- Lies, kijk eens, 'k voel ze kruipen op mijn hoofd! kermde hij.
Polke had er zijn leute in, zijn broer alzoo te zien krauwen. Lowietje keek, Marietje ook, maar en zagen niets.
- Kom hier bij 't venster, zei Lies, 't is daar te donker. Zij zetten twee, drie bloempotten van de vensterbank, zij nam Fonskes hoofd in haar handen en keek van dichtbij. Zij trok de witte krulpezels recht en overging alzoo heel zijnen kop. Ja ze zag eerst éen beestje dat ze met de nagels op 't opene van haar hand liet vallen en het daar zag kruipen.
- 't Is eene luis, zei Marietje.
- Kijk! hier ook eene! riep Polke.
- En hier nog! nog! o, zooveel!
- Wel honderd!
Zij zaten allen met de handen in Fonskes haarbos te wroeten en nu zagen zij de beestjes rijden al alle kanten, - zijn kop krielde ervan.
Fonske hield zijn hoofd gebogen en huilde.
- Kijkt, hier is er eene die mastklimt op een haarke, schetterlachte Marietje. - Kijkt, ze valt eraf, en nu weer derop! toe!
- De kam, riep Lies, de kam! Haalt de kam, we gaan hem kammen!
Polke hield een stuk papier onder Fonskes kin en achter iederen trek reuzden de luizen uit zijn hoofd op 't papier.
Moeder kwam binnen met een drietand op den schouder en een pander aardappels aan den arm.
- Moeder, zei Lieske, Fons zit hekeldikte vol luizen!
- Moeder! Moeder! schreeuwde Fonske en hij keek drukkelijk in haar oogen om hulp.
- Luizen! riep moeder, gespeeld met vuile jongens?!
- Mete Vrange heeft op mijn hoofd gestreeld en dan is 't begonnen jeuken.
Moeder kwam bij en:
- God van den hemel, tierde ze, jongen wat hebt ge? - Ge zijt betooverd! G'hebt heur kwaad gedaan!
- Neen, moeder, - ik niet, d'ander jongens hebben steenen gesmeten.
- Hij heeft heur bij den neus getrokken, vezelde Polke.
In eenen wink was moeder de deur uit en achter Mete.
't Duurde vrij lang, als ze buiten vervaarlijk hoorden schreeuwen. De jongens gingen kijken en daar zagen zij moeder die Mete, bij 't herte hield en haar onbermhertig voortsleurde.
- Maar, believe 't u, wat peinst ge, vrouw! Ik uwen jongen kwaad doen, ik, eene arme sloore! kermde 't wijf.
- 't Is gelijk, leelijke, vuile tooverheks, en zij sleurde Mete tot bij Fonske, hier op staanden stond mijnen jongen genezen of 'k trek u brokke vaneen!
Mete beefde lijk een riet.
- En wat heeft de jongen?
- Ha, vraag me dat: luizen heeft hij, luizen, hij zit gruisdikke vol luizen! met uwen duivelsklauw hebt ge z'er in gesteken! en Mete kreeg een nieuwe, duchtige schudding.
- Believe 't u, in godsnaam!... 'k weet een remedie... 't zal gedaan zijn -: kook zoetemelk met rozemarijn en kantjoenbloemkes en wasch er den jongen zijn hoofd mede, vuurheet. De jongen heeft die vuiligheid betrapt, maar, zoo zeker als God leeft...
- Buiten nu! buiten met uw leelijke kunsten!
Mete ging en als ze heel ver was, keerde zij zich om en schetterlachte.
Moeder kookte melk met roozemarijn en kantjoenbloemkes en wiesch er Fonskes hoofd mede.