Boekbeoordelingen
Hendrik de Marez. De Bruid van Quinten Metsys. Een verhaaltje in drie bedrijven. Nederlandse Boekhandel, Antwerpen
Op twee biezonderheden dient degene, die dit boekje billik wil beoordelen, acht te slaan. De eerste: de schrijver geeft ons geen toneelspel, maar een verhaaltje; de tweede: het werk draagt het jaartal 1894. De eerste vrijwaart de schrijver tegen het mogelike verwijt: ‘dit is niet sceniek’ of ‘dat strookt niet met de teaterperspektief’; de tweede maakt het volkomen verstaanbaar, dat De Bruid niet zo goed is als ander, later geschreven dingen van de heer H. de Marez.
Nu, als verhaaltje zonder pretensie bevalt het boekje ons wel. Het is fris gedacht, vlot en prettig voorgedragen, en er zit humor in op meer dan éen plaats. Op de inkleding valt anders wel wat af te keuren. De personages spreken niet altijd zo natuurlik, als wij dat zouden wensen. De beeldspraak, waartoe zij hun toevlucht nemen, komt ons meer dan éens gezocht voor. Of vergissen wij ons, wanneer wij zinnen als:
‘Mijn harte woont in een wereld van smart, zoo groot, dat ik te vergeefs zoek naar een plaatsje voor rust en kalmte’, - ‘In mijn hart vlamt maar éen vuur, machtig als het Oosten bij dageraad, en al de zeëen van het Westen blusschen dien gloed van liefde voor Quinten niet uit,’ in den mond van Alijt niet op hun plaats vinden?
Dit is, menen wij, het voornaamste gebrek van het boekje: het moest naïever, veel naïever van vorm zijn.
Waarom heeft de Marez, die - wij zijn er zeker van -, voortreffelik Middelnederlands kent, zijn gesprekken niet wat archaïesties gekleurd? Dat zou zijn Quinten, zijn Laureyns, vooral Alijt zo goed ‘gestaan’ hebben.
Ook in de woorden van de andere personen, zelfs van de oude voedstermoeder Brigitte, komen zulke minder natuurlike uitdrukkingswijzen voor.
Op bl. 52 zegt de oude vrouw:
‘De droefheid zit (op uw gelaat) te pruilen boven de wenkbrauwen, gelijk een oude heks op een rots,’ wat ook als vergelijking bedenkelik is.
Op de taal zelf is niet veel af te dingen. Hekken voor hekkens, op bl. 28, en ‘er is u toch niets overgekomen’ op bl. 46 zetten wij op rekening van den drukker.