur naar het portret van Jacqueline de Cordes en verderdoor een naar de weelderige Jardin d'Amour van Madrid, benevens een dertigtal zinkografiese reproduksies naar schilderijen en tekeningen. - In volle vertrouwen mogen we zeggen, dat The Portfolio geroepen is, om de grootste diensten te bewijzen aan al degenen, die zich op de studie van de kunstgeschiedenis toeleggen.
P... II.
| |
L'Ermitage, 5, mei, 1898.
Een zeer aantrekkelik nummer! Het brengt ons, benevens mooie verzen van Delbousquet, Guérin, Crussard, Roucau, en de gewone, overigens belangwekkende kronieken van Davray, Ghéon, J. des Gachons en Bidou, de zeer goede vertaling van het eerste deel van een voortreffelike Keltiese vertelling van Fiona Macleod, Cravetheen le Joueur de Harpe, en een ondanks meer dan éen paradoks zeer eignaardige, en goed gestieleerde prozabijdrage van Hugues Rebell, Judaïsme et Révolution.
Een portret van Henri Mazel door Jean Veber en een lief akwarelletje, Paysage, door Andhré des Gachons, versieren de aflevering.
|
|