Niets is treuriger dan een vrouw te zien weenen. Alfried was diep getroffen. En daar zijn hart zacht was als een kinderhart, deed hij gelijk de kinderen; hij nam het hoofd der onbekende in zijn handen, en kuste haar op het voorhoofd -
Zij sloot de oogen. ‘Gij zijt goed’ murmelde zij - Toen zag zij hem aan.
- Vloeide dat zachte licht uit haar oogen in Alfrieds ziel, of was het de lichtkrans om haar heen die heller blonk? -
‘Ik mocht u niet antwoorden, sprak zij. God had me verboden te spreken, tot een kind der aarde mij kuste op het voorhoofd, niet uit liefde, maar omdat ik treurig ben en schoon.’
Alfried hoorde haar verrukt aan. Die stem was zoo zacht en zoo lief, het was alsof hij een vogeltje hoorde zingen, een vogeltje dat hij verstond -
‘Zeg mij uw naam, sprak hij. Gij zijt zeker een bloemenfee?’
- ‘Een bloemenfee? Neen, ik ben een zonnefee, en God heeft mij naar de aarde verbannen omdat ik een bloem verbrand had.’
- ‘Och, dat was wel wreed van u, zei Alfried; gij, die me zoo goed en zacht schijnt, hoe kondt ge...
- ‘Ik heb het zoo bitter geboet, antwoordde de kleine fee zuchtend. Ik dwaal reeds sedert jaren in dit zwarte bosch, ver van het licht, en ik ween; en iedere traan die op een bloem valt doet ze nog duizendmaal schooner worden. Maar weende ik mijne oogen blind, al mijn tranen konden nog het leven niet weergeven aan deze bloem.’
De fee zweeg, en weende stil.
Alfried bleef ze lang aanstaren. Zij scheen hem goddelijk schoon en rein, en hij voelde in zijn hart een groote liefde ontstaan voor de ongelukkige, kleine bannelinge.
‘Hoe heet gij?’ vroeg hij eindelijk, want dat lange stilzwijgen werd drukkend, en hij wist niets anders te zeggen.
- ‘Hoe ik heet? Ik heb geen naam...’
Hij vatte hare hand. ‘Welnu, kleine fee, laat mij u Ellen noemen. Dat is de naam van 'n meisje dat ik hartstochtelijk heb liefgehad. Mij dunkt als ik u zoo noem, dat iets van uw goedheid en uw reinheid op haar zal overstralen.’
- ‘Gij bemint ze nog’, sprak zij angstig.
- ‘Neen, neen, maar het is troostend te weten dat degenen, die men bemind heeft, gelukkig zijn’ -
- ‘En degenen die men bemint?’ vroeg de fee, en hare stem klonk zoo diep en zoo vreemd.
Alfried zweeg, en ontstelde.
- ‘Kijk mij in de oogen,’ sprak zij - Een sterke blos kleurde haar wangen, want zij zag dat hij haar liefhad. En plots omringde hen een heerlijke geur, want de bloem der fee had zich geopend, frisch en bloeiend.
‘Luister, sprak zij snel. Gij kent mijn verleden. Slechts een kind der aarde kan mij redden door zijn liefde. Maar hij die me liefheeft, zal opzweven met mij naar de zon, en zelf zonnestraal worden - Zeg, hebt gij me lief?’
- ‘Ha,’ zuchtte Alfried - Hij nam haar in zijn armen en drukte haar eenen langen kus op den mond. Een verblindende glans omstraalde hen; en door den blauwen nacht vlogen de beide gelieven in hun lichtende zielsversmelting als een heerlijke ster naar het groote licht, naar de Zon.
En nu, vaarwel, Ellen, want ik bemin de kleine Zonnefee -
Karel Reychler.