Elegie
O wanhoop in 't mysterie van dit leven
tevredenheid te vinden voor uw ziel,
arme geplaagde mensch, ten speelbal aan
de schokken van geweld'ge drift-orkanen,
gegeeseld als der wolken duist're schaar,
voortvluchtig langs de somb're najaarslucht,
als onheilsvogels zwevend boven de aard'.
Ahasverus, gij zijt der menschheid beeld,
onrustig jagend naar het onbekende,
beweeg'lijk, grillig, ontrouw; van 't genot
de trouwe dienaars, hunk'rend ál naar meer,
zoolang totdat iets anders weer verrijst,
zich stellend tusschen ons en ons verlangen,
en over onze harten heerscht - een poos,
zooals somtijds onze eig'ne smartrijke aarde
het zoet-mystieke licht der maan verdooft.
Wij zijn een arm geslacht, en jammer stijgt
uit onze woningen, en twijfel legt
zich op ons leger neêr, verzadiging
verzelt ons door het leven als een schim.
Wij droomen ons in onze kleinheid roem,
wij wanen ons in onze kleinheid groot,
wij bouwen 't huisjen op van onze hoop,
maar 't is van kaarten slechts, een flauwe zucht,
en als ons hopen valt als puinhoop neêr.
Wij hebben lief, o zeker, zweren trouw,
en sluiten eeuw'ge vriendschap, maar hoe snel
verraden wij niet vriendschap, liefde en trouw
voor 't geen waarnaar een nieuwe hartstocht drijft!
‘How weary, stale, flat, and unprofitable
seem to me all the uses of this world!’
Dit is der menschheid uit de ziel gelezen,
want waarvoor strijden wij? Wat is ons doel?
Waartoe zijn wij geboren? Wat is 't leven?
Een nijdig noodlot weert ons van 't geluk.
Wij zijn een arme, hopelooze schaar
en schrijden langzaam voort ten doodenbaar.
1891
|
|