Lyng-Lun
Door 't land Lijoimg, waar, uit moerassige grond
het reuzenbamboe opschiet als een woud,
zwierf, in zeer diep gepeins, de vroede denker,
Lyng-Lun, de Zanger, in wiens broze lijf
de ziele huisde van een machtig god.
Van tijd tot tijd, van uit het Oosten, ruisten
de winden aan, en bliezen, uit alle macht,
dwars door de hoge stammen van het riet,
en trokken uit die stammen wondr  kkoorden,
als mensenstemmen, zingend, juichend, klagend...
Tot vóor des Wijzen voeten bogen dan
de slanke toppen; langs zijn wangen zweefden,
strelend, de lange blâren heen, als handen,
en zwijgend hield Lyng-Lun een stam terug,
sneed tussen twee der knoesten, schier in 't midden,
een eind er uit, blies in de holte, zacht,
en hoord  en klank, heel diep en vol, gelijk
het volle klinken van zijn eigen stem...
En - wonder was 't! Alsof, rond hem, daarbuiten
in 't blije vrije, 't Al gezwegen had,
tot hij 't zou wekken met een woord zijns monds,
werd daar op eens gans de Natuur tot zang....
De Hoang-Ho, die, weinig schreden verder,
de groene slang ontrolde van heur waatren,
begon te hinneken gelijk een ros,
dat - voor het eerst - midd' in het vuur des strijds,
de zwaarden kletteren hoort op schild en harnas.
De Fung-hoan, de rode tovervogel,
wiegde zich, naast zijn wijfken op een tak,
en uit zijn gorgel stroomd  ls levend goud
| |
riep in begeestring uit: ‘Natuur, gij goede!
Is dat uw stem niet? Brul, o grote stroom,
zing voort, gij rode vogel! Ruist, o winden,
in lang  kkoorden ruist door 't suizelend riet,
dat ik uw stem begrijp, