| |
| |
| |
| |
Boekbeoordelingen
Aus Worpswede, neue Folge, 1897, 12 Radirungen von Hans am Ende, Fritz Mackensen, Fritz Overbeck und Heinrich Vogeler. Buch- & Kunstverlag von Fischer & Franke, Berlin
‘Aus Worpswede’.....
Herinnert de lezer van De Vlaamse School zich noch wel die zo bescheiden en tevens zo echt Nederduits klinkende dorpsnaam?
Zo ja, dan zal hij ook noch wel weten, dat Worpswede de plaats is. waar, onder meer andere beoefenaars van het schone, zeker kunstenaar verblijft, aan wie een van ons, noch geen jaar geleden, in deze kolommen een opstel wijdde, waarvan wij zo vrij zijn in het voorbijgaan te verklaren, dat het niet tenemaal vreemd is gebleven aan het verschijnen van andere dergelike artiekels over dezelfde jonge meester, o.a., in The Studio van noch zeer onlangs, namelik - de uitnemende dichter-etser Heinrich Vogeler.
Zulk een lezer hoeven wij dan ook wel niet eens te zeggen, dat al wat onder het etieket, Aus Worpswede, tot ons komt, op voorhand al mag zeker wezen, dat wij het met belangstelling en liefde ontvangen zullen. Is het dan tevens zo goed en degelik als wij het van talenten als Vogeler en zijn kameraden met het volste recht verwachten mogen, dan kan ons niets ter wereld even aangenaam wezen, als dat Worpswede-werk niet alleen voor ons zelf welkom te heten, maar het ook noch aan anderen bekend te maken.
Met de uitgaaf nu, die wij hierboven aankondigen, is dit volkomen het geval. Deze Mappe, - nu al de tweede, welke de Worpswedenaren sedert anderhalf jaar lieten verschijnen, - bevat zulk voortreffelik werk, dat wij, om er een denkbeeld van te geven, tevergeefs naar een Zuidnederlandse uitgaaf zoeken, die waard zou zijn, er mee vergeleken te worden.
Alleen uit Noord-Nederland zijn ons een paar albums etsen bekend, die in het opzicht van de uitwendige uitvoering even degelike dingen bevatten, al staan zij dan toch door de band heel wat lager, wat aangaat vinding en poëzie.
Wat de Worpsweder-artiesten ons geven, is zeker ook wel flink en krachtig gedaan, werk van mannen, die, het ambachtelike van hun kunst volkomen meester, niet alleen kunnen maar daarbij ook durven; het staat tevens heel wat hoger dan het werk van de meeste Hollandse en Vlaamse etsers, die zich veeltijds tevreden stellen, een of ander schilderij, een of andere tekening weer te geven, zelfs zonder ze te vertolken, of, zo zij geheel oorspronkelik willen zijn, eenvoudig, zo reëel mogelik, het zonder veel keus in de natuur geziene reproduseren.
Niet zó Vogeler en zijn vrienden! Zij beoefenen de etskunst bijna gelijk men muziek of poëzie beoefent: ófwel zij gaan te rade bij hun fantazie, en vertellen en zingen van al wat de wonderwereld, waarin poëten zo gaarne leven, te zien en te genieten geeft, ófwel zij gaan uit van de natuur, maar om ze te vertolken, te vermooien, om ze tot een spiegel te maken van hun eigen ziel of van die van hun modellen.
Dat ik mij niet vergis, bewijst haast elke van de dertien platen, die, het zeer mooie tietelblad erbijgerekend, in dit omslag voorhanden zijn, evengoed de portretten Kinderköpfchen van am Ende en Jan van Moor van Mackensen als de landschappen Worpswede van Overbeck of Birkenwäldchen van am Ende. Zie b.v. maar even dat oude vrouwtje, hier, op het tietelblad. Dat is meer, veel meer en veel beter dan naar de stoffelike natuur, dat is ‘naar de ziel’ gedaan! Dat vrouwtje leeft, ademt, verhaalt ons, tot in het minste rimpeltje van haar innemend, goedig gezicht, tot in elk blesje van haar grijs en dunwordend haar, van haar leven. Zo ook Jan van Moor, een kranige boerenfieguur, de man van het harde, afmattende, doch de ziel als de nerven stalende werk op het land in een niet overvruchtbare
| |
| |

AVOND IN HOLLAND, naar een schilderij van Courtens
| |
| |
streek, - zo mooi als hier alleen Jakob Smits dat zou kunnen.
Worpswede, zegt Overbeck, doch geen fotografie geeft hij ons van zijn kleine dorp; ik wed, dat hij naar die huizen, wegen, bomen maar amper heeft gekeken, toen hij zijn ets maakte. Hij toont ons zijn Worpswede, zó als het leeft in zijn dankbaar gemoed, in een droom.
