| |
| |
| |
Parijs in 1889
(Epigrammatiese fragmenten)
Vervolg, zie blz. 47
XXXIX.
Duitsland is manlik, maar jong. 't Volk heeft te weinig erinring,
Om, als het schept, met sukses vooraan te staan in de rei.
't Schittert door grondige kennis, door zijn wijsgerige denkkracht,
Maar jaagt de muze op de vlucht door het gekletter der spoor.
Later, wanneer het zal putten uit katakombiese voorraad,
Stormt uit dat land op ons aan wereldveroovrend de kunst.
| |
XL.
Weet gij wat kunst ik bewonder als onuitputlike energie?
Die van de galliese Frank, van het normandiese ras.
| |
XLI.
Wat het tentoonstelt, bewijst het! Dwaal eens door zaalrij aan zaalrij,
Alles van zolder tot vloer vol van de kunst van de dag.
Kijk het portret! Als getuignis, als een welsprekend getuignis
Van een kunstvaardig penseel boeit 't met hypnotiese macht.
Heengaan wil ik, en 'k keer; 'k ga, en toch moet ik weer stilstaan:
Zó trekt de kop in de lijst door 't geacheveerd modelé.
Maar zie de kleur - ze is ‘fané’. Zenuwen zijn er, gespierdheid,
Maar in 't armbloedig gestel bloeit geen fris manlike kracht.
Uit de verblindende lijst sproeit, als een douche van bontheid,
Alles ironies, u verf, verf in 't verbaasde gezicht.
Alles voelt vonkling van nieuwheid, zo als de slentrende stadsman
Zondags draaiziekig zich voelt in de nieuwmodiese jas.
Hier is geen adel van diepte, hier is geen erflike gloeiing,
Hier geen doorschijnende huid, waarin het leven warm jaagt...
Hier ligt geen rozige teerheid op het gelaat van de jonkheid,
Hier is geen afgrond te zien in het vrij rondblikkend oog.
Teekning en vorm zijn volmaakt; maar het strijklievend penseeltje
Deed wat de burgervrouw doet over het zondagse hemd.
‘Alles voor 't oog’, voor de kijk, te bewondren voor modiese koopers;
Maar voor rembrantiese kunst is 't onherstelbare slag.
| |
XLII.
Muren zie ik bedekt door grote taferelen; zó reuzig
Dat de rustlievende blik vruchtloos naar rustpunten zoekt.
Rustloos dwaalt 't oog langs Don Juan, die stijf als een ijspilaar stilstaat
Tussen het naakte geslacht, dat hem het heengaan belet;
Rustloos langs de Kajafaas, die zich uitrekken, slaapdronken,
Als in de harem de eunuuk 't schuifgordijn schort voor de zon;
Rustloos langs dansende dames, die zeer profaan musiceren
En langs het orgelspel heen van de gewijde muziek.
Ach, en zo dwaalt het maar rond, dwaalt het van 't een naar het ander,
Tot het een landschap ontdekt, waar het te rusten beproeft.
| |
| |
| |
XLIII.
Ja, zo zijn er wel velen! Ik noem Pelouze; dan die nog
Van Dameron en Demont; ook van Bernier en Damoye;
Die van Colin en Desbrosses. Ook is Dupré bezienswaardig,
Naast Poitevin, Luminais, naast Pointelin en Rapin.
Tanzi is ook noch te noemen. Dan Vollon nog met zijn visschen,
Dan Alfred Roll en Cormon, - Pelez, maar die geeft figuur...
Neen, wilt gij Frankrijk bewonderen, waar die bewondring verdiend is,
Ga naar de kunst van heel de eeuw, ga naar het ‘Art centennal.’
| |
XLIV.
Hier, in de vierkante hal, onder het welvende ronddak,
Legt met hypnoties geweld alles u ketenen aan.
Hier is 't of schuimende zee onder de staf van de zeegod
Plotsling versteende tot kunst, duizendvoudig van vorm.
't Is of de gletsjer, in 't ijl van de hel blinkende luchtlaag,
Langzaam zijn spits zag gespalkt tot een beelddragende kruin;
Of uit de kruimlige sneeuw boven de gangen in de ijsgrot
Vlokje hij vlok werd genoopt tot kristallijnen gewrocht;
Of ze in de zuivere lucht, hoog in de schoonschijne dampkring,
Joegen door ijsgrotgang heen tot aan het verre paleis
Waar, door de portikoos, bogen, arkaden en zuilen, pilasters,
't Oog reeds de gletsjerblink ziet, 't wit van zijn wislende vorm.
Plotseling staan we aan zijn voet, aan zijn brede moraines, een keiklomp,
Brokken van steen op en langs, over en onder elkaar.
