De Vlaamse School. Nieuwe reeks. Jaargang 11(1898)– [tijdschrift] Vlaamsche School, De– Gedeeltelijk auteursrechtelijk beschermd Vorige Volgende [pagina 90] [p. 90] Sonetten Met zang van vooglen breekt de morgen aan, nu 't rode licht het oosten breed omvat, dat lijkt te branden als een rode schat van goud en kleurge veren, eens ontgaan de vlucht van vooglen, die ver boven stad en landen vloog, toen noch de bleke maan wit-zilvrig stond en bleker werd, toen áan hoog- heerlik kwam het heilge licht, want had deze aard ooit schat, die schoner was dan 't licht? Ik noem 't een vreugde met een blij gevoel om 't zoet geheim van licht, dat rijklik vult de ruimte onder de hemel, die verguld wel lijkt een wijl, te gaan in 't licht, dat richt mij heerlik op, bij zang uit kelen koel. 22 Desember '96. Ik droeg mijn leed zovele lange dagen en draag het noch en voel mij als verlaten van vreugden, die'k zo liefhad, maar niet baten zou vreugd mij bij mijn smart, die 'k stil wil dragen. Het liefste wens ik met mij zelf te praten, en vind daarin mijn koninklik behagen in zingen luid-uit of in stiller klagen in enkel liefzijn en geheel niet haten. Voor wie mij kennen wil'k een trooster wezen met woorden teder of alleen met kijken in droevë ogen, waarin tranen blinken. Laat elk dan trachten in mijn ziel te lezen, die ik in 't komend leven zal verrijken tot ik als rijk mens in het graf zal zinken. J. Reddingius, Amsterdam. 2 Desember '96. [pagina 92] [p. 92] LIED - Oorspronkelike tekening van Karel Doudelet Vorige Volgende