Boekbeoordelingen
Het leemen wagentje. Indisch tooneelspel, uit Sanskriet en Prakriet in het Nederlandsch vertaald door Dr J.Ph. Vogel. Scheltema & Holkema, 1897, Amsterdam.
Het feit, dat een jong kandiedaat in wijsbegeerte en letteren tot doctor promoveert op een dissertasie over een lettergewrocht als het hierboven genoemde, is, dunkt mij, op zich zelf reeds zo weinig alledaags, dat elk vriend van litteratuur, elk voorstander van verder gevorderd littereer onderwijs er zich moet om verheugen.
Komt daar nu echter bij, dat de bedoelde kandiedaat, als voorbereiding tot zijn dissertasie, zelf dat werk uit het oorspronkelike heeft vertaald, en blijkt het daarna uit de beoordeling van werkelik bevoegden dat deze vertaling getuigt van even veel letterkundige begaafdheid als van grondige taalkennis, dan is zulk een eenvoudig feit op zich zelf meer dan voldoende, om de hoge ernst en het hoge gehalte te doen beseffen van het onderricht, dat aan de Hogeschool, waar dat feit zich voordoet, gegeven wordt.
Dat de redaksie van De Vlaamse School geen aanspraak maakt op de onontbeerlike fielologiese bevoegheid, om een uit Sanskriet en Prakriet vertaald werk te beoordelen, dient wel niet éens gezegd. De heus bevoegden hebben intussen noch niet van zich doen horen, altans, zoveel wij weten, noch niet in de kolommen van de beste Nederlandse tijdschriften..... Voldoende reden, voorzeker, opdat wij ons onthouden van alles, wat zelfs maar van ver zou gelijken op een bespreking van het werk van Dr J.Ph. Vogel.
Wil intussen de lezer het oordeel van een leek voor lief nemen, dan getuigen wij hier gaarne, dat de metode, door de jonge geleerde aangenomen, om voor ons volk dit staal van zo tenemaal andere kunst genietbaar te maken, ons voorkomt de enig passende te zijn.
‘Het kwam mij voor,’ zegt de vertaler zelf, ‘dat noch een proza-vertaling als van Böthlingk en Regnaud, noch een geheel metrische, als van Fritze, een juisten indruk kan geven van het origineel, en dus de afwisseling van gebonden en ongebonden stijl, zoo kenmerkend voor het Indisch drama, ook in de vertaling moest blijven bewaard; bij het weergeven der poëtische gedeelten was mijn streven de oorspronkelijke metra, zooveel mogelijk, te behouden’.
‘Bij het navolgen der Indische metra in Hollandsche verzen kan het kwantiteitsverschil niet anders dan door verschil in klemtoon worden weergegeven; echter is het niet wel doenlijk en m.i. ook onnoodig, steeds iedere lange lettergreep door een beklemtoonde, iedere korte door een onbeklemtoonde te vervangen, waarbij men bovendien in aanmerking neme, dat een dergelijk kenmerkend onderscheid, als bestaat tusschen lange en korte lettergrepen in het Indisch, bij beklemtoonde en niet-beklemtoonde ontbreekt.
In het algemeen heb ik er naar gestreefd, met behoud van het aantal lettergrepen van den versregel, een vorm te kiezen, die op het gehoor zooveel mogelijk denzelfden indruk maakt als de Indische versmaat.’
Wat de dichter van het oriezjieneel aangaat, daarvan weet men niet veel. Het schijnt een machtig personaazje te zijn geweest, van wie ons in het werk zelf dit wel wat erg aangedikte portret gegeven wordt:
‘Met den gang van een olifantenkoning,
Met een oog als cakora-oogen lieflijk,
van wezen ondoorgrond'lijk,
Van die tweemaal geboren zijn de voorste,
wijd vermaard als dichter.