De Vlaamse School. Nieuwe reeks. Jaargang 11(1898)– [tijdschrift] Vlaamsche School, De– Gedeeltelijk auteursrechtelijk beschermd Vorige Volgende [pagina 93] [p. 93] ‘Lied’ Van over bergen en dalen, uit landen, vol zonneschijn, kwamen de zangers gewandeld in kleêren van felp en satijn. D' oudste droeg er een vedel; - hij stapte aan 't hoofd van de stoet. Twee volgden, met fluit en schalmeie, en elk had een pluim op de hoed. Toen kwamen twee hoofse jonkvrouwen in gewaden van goudpassement; in haar tedere, rozige vingren droegen z' een perkament. En op iedere weg, waar ze gingen, waaide er bedwelmende geur: de vogels begonnen te zingen, de weiden kwamen in fleur. Nauwliks had d' eerste geopend haar lachende rozemond, of zie! als betoverd ontloken knoppen alom in het rond. En door heesters, hagen en bomen trilde er een liefdezucht of de Lente in het land was gekomen en jubelde, hoog door de lucht. De fijfelaars gingen zitten al op een stenen bank; de jonkvrouwen traden naar voren: toen begon er het spel en gezang. Wat klingeld' en klangelde 't wonder, wat joedelde, doedelde 't zoet! Wat was dat een orgelen, gorglen, een juublende klankenvloed! Als een peerlende, spranklende bron-straal fonteinde 't geweldig omhoog: in elk druppeltje verfde de zonne een schitrende regenboog; en dan sneeuwde het louter sterren uit de hemel op aarde neer... Toen hijgde en luisterde alles, de vogels zelfs zongen niet meer... Want dit was het grote wonder, alles verdampte, vervloog, de zangers, de zee en de hemel, 't vervormde, 't verkleurde vóor 't oog, en de klanken ontloken tot bloemen, de vormen tot louter gezang: - woorden, beelden, tonen, 't smolt al in éen samenzang! Pauw II. Vorige Volgende