Daar, door de toovrende roê van de bezielende kunstgod,
Zijn ze tot dieren gebootst, kunstig tot werktuig en mens.
Daar hebt ge 't tijdperk van steen, ziet ge de grimmige worstling
Van de reusachtige beer met de reusachtige mens;
Ziet gij de neger met list een olifant vangen in 't striktouw,
Ziet ge een gorilla een vrouw grimmig omknellen met kracht.
| |
XLV.
Ach! hoe staat alles dooréen! Wit marmer tussen bruin brons in,
Tussen 't afgietsel van gips grijze modellen van klei.
't Is, of de gletsjer-moraine eindeloos voortloopt. De blankheid
Wordt in haar zuiverste vorm roekloos gekrenkt door het grauw.
Marmer is Iezabel hier, en de hoge Vestaalse van klei slechts,
't Duifje gevormd uit het brons, uit terra-cotta de stier.
Maar, zie ik ginds Abélard? En zie ik er naast Héloïze?
En ook dat tweetal in brons? Ach, het is 't laatste vaarwel.
D'ijzerharde materie voegde bij 't ijzerhard heengaan...
Ginds staan ze nochmaals in klei... Daar heet de groep: ‘Séduction!’
| |
XLVI.
Zie, hoe menschlik de kunst is... Tegen Jeunesse et Chimère
Leunt een Anglaise en vergeet breekbaarheids kostbare stut.
Heel aandachtig beschouwt zij A. Suchelet's liggend meisje, - ook
Biblis veranderd in bron, lenig en rank van fieguur...
Nu zie 'k haar gaan naar Houssin's dansend meisje Esmeralda,
Dan naar Délorme's ‘Vérité’, die uit een spiegel voorspelt.
| |
| |
Zie, langs Marqueste's Cupido gaat ze stil lachend naar Amor,
Die met zijn pijl in gepeins de aarde ronddraait in zijn hand.
Chactas, Virginius zelfs, Hagar's en Ismaël's droefheid
Laten haar koud; George Sand ziet ze zoo min als Alcest.
Ook Diderot gaat ze langs en Benvenuto Cellini,
Pheidias loopt ze voorbij, kijkt naar Giotto niet om.
Waar gaat ze heen? Naar de Sage? Of naar Germain's Liefde-godheid?
Neen, naar die andere Amour, daar, qui préside à l'Hymen.
En ze beschouwt met veel ernst het knaapje dat, nuchter oudmannig,
Boven de schotel met goud op de opgetrokkene knie
Heimlik geniet en berekent, wat of in het zakkental inzit
En of het loont zich de wiek daarvoor te korten ter vlucht.
| |
XLVII.
Ach, hier staat alles dooréen, kunst van Chaudet en Barye,
Kunst van Clodion en David, kunst van Dumont, Foyatier,
Kunst van Giraud, Géricault, kunst van Houdon en Lemaire,
Kunst van Julien en Pajou, kunst van Roland en Pradier.
| |
XLVIII.
Ha! mij boeien Corot's geborstene tronken, zijn boomstam,
't Druipende licht op 't fluweel van zijn gebladert in 't bos.
't Vrouwtje met paarlen trekt me aan; méer mandoline-bespeelster,
Tevens het vrouwtje in het rood, tokkelend op de gitaar.
Verder zijn Biblis, zijn nymfen, zijn faunen, zijn baadsters, Diana,
't Oversteken van 't wed en zijn steil stijgende weg.
Dan noch zijn meren, zijn vijvers, marmer-paleis en terrassen,
Napels' bekend territoor, Como's bevallige stad.
Zijn 't schilderijen of studies? Vluchtig misschien of lang blijvend?
Ach, hun oorspronklik kasjet grijpt u poëties in 't hart.
Overal ruist poëzie, ruist uit het vallen van d'avond,
Uit een roodgloeiende zon door een paarsdampige lucht,
Ruist uit de morgen, die neevlig aangesneld noch zo droomrig
Straks zich in helderder lucht tot een nieuw leven ontplooit...
Zie, welk een wondere weekheid, gloeiing en diepte van kleurkracht
Spreekt uit Courbet's kloek penseel, uit zijn ‘Steenbrekers’ vooral.
Hier werd de groenheid van tinten met een fluwele bedekking
Tot elegie voor de ziel en tot een balsem voor 't oog.
Hier doet zijn slapende spinster aan d'arbeid denken, zo droomrig,
Denken, waar 't besje van Maes te allen kant heen in vervloeit.
Hier is zijn zwijn op de sneeuw helder als 't winterse wreer is
En is het stoflik gewaad één met de jagende ziel.
| |
XLIX.
Ach, van Corot en Courbet naar François Daubigny heen
Is een verruklike stap. Hij geeft rivier-oevers fraai,
Schildert de stroming gevoelig, schildert ze in stemming van 't voorjaar,
Of in het dorrend gewaad van de losbindende herfst.
| |
L.
Elders Rousseau... 't Is de schilder, die ook het waterrijk landschap,
Rietrijke Oise-zoom, gaarn nederzwirrelt op 't doek...
| |
| |
Merk, hoe elk trekje en elk veegje spreekt van gehoorzame diening,
Merk, hoe 't gehoorzaamt, 't penseel, aan de bezieling, die schept.
| |
LI.
Hier uit echt manlik gevoel rolt zich de schaûw zonder goudkleur
In de doorvochtigde lucht van de halfzomerse dag,
Vloeit rond het effen détail, zonder te wissen aan de omtrek:
't Blaadje, gekarteld en rond, glanst van de vonklende dauw.
Keurig in 't klein en toch groots vertoont zich de barstige boomstam,
Grijpend met hoekig getak diep in de doodstille lucht.
't Mossige groen rilt niet weg achter verzengende lichtstroom,
Als een geregelde klok loopt het gehoorzaam penseel.
Dit zijn de luchten van 't noorden, dit zijn de nevels, de flitsen,
't Grillige komen en gaan van een onzuidlike zon.
Nergens fantastiese vormen, nergens-fantastiese kleuring,
Faun en satyr en nimf geeft dit penseel niet te zien.
Eindloze lanen en stammen; popels rechtop in hun wilskracht,
Platte massaas hel groen vlak tegen lichtende schaûw.
Vrij alledaags is de tinting; toch glanzend zacht; soms doorzwijmeld
Van de bacchantiese vreugd van het wijd stromende licht.
Hutten verbeeldt hij en brugjes, bootjes, verdronken wijd weiland,
Hoeven en eiken en herfst in het Bois Fontainebleau.
't Parkwachtershuisje penseelt hij en ook een eenzame henglaar;
Morgen en avond; almeê 't zinken der bloedrode zon.
Hier spreekt natuur in haar grootheid; tevens in waarheid en eenvoud,
Zó als de schilder haar grijpt met zijn gevoelige ziel,
Zó als hij vormen en vlakken, lijnen en kleuren aanéénsmelt
Tot een onscheidbaar geheel door het gevlam van zijn kunst.
| |
LII.
Kijk, hoe hartstochtlik Descamps! Hartstocht spreekt uit zijn schoolkind,
't Wild buitlend knaapje, gebronsd door een verzengende zon.
Hier is de schaduw als purper onder fluweelzwarte dekking,
Is als de roes van de faun, die naar de bosnimfen grijpt.
En met wat reuzige kracht gloeit hier de strijd van held Simson,
En in wat hitte zit Job neer met zijn vrienden en praat!
| |
LIII.
Hartstocht heeft Diaz niet minder. Hartstocht spreekt uit zijn jachthond
En uit zijn wild, uit zijn loof, uit zijn doorkloofd eikehout;
Ook uit zijn bospad, zijn onweer; ook uit zijn liefdeverklaring,
Tintlend van vuur bij de stam van zijn Bois Fontainebleau.
| |
LIV.
Ginder dat schaap! Levensgroot! 't Meisjen, er achter - druk scheert zij...
't Trok mij reeds lang. De fauteuil is op het ogenblik leêg.
Zal ik er heengaan? Te laat. Daar strekt zich de Anglaise, de jonkvrouw,
IJskil neer in de stoel, waarnaar zolang reeds ik snak.
'k Zet mij in wanhoop nu neer vóor het portret van een grijsaard,
Vóor het potret van Le Page, achtbaar natuurlik en waar!
Ja, ik erken: groot talent spreekt uit zijn doeken, spreekt duidlik,
Spreken, dat klinkt in mijn oor als onfatsoenlik geschreeuw.
| |
| |
Zie nu Millet... Ach, hoe groot is hier de bescheiden verdwijning
Van zijn persoon in zijn werk, van zijn penseel in zijn kleur!
Juist zo als ginder die boer stil-mijmerend rust op zijn werktuig,
Rustte Millet in zijn kunst. De éénheid van beide is volmaakt.
Zo als van verre de maanschijf over de schapen haar licht stort
Stortte hij 't licht van de kunst diep uit zijn liefdevol hart.
Zie, met de zorg, waarmee boeren hun kalfje verplegen, lauwjong noch,
Kweekte hij 't vuur van de kunst in zijn gevoelig gemoed.
En, zoals hij van de boomstam Oedipus losbond, ontbond hij
Elke verganklike drift van zijn diep-zeeïge ziel.
Hier jaagt geen amor symbolies nimfen en faunen het bos in;
Hier glipt als bruidsring geen zon af van de hand van de dag!
|
|