De Vlaamse School. Nieuwe reeks. Jaargang 11
(1898)– [tijdschrift] Vlaamsche School, De–
[pagina 101]
| |
![]() | |
Hercules Seghers![]() GROTER bijna dan Rembrandt, groter bijna dan Ruysdael, met wie men hem overigens niet zou kunnen vergelijken, - ja, ik durf het beweren, al klinkt het vrij wel gewaagd, - groter bijna dan eén van die heél heél hogen, de allerhoogsten van de zeventiende eeuw, was deze arme, bij het grote publiek bijna geheel onbekende kunstenaar, die man van smarten, die mens van bijna onmenselik lijden, die in zijn tijd moest ondergaan, omdat zijn tijd hem niet begreep. De kracht van het woord begeeft mij bijna, bij al die rijkdom, die enige pracht, die pracht van kleuren, die rijkdom van lijnen; die mij bij de eerbiedige beschouwing telkens herinnerden, niet aan enige andere voortbrengselen van beeldende kunst, maar aan heel mooie, heel gedistingeerde verzen, aan verzen van Marie Boddaert, aan verzen van Kloos, aan het sonnet van de Zee, aan het lied van de Doden.
Zie deze viezieën van landschappen, als droomviezieoenen in de lucht, die openbaring, aan een eteriesreine kunstenaarsziel, van een realieteit, zoals hij die moet hebben aanschouwd in zijn dromen, - van lichtgrijs, door diepblauw tot het teerste zeegroen; - zie deze uiterst artistieke opvatting van boekenGa naar voetnoot(1), gele boeken met vroeg-Gotiese letters, half opengeslagen tegen een tere, zacht donkerblauw fluwelige grond.
Niemand weet hoe Seghers zijn effekten verkreeg, - niemand hoe hij de kleuren overbracht op het linnen, dat hij vaak, in de plaats van perkament of papier, voor zijn toverlandschapjes - voor zijn luchten gebruikte. Ik zag in de eerste van twee grote portefeuilles (de 74 prenten zijn | |
[pagina 102]
| |
over 2 grote portefeuilles verdeeld) 6 reproduksies van hetzelfde landschap, alle gehouden in verschillende toon. - Het eerste met een wolklucht, heel donkerblauw, waar een heerlik effekt van donder is verkregen door het enkele wassen in dezelfde kleur... Rotsblokken schijnen door de lucht te vliegen en een duistere zon, als een grote, ronde kogel, zweeft statig langzaam door de zwaarzwarte lucht... Op de volgende plaat zien wij weder die zon, nu in teer beigebruin, met lichtgouden randen. Ze drijft door een heldere, héél lichte kring en stroomt een zachte gloed over de zonlichte aarde... Op de volgende, in bronskleurig sepiabruin, is de ronde zon geheel verdwenen, het gehele aspekt van het landschap is veranderd en toch is hetzelfde onderwerp gebleven. Hier schijnt het te dromen in een wazige morgen, een heel lichte morgen vóór het opgaan van de zon, als het water vrolik voortstroomt in de goudschemer van de nieuwe dag, en het licht, noch niet geboren achter de zwevende wolken, zijn straalgordijn over de aarde spreidt. Op de vierde is het landschap licht-zeekleurig groen, heel teder groen, met grijs inde schaduw, en 't is of de droomfantazie van de kunstenaar een stralende fakkel in de lucht heeft gezien... Het doorschijnende groen wordt noch teerder, - heel licht, en in de allerlaatste van de schone sieklus, is alles heel teer, heel licht en heel helder, met zomerglans in de zonnige noen. Nu wordt ook het gehele landschap meer belicht, men ziet huisjes en boompjes op het achterplan, die op de eerste prent niet te voorschijn traden en warme stralen zweven over de rotsen en zonnetjes dansen op de waterval... Ik kan hier tot mijn spijt geen nummers opgeven, omdat in de twee portefeuilles in het Rijksprentenkabienet te Amsterdam, waarin ook de tekeningen van de Akademie voor Beeldende Kunsten zijn opgenomen, behalve op de weinigen, die door Nagler zijn beschreven, bijna geen enkel nummer is vermeld.
Van het leven van deze kunstenaar weten wij maar weinig. Volgens Bryan-Stanley in 1625 geboren, - zijn geboorteplaats schijnt niet met zekerheid bekend -, moet hij omstreeks 1650 in den Haag hebben gewoond en in 1679 zijn gestorven... Men meent dat hij een nieuwe graveerwijze heeft ontdekt - een heel fijn gedistingeerde, heel artiestieke manier, om landschappen op fijn lijnwaad overtedrukken, waarover zijn vrouw hem, volgens Houbraken, beknorde, omdat haar het geld voor nieuw linnen ontbrak. Het ontbrak hem trouwens bijna aan alles, - aan voedsel en kleding, aan het aller -, allernodigste... ‘So Hoogstraten melt in sijn Calliope, was hij een man van goed | |
[pagina 103]
| |
begrijp en oordeel, en overvloedig in menigerhande voorwerpen, die hij in zijne landschappen te pas bracht, zoodat zig in de ruime verschieten, hele landstreken met dorpen en gehuchten vertoonden. - Ook geestig in versieringen van Bergen en Rotsen, als in zijne schilderijen en printen te zien is. Maar 't scheen dat hij onder een rampspoedige planeet was geboren, want schoon hij zich benaarstigde met onvergelijkelijke ijver, zoo konde hij zijn ongeluk niet te boven komen... Hij moest tot zijn smarte zien dat andere, die zooveel kunste niet bezaten, hem vooruit draafden, terwijl hem door zijn droevig lot, de vleugelen als met zeelen waren gebonden - Zijn vrouw klaagde dat hij al het lijnwaat, dat er in hun huis was, verdrukte, en er zoveel niet van overschoot dat zij ander kon kopen en hij dus met zijn huisgezin in de uiterste armoe verviel. Sijn printen werden bij manden gebruikt in de vettewarierswinkels om er de boter en zeep in te beregten!... (Grote Schouburgh der Nederlantsche Kunstschilders en Schilderessen - Het IIde deel, door Arnold Houbraken, de tweede druk. In 's Gravenhage, bij J. Swart, C. Bouquet en M. Gaillard, bladzij 136. -) Immerzeel spreekt ook van dat gebruik van zijn prenten voor pakpapier, om de boter en de zeep, hetgeen echter door anderen wordt betwijfeld en mij ook onwaarschijnlik voorkomt als ik de weinige buigzaamheid van het lijnwaad of perkament, dat de kunstenaar bij voorkeur gebruikte, in aanmerking neem. ‘Het tans ongemeen zeldzame werk van deze meester, bestaande uit 15 oriegienele stukken, bevindt zich in de prentverzameling te Dresden. Op de verkoping van de Graaf van Fries werd voor een landschap en een riviergezicht van hem, onbeschreven bij Bartsch, 4100 gulden besteed. In Rembrandts nalatenschap bevonden zich verscheidene geschilderde landschappen van Hercules Seghers. - In 1704, waren in de verkoping van de schepen Pieter Six, 3 kapitale landschappen van hem, die niet meer dan 2000 opbrachten...’ J. Immerzeel, De Levens en Werken der Hollandsche en Vlaamsche Kunstschilders, Beeldhouwers, Graveurs en Bouwmeesters, eerste deel, Amsterdam J.C. van Kesteren, 1042. - Aan wie doet mij deze kunstenaar denken? - In de Nederlanden, in Duitsland ken ik er geen, die, al is hij hem ook niet verwant naar de arbeid, hem ten minste verwant zou kunnen zijn naar de geest. Rembrandt, zegt men, heeft aan zijn werk impressies ontleend en het schijnt vrij zeker, dat men in zijn nalatenschap onderscheiden stukken van de hand van Hercules Seghers heeft gevonden, maar toch Rembrandt zelf doet mij nergens aan hem denken, hij ziet de realieteit veel forser en manneliker - veel frisser wellicht - en - ik zou het | |
[pagina 104]
| |
bijna durven zeggen! - meer gewoon ook - veel meer menselik gewoon. - Neen, bijna twee volle eeuwen na hem, in een ander land, een land van tere, mysterieus-grijze luchten, van verfijning van lijnen en nevelig verschiet, heeft er vele, vele jaren in het begin van deze en het einde van de vorige eeuwGa naar voetnoot(1), een kunstenaar geleefd, die mij telkens en telkens bij het doorbladeren van die heerlike etsen aan onze Hollander, aan Hercules Seghers heeft herinnerd... Turner, - Joseph Mallord William Turner, is misschien geheel onbewust, misschien zonder dat hij ooit een werk van onze meester onder de ogen gehad heeft, de enige geweest die aan onze Hollandse meester naar de ziel, naar de arbeid, was verwant. Zonder dat hij motieven aan deze ontleende, zonder dat hij ooit wellicht die landschappen van droommooi onder de ogen heeft gehad, - herinnert mij de wazige teerheid van de komposiesie, de ijlheid van de lijnen - het donzige van de verschieten, het meest aan deze grote, Engelse meester, de eerste van de heel groten in die nu zo voortreffelike, zo heel hoog staande kunst, - een kunst van dichters, - een kunst van viezieoenen. Ik vermoed dat men de kunstenaar in zijn eigen tijd, - zijn vreeslike tijd van honger en ellende, toen hij zijn lijdensgeschiedenis hier op aarde heeft geleefd, gehouden moet hebben voor een kranke naar de geest. Tussen al die stoere portretten van poorters, van admieralen en deftige burgemeestersvrouwen, - heel levende beelden van heel levende mensen, - moeten zijn etsen, of hoe wij ze moeten noemen, gegolden hebben voor de droomviezieoenen van een lijder aan meningitis. Maar evenzeker als men met de dromen van het ontstelde brein een heerlikheid aanschouwd, die niet is van de aarde, evenzeker staat de kunst van deze arme miskende, zelfs nu noch miskend in onze tijd, die bijna van honger is gestorven in zijn land, hemelhoog boven al de konterfeitsels van blozende gedaanten en welgedane gezichten, hoe voortreffelik die overigens ook zijn gepenseeld. - En ik blader verder door de schone portefeuille en over mij komt een huivering van genot, - een genot, dat men alleen in het volmaakte kan genieten, van bloemen in de Lente, van sterren aan de hemel, van vriendelike schoonheid..., en onwillekeurig vouw ik de handen en aanbid. Immerzeel zegt, dat de kunstenaar veel heeft gereisd, maar ik voor mij kan dat moeilik geloven. Hoe ware dat te rijmen met de toestand van gebrek, waarin hij leefde, - waarin hij is gestorven? - Ja, ik zie rotsen, die mij aan Schotland herinneren, bergen van het Schwarzwald en groene dalen van de Rijn, zelfs de weelderigheid van de landen van de tropen, zooals ik ze dikwijls op afbeeldingen zag. | |
[pagina 105]
| |
![]()
Hans Memling. - MARIA MET HET KIND
Naar het schilderij uit het Antwerps Muzeum. | |
[pagina 107]
| |
Maar toch die landschappen zijn in mijn oog geen fotografieën - geen reële weergaven van de realieteit. - Ik zie droomlandschappen tussen die zwevende wolken, en droomrotsen als in een viezieoen van Fiona Mac Leod... Hoe heeft de artiest toch zijn effekten gekregen - dat schitterende licht en fluwelige blauw, zoals in die pijnboom op de pasgeploegde akker en op die eerste prent van die sieklus van zes?... Gewoonlik heeft hij alleen het landschap behandeld, - ook wel landschapjes, zoals hij ze in de realieteit heeft gezien, - intieme gezichtjes achter Utrecht of Haarlem, met kokette molentjes tussen slanke populieren en een wazig verschiet van licht blonde duinen, zweefwuivend naar het blonde, verre licht. Enkele prenten schijnen mij minder geslaagd, en maar nauweliks zou ik ze als van zijn hand kunnen herkennen, bijvoorbeeld dat doorkijkje in de ruïene, dat echter wellicht niet meer is dan een schets.
In de tweede portefeuille wacht ons noch gedistingeerder genot, - een feest voor de ogen - een feest voor de zinnen. De prenten zijn hier meer uitvoering gedétailleerd, en - al verliezen ze soms die droommooie fijnheid, - ze winnen aan duidelikheid, aan intensieteit... Zie het Gotiese kerkje op?... Zie, nu is het weer wat lastig dat ik geen nummers kan vinden!... - Het is een landschap, dat me herinnert aan onze muzeumtuin, met een poortje vóor een geestig gebouwtje, en lage huisjes om een hoge schouw,
Ik geloof niet, dat de artiest ooit zo'n landschap had gezien. Deze prent besluit ook weer een serie van zes, waarvan de twee allerschoonste, in mijn ogen ten minste, de ene geheel in diepbronze en goudbruine tonen is gehouden, de andere in licht zeegroen, met beige nuansering... Het landschap, de huizen, de kerk en de rotsblokken in de verte daarentegen in heel gedistingeerd teerzacht wortelrood. Nu komt er éen verrukking van tonen, waarvan de kunstenaar twee platen heeft gemaakt. Beide afdrukken zijn niet geheel gelijk. Op de schoonste, de heel blauwe, is de vooruitstekende spar op de met gras begroeide rots iets minder zichtbaar dan op de lichtere tekening, met de zware sneeuwlucht, en ook de rots aan de linkerzij komt minder vooruit. Hoe schoon is dit landschap - hoe droomschoon en toch hoe reëel! - De kunstenaar heeft dit wel inderdaad naar de werkelikheid vervaardigd? - Hoe teder zweeft het licht langs de lichte luchten, en 't is of ik in de wolken een verschijning zie van een Vrouw: een Vrouw in lange, vlottende kleren en met iets als een kroon op een | |
[pagina 108]
| |
kussen in de hand. - 't Is echter ook mogelik, dat mijn verbeelding dit ziet, want ik zie ook noch andere gedaanten in de wolken. Nu komt er een plaat die de meesten wellicht, zelfs de ‘Sachverständigen’ heel lelik zullen vinden... De verschijning van een viezieoenschip in de verte - heel slanke zeilen tegen heel lichte nevel, die als met een mesje in het papier schijnt te zijn gekrapt... - ‘En het schip klieft de golven, waar lichtjes op spelen.’ En hoe heeft de artiest dit effekt gekregen?... Alleen met heel donkerbruin en heel, heel, licht geelwit. Zo zeilde het schip heel zachtjes voort in zijn dromen en zo, met een paar lijntjes, die men nauweliks zien kan in een zeker licht, als men het te dicht bij de ogen houdt, heeft de kunstenaar ons zijn droom verhaald... Zie eens die studie van die voorjaarsboom, - die eikeboom, met wijde takken: - alles lacht in dat landschap, alles lacht in die boom, en hoe eenvoudig weer is dat effekt verkregen, wit en zwart op een linnen lapje, dat hij aan zijn arme huisvrouw ontnam! -
Slechts drie platen zie ik, waarin hij het fieguur heeft behandeld, een doodshoofd, zwart op vuilgrauw linnen, - een steigerend paard op een heel laag heuveltje, en een Christus, die van het kruis is genomen... een wonder - wondermooie fieguur. Een ieder, die ooit een dode heeft gezien, - een dode met arme, gebroken ogen, met ijskoude leden en die eigenaardige hulpeloosheid van de noch éenmaal slappe gewrichten, die gewoonlik intreedt met de derde dag..., die weet hoe waar die beweging is, - die beweging van de dode handen, - de hand, die rust op de schoot van Johannes, die wenend naast de Heiland knielt... En dan dat gebaar van de moeder van die zoon; de dode zoon met de rosgouden lokken, - dat gebaar van wanhoop in die ineengestrengelde handen en die turende angst in die schreiende ogen, of er ook noch leven in zijn ogen mocht zijn! - De fieguren zijn wat plomp en wat zwaar - de volle borst, de zware heupen, - maar wondermooi is de toon van het geheel, - dat kleurengedicht van zachtvervlietende verven, zoals men 't misschien alleen maar bij de Nederlanders vindt. Inderdaad, een artiest, die dit heeft vermocht, verdient méer dan een vergulde naam (tegen het plafond van de prentenzaal) in het muzeum, - en waar de hulde en de dankbare eerbied van zijn volk hem gedurende zijn eenzaam leven werd onthouden, zijn droevig leven van nood en ontbering, dat zoo droevig eindigde, omdat niemand, niemand hem begreep - dat die hem ten minste nu - nu, eindelik geworde..., nu hij lang is begraven, nu, na zijn dood!... A.W. Sanders van Loo. Amsterdam. |
|