Zij wenschten maar, dat hij spoedig heen zou gaan.
- Hadde hij nu kunnen vragen?
Vragen! - Hij kón niet vragen.
Hoe had hij daar gestaan, vóor hen, als een schuldige vóor zijn rechters, het brein omklemd door onzekerheid, onrust; - het koude zweet hem boven de oogen uitbrekend, als hij had gepoogd te praten, en, - hoe laf! - te lachen, terwijl hij angstig blikte naar het gelaat van hen, die hem hadden kunnen helpen. Doch, hoe beter hij hen begreep, hoe verder zijn hart zich van hen had teruggetrokken. Dan was het hem eene marteling geweest daar nog langer te blijven; heengaan moest hij......
- Zoo, van den eenen naar den anderen had hij geloopen!
Op straat, als hij weer vrije lucht inademen kon, eerst, was het hem telkens een stond van blijdschap geweest, buiten te zijn, alleen, niet begluurd...; - maar dan kwam de herinnering aan vrouw en kinderen, thuis. - En hij had zichzelven gevloekt, zichzelven en de anderen; allen en alles, het leven, den tijd... Lijdende had hij door de straten gedwaald, gedwaald langs de uitstallingen der groote magazijnen, langs de wit-glimmende muren der rijke huizen; - lang had hij gedwaald door de straten, waar het razen der drukke menschen en het ratelen der rijtuigen zijn zenuwen folterden.
En stilaan toch was hij tot bij zijne woning gekomen. Och! Was niet in hem eene hoop, eene onnoozele hoop, dat er thuis wel iets kon zijn?
- Thuis was niets, - en hij had niets gebracht.
Zijne ellende wroegde hem als eene misdaad. Hij zag naar zijne kinderen: - in een hoek boog het kleinste zijn blond koppeken naar zijne spelende handjes en, zorgeloos, blonken zijne oogjes van geneugte; - het oudste, een jongetje, groot voor zijne tien jaar, zag hij peinzend naast de moeder zitten. Ook, steelsgewijze, blikte hij naar zijne vrouw, die het hoofd in de armen op tafel gelegd had: - een traan hing in hare oogen.
Stil was het in de kamer, en die stilte deed hem pijn als een diep verwijt, een verwijt, dat hij moest onderstaan, waarop hij niet antwoorden kon, moedeloos zooals hij daar zat, - een verwijt, dat aan hem kleefde als een bekwijlend gewas dat hij niet van zich afschudden kon.
- De vrouw begon zacht te weenen.
Het zweet kwam hem op de slapen; roerloos bleef hij, onmachtig iets te doen, dat haar troosten kon, dat hare tranen drogen zou.
Toen zag hij, hoe de oogen van zijn oudste kind zich afwendden, als zijne dwalende blikken zich aan zijn bleek gelaatje hechtten, en klaar verstond hij, in éens, hoe dit kind hem nu miszag, hoe het weinig achting voor hem voelde, omdat er armoede in huis was; hij verstond, hoe het dacht aan als-het-gróot-zou-zijn, hoe het geld verdienen zou, hoe het een sterke zou wezen en niemand om zich hulpeloos zou laten. - Kind! dat zijne voetjes nauwelijks verplaatst had buiten het huis, dat zijn ouderlijk huis was, waar gemeenzaam de vloer van bezorging was, waar het muren van bescherming waren; - kind! dat niemand kende dan moeder en vader, de menschen, die het meest het liefhadden, liefhadden zooals op aarde niemand het meer zou liefhebben....
Hij voelde zich een vreemde voor dit kind en ook voor zijne vrouw; een vreemde voor hen, met wie hij zijne dagen leefde, waarvoor van uur tot uur zijn peinzen bezig bleef; - een vreemde toch! want nu bedacht hij zooveel, dat in hem vergaard lag en waarvan ze niets wisten, waarvoor hij geene woorden wist, die het hun verklaren zouden...
- Ook zij droegen in zich dingen, die ze voor hem verborgen hielden!
- Hij leed, omdat zij hem niet kenden, omdat zij hem misachtten. Vreemd,