L'Ermitage, 1-2, 1898.
Dienen vooral opgemerkt: Tristan Klingsor over Stuart Merril en z'n verzen; H.-D. Davray over Fiona Macleod en de wedergeboorte van de Keltiese kunst en letteren; Gide, een uitstekend gedacht A propos des Déracinés de Maurice Barrès, en éen deel van La Fin du Borgia, door Rodolphe Lothar.
Van de illustrasies vermelden wij: Dhurmer, Fille à la Médailte; Vibert, Crépuscule, houtsnede; acht oude tekeningen voor de Songes drôlatiques de Pantagruel, en - lest en best - Doudelet, Soir en Flandre.
In 3-4, Maart-April te lezen: Sur les nouvelles Ballades de Paul Fort, een bladzijde goede, gezonde krietiek van R. Boylesve; een uit nr 3 van Pan vertaalde bijdrage van O.V. Schmitz, Les Vêpres de l'Art; het vervolg en het slot van La Fin du Borgia, vertaald uit het Duits van Rodolph Lothar door J. des Gachons; een uitgebreid gedicht, Phocas le Jardinier, dat Vielé-Griffin een essai psychologique betietelt, doch dat ons, persoonlik, zijn vóor jaren reeds verschenen dramaties gedicht, Ancaeus, niet zal doen vergeten; een opstel van Ghéon over Les Poèmes de Ducoté, en verder een menigte verzen, schetsen en besprekingen.
Als platen zijn te vermelden, twee uitstekende portretten door Jean Veber van Vielé-Griffin en Ducoté, dat van Edvard Munch door hem zelf, een plakkaat-ontwerp, Le Parfum des Iles Borromées, heel lief, van Fougeray du Coudray, Marie van Bradley, en A La Fontaine van Berthon.
L'Ermitage is en blijft een van de aangenaamste uitgaven, die wij kennen.