Mackensen brengt ons in een boerehut, een ruim vertrek, donker, berookt, haast zonder enig licht; bij het haardvuur op een laag stoeltje een arbeidend vrouwtje; heel in het midden van de overgrote, ledige kamer, een vat; een zonnestraal valt, schuins, uit een klein, smal venstertje, achter een pijler verborgen, op de vloer. Anders, geheel anders dan Israëls, maar met deze verwant. En het stoffelike is in dit laag-bij-de grondse binnenhuis als zelf van de stof ontheven: éen stemming van diepe, eeuwige weemoed, doch opgeklaard door de lach van wat licht, ademt uit het geheel.
Vogeler's drie stuks zijn heerlik: Die Lärche, niets dan een fragment van een boomstam, met wat afhangende, grote takken, terwijl achteraf een heel woud zich laat vermoeden. Frühling, de heuvel op, begroeid met grote, wilde bloemen, onder de takken van een mooie boom, gaan, elkaar omarmend, alléen op de wereld, een jongen en een meisje: ‘Im wunderschönen Monat Mai wenn alle Knospen sprangen -’ onweerstaanbaar herinnert de plaat aan dit lied. Dornröschen vooral is een droom! Niemand, niemand, noch Doré, noch - ja, noem ze maar allen, die dit oude, oude onderwerp behandelden, - verplaatste ons zo dichterlik en waar in zulk een ver, ver verleden; niemand gaf de verbazing, de linkse verrassing, het niet weten hoe men 't nu heeft, van de ridder, die de schone vond, zó naïef en mooi weder als Vogeler. Overigens, heel 't sprookje leeft in de kleine krabbelingen, waarmee hij, als met een rand, deze hoofdscène omringde.
Hans am Ende schijnt wel, van vieren, noch het meest van realieteit te houden. Altans in zijn Moorlandschaft, die ik toch zeer mooi, en Birkenwäldchen, dat ik nochtans minder mooi vind. Kinderköpfchen staat echter hoger: met zo heel, heel weinig is dit aardige tronietje geschetst en het kijkt toch zo levendig, zo vrolik de wereld in...
Am Ende zal ook wel een dichter worden.
Deze dertien, door Otto Felsing te Berlijn meesterlik getrokken platen zitten in een stevig kaft, waarvoor Vogeler een tekening gaf.
Het geheel is uiterst voornaam, en moest, ook hier in de Nederlanden, door velen, velen aangekocht worden.
P.d.M.
| |
Roland de Marès, Baisers d'Avril, Baisers de Sang, 1897. Bij de schrijver, Brussel.
Een achttal vertellingen van ongelijke waarde. Het meest bevielen ons Le Porteur de Torche, Adjard, L'Enfant de Neige, en ook, ofschoon wat minder, Noël mystique, waarvan ons de uitvoering niet geheel op de hoogte van de vinding voorkomt. Bij de andere drie is dit ook wel enigsins zo, zij troffen ons toch door een dramatiese kracht en een plastiesieteit, die dit vierde wel wat ontbeert. Overigens is het gehele boekje het werk van iemand, die beschikt over een niet gewone rijkdom van fantazie, die noch ten minste iets in zich heeft van die - naar 't schijnt - wel wat zeldzaam geworden kracht, om zelf wat te vinden, in zich zelf wat te zien gebeuren, te fantazeren, te dichten dus, en die tevens de nodige talenten van vorm bezit, om het aldus gevondene te verwerken tot een treffend, sugzjestief tafereel.
Ik geloof vast, dat deze laatste talenten bij de heer De Marès noch vatbaar zijn voor ontwikkeling, ja, dat hij wellicht in later jaren zelf zal verleid worden, om een onderwerp als Le Porteur de Torche niet alleen breder, maar ook krachtiger, intensiever uit te werken.
Dit is echter al veel: ook zó als zij nu zijn, maken deze beelden op ons dezelfde uitwerking als heel sterkgekleurde schilderijen, wel een bewijs, dat wij hier te doen hebben met iemand, die er komen zal.
Hoe jammer, dat deze Vlaamse jongen - de heer De Marès is, menen wij, een geboren Hasseltenaar, -de gelederen van
| |
| |
onze nasjonale letteren niet is komen versterken... Wij verhelen het niet, dat wij de Frans-Belgiese letteren elk Vlaams talent als het zijne van harte benijden.
| |
A Book of Images, drawn by W.T. Horton & introduced by W.B. Yeats. London, Unicorn Press, VII, Cecil Court, St.-Martins, MDCCCXCVIII
Horton - wie kent er, in onze Nederlanden, W.T. Horton?
Zeker wel niet velen!
Reden te over, om dit heel aardig boekje, waarin wij kennis maken met drie en twintig welgeslaagde wedergaven van tekeningen van zijn hand, van harte welkom te heten.
Horton is een van die uitzonderings-temperamenten als Munch, Hermann, de pas overleden Beardsley, Whistler, Ricketts, Shannon. Niet, dat hij met deze allen veel gemeens zou hebben; toch niet! Alleen aan Whistler en aan Munch doet hij wél denken: aan Whistler, dunkt mij, in zijn vertolkigen van werkelik geziene, met de lichaamsogen geziene dingen, aan Munch, in de uitdrukking van zijn gevoelsfantazieën.
't Is vreemd, hoe Horton, in tekeningen als The Canal, Notre Dame de Paris, Trees Walking, La Rue des Petits-Toits, zonder éen lijn of éen vorm van de wezenlikheid te iedealiezeren, er toe komt, om, alleen door de wijs van tekenen, een indruk van onstoffelikheid, van gevoel, te weeg te brengen. Dit is het, waardoor zijn tekeningen, naar het mij voorkomt, met de schilderijen van Whistler verwant zijn.
Het belangwekkendst is Horton echter in zijn fantazieën: The Wave, Nocturne, The Gap, The Viaduct, The Path to the Moon.
The Wave: hemelhoog rijst in dreigende krulling de reuzenbaar, wordend, in haar groeiend groeien zonder eind tot een muil, die, na éen enkel ogenblik, zal verslinden met burgt en tempels de grote reuzenstad, die daar ligt aan haar voet, zo klein en zo machteloos, een gemakkelike prooi!
The Gap doet iemand kippenvleesch krijgen. Wie vertelt ons de angsten van de mensjes, die daar gebouwd hebben op de naar elkaar hellende, elkaar echter nimmer rakende, uiterste randpunten van twee zenit-hoge rotsen, waaronder in ongenaakbare diepte een afgrond gaapt?
In andere tekeningen is Horton een simboliest, en wel een in de aard van de Duitse simboliest, Sascha Schneider, over welke De Vlaamse School eerlang uitvoerig zal spreken. All thy waves are gone over me mag wel wat vaag zijn, heel goed zijn The Mammon, Be Strong, The Angel of Death.
Van zijn vindingskracht geven een zeer gunstige gedachte enkele platen, waarin hij de meest versleten van alle onderwerpen geheel verjongt. Zijn St. George, zijn Sancta Dei Genetrix, zijn Assumptio zijn wellicht de mooiste stukken uit het hele boek.
De inleiding van Yeats is lezenswaardig, en - voor wie er minder goed van op de hoogte is - een nuttige verklaring van wat het simbolisme eigenlik beoogt.
| |
The Giant Crab and Other Tales from Old India, retold by W.H.D. Rouse, ill. by W. Robinson. Katawampus, its treatment & cure, by his honour: judge E. Abbott Parry, ill. by Archie Macgegror. Second edition, fourth thousand, London, David Nutt, 270-271, strand.
't Is niet de eerste maal, dat De Vlaamse School aandacht vergt vooreen of andere mooi-verzorgde uitgaaf van het Londense huis Nutt. Een paar jaar geleden bevalen wij hier noch Jacob's and Batten's Fairy Tales en Gomme's Singing Games aan. Bij deze werken nu hoeft The Giant Crab, waarover wij 't heden hebben, in geen opzicht achter te staan. Integendeel! De illustrasies, welke W. Robinson voor deze op zich zelf, ook voor folkloristen, belangwekkende sprookjes leverde, overtreffen zelf, naar ons oordeel, die van Batten voor More celtic Tales en andere werken. Zeker, dat ook deze vergelijking mank gaat, weten wij. Immers, de sprookjes, door Batten verlucht, verschillen vrij wat van deze uit Old India.
Waar gene hoofdzakelik dramaties
| |
| |
zijn, vertonen deze een bepaald humoristies karakter. Maar juist hierin schijnt W. Robinson ons zijn kunstgenoot te overtreffen, dat hij, beter dan hij, natuurliker, waarder, dit spesiefieke wist te doen uitkomen. Zelden, wellicht nooit, zagen wij even mooie interpretasies uit de dierfabelwereld dan hier.
Katawampus is van geheel andere aard. De auteur behandelt immers een kwaal van vele kinderen, waaraan hij de eigenaardig gevonden naam geeft van Katawampus, namelik: the contankerous fits which attack small and large children without any apparent cause..., m.a.w. dus, wat de Engelsen noemen fractionsness, en wij... lastigheid noemen.
Natuurlik moest het verhaal, waarin aard, gevolgen, nadelen van deze ziekte zouden worden blootgelegd, vroolik, ja komies worden. Dit is dan ook het geval, en moeilik zou het zeker zijn, een prettiger boek voor kinderen aan te treffen. Archie Macgregor is er in geslaagd, een reeks tekeningen te leveren, waarin alle eentonigheid vermeden wordt; er zijn er, die men komies-dramaties, andere die men drollig, andere die men zelfs ernstig zou kunnen noemen, en alle zijn het werk van een artiest, die niemand navolgt en naar sterk uitgesproken personalieteit streeft.
Boeken als deze zijn voor alle vrienden van de kunst een ware vreugd!
|
|