De Vlaamse School. Nieuwe reeks. Jaargang 11
(1898)– [tijdschrift] Vlaamsche School, De–
[pagina 133]
| |
![]() | |
De Kristuskop uit het drieluik van Quinten Matsijs in het Antwerps MuzeumGa naar voetnoot(*)![]() HET is méér dan belangstelling voor een merkwaardig schilderij, wat ons aantrekt in het triptiek van Quinten Matsijs; méér dan bewondering voor een groot kunstwerk; méér dan geestdrift voor een ongeëvenaard meesterstuk: het is liefde, een innige verering, zoals men die alleen gevoelen kan voor dingen, die nauw, nauw aan 't hart liggen. Ze is niet eens beredeneerd, ja wellicht niet eens heel en al te rechtvaardigen - men zou kunnen betogen en weerleggen, met passer en lieneaal meten en berekenen, en zonneklaar bewijzen, dat er in het schilderij honderd fouten zijn - maar ach, wij zien die niet - we zouden 't zelfs niet durven, oneerbiedige blikken op het heiligdom te slaan - we kunnen enkel liefhebben, met de kinderlike toewijding, met de onbewuste verkleefdheid, die niet weet of niet vraagt hoe en waarom, die enkel maar bemint, met hart en ziel! We hebben van kindsbeen af de ‘grote Quinten’ leren zien en genieten. Door zijn epiese kracht, het dramatiese van de voorstelling werkte hij reeds op het jonge ontvankelike gemoed en liet er een diepe indruk na. Die indruk rijpte en ontwikkelde zich met de jaren, | |
[pagina 134]
| |
stemde tot inkeer en overpeinzing, en groeide tot hartstochtelike bewondering. Van heel verre, uit andere zalen van het muzeum, bespeurt men het door het deurportaal heenGa naar voetnoot(*), heel eventjes maar, een geflonker van kleuren, en men weet het al, men wist het al op voorhand, dat men er fataal heen moet, dat er geen kwestie meer van is, links of rechts af te dwalen, men moet rechtdóor, er naartoe, willens of niet.., het heeft u vastgegrepen en trekt u aan, onweerstaanbaar..., tot men er vóor staat, en de ogen zich maar niet verzadigen kunnen aan al die heerlikheid, en 't gemoed overloopt van stille aandoening, en men zou willen bidden van liefde en dankbaarheid..... Honderd andere stukken in het muzeum mogen ons aantrekken en doen bewonderen, ja dwepen - geen enkel echter brengt ons zó in vervoering als dit van Quinten. Het is een betovering, een bedwelming, er waait als een adem van bloemen uit, die ons wegvoert naar een verre wereld van enkel mooiheid en liefde. Of die hoogste uitdrukking van sentiment, die uiterste volledigheid van harmonie door een enkel ander schilderij geëvenaard werd, weet ik niet. Vast werd het, in zijn aard, nooit overtroffen, want bóven dit, kan men zich niets denken, hoger adel van ziel gevoegd bij hoger adel van vorm en kleur kan op aarde niet bestaan. Quinten was dan ook de opperste openbaring van de Vlaamse Kunst in haar heerlikste bloei, die met de van Eycken begon om na Matsijs ‘in den machtigen stroom van het Italianisme te verdrinken’Ga naar voetnoot(**). Uit het Zuiden bruiste het aan: een lauwe wind, bezwangerd met ekzotiese walmen, woei over het stille droomland van Vlaanderen, ontvlamde de gemoederen, en sleepte alles mee in het nieuwe, uitbundige leven door de ideëen van de Wedergeboorte geschapen. Maar ver boven die woeling van hartstocht en weelderigheid, kenmerk van het nieuwe tijdvak, troont de sublieme Quinten, als omstraald door een aureool van heerlike sereniteit. - Hij is de laatste van zijn ras, maar tevens de schoonste. Hij sprak het laatste woord, dat in zijn tijd kón gesproken worden; en in die zin mag het wel een geluk heten, dat na hem een geheel nieuw geslacht van kunstenaars geboren werd, daar hij tot het hoogste punt van zijn weg gestegen was, en geen groter volmaaktheid kon bereikt worden. Voor de studie van de kunstgeschiedenis is dit stuk dan ook van het grootste gewicht. Het is een keerpunt in de grote evolusie van de vijftiende en zestiende eeuw, een allereerste voorbode van de Vlaamsrenaissance kunst. | |
[pagina 135]
| |
![]() KRISTUSKOP UIT HET DRIELUIK VAN QUINTEN MATSIJS
| |
[pagina 137]
| |
![]() HET FEESTMAAL VAN HERODES
![]() DE MARTELIE VAN St-JAN
Zijluiken van het triptiek van Quinten Matsijs De invloed van deze beide richtingen zou tot in de kleinste bijzaken op te sporen zijn. - De ziel zelf is gotiek, zo gotiek als ze zijn kan; de schildertekniek evenzeer. Enkel in de vorm en hier en daar, in zekere draperijen en in de wijze van groeperen is een andere invloed merkbaar. En met zekere voldoening stellen we vast, dat hij 't schoonst is, waar hij heel gotiek blijft. Zo is zijn hele lijdende Kristus een meesterstuk van zuiver gotiese kunst. Het is de echte Man van Smarte, vermagerd en verstramd door het lijden, uitgeput tot het laatste toe, en toch met een onbeschrijfelike ekspressie van berusting en hoop op het goddelik aangezicht. Dit Kristushoofd, het ware brandpunt van het hele schilderij | |
[pagina 138]
| |
Quintes Matsijs - DE GRAFLEGGING
(Middenstuk van het drieluik) hebben we voor ‘De Vlaamse School’ op weinig minder dan ware grootte laten fotograferen. Alhoewel er door de reproduksie veel verloren is gegaan, blijft het een, in déze vorm, geheel nieuw dokument voor de studie van Quintens meesterstuk, de parel uit ons Muzeum.
Pauw II. ![]() Nota. Over de geschiedenis van het drieluik ontlenen we de volgende inlichtingen aan de werken van Max Rooses en F. Jos van den Branden: Het stuk werd in 1508 door Quinten geschilderd voor het Ambacht der schrijnwerkersgilde, ter versiering van haar altaar in O.L.V. Kerk, te Antwerpen, tegen de prijs van 300 gulden,Ga naar voetnoot(1) betaalbaar in drie termijnen. In 1582 werd het door de Stad van de Gilde afgekocht tegen een jaarlikse rente van 50 gulden, toen het stuk op het punt stond aan Koningin Elisabeth voor 8000 rozeroebels (64000 gulden) verkocht te worden. Het werd toen naar het stadhuis in de Staten-Kamer overgebracht. Bij deze gelegenheid werd het ogivale | |
[pagina 139]
| |
paneel rechthoekig gemaakt en werden de bijgevoegde delen met lucht en wapenschilden bemaald. In 1589 keerde het terug naar O.L.V. Kerk, waar het in een nieuwe lijst gezet werd. Het versierde er het altaar van het Magistraat. In 1798 werd de kerk door de Franse republiekeinen geplunderd, en het stuk, met het hele marmeren altaar en twee koperen deuren op de koop toe, aangeboden voor 600 franks. Willem Herreyns gelukte er in het te doen overbrengen naar het klooster der verjaagde Discalsters. Van daar ging het naar het oud Muzeum. In 1868 werd het op last van het stadsbestuur hersteld en de bijgevoegde delen werden weggenomen. In 1890 werd het eindelik met de algemene verandering van lokaal, naar het Nieuwe Muzeum overgebracht. - Gedurende al die tijd moet het stuk veel geleden hebben. Behalve de bijvoeging van verschillende delen werd het op sommige plaatsen overschilderd en onbehendig hersteld. In de archieven der stad berusten tal van oorkonden die er van getuigen Gelukkiglik zijn de hoofdfiguren nagenoeg ongeschonden gebleven, en ziet het geheel er noch uiterst fris en helder van kleur uit. ![]() |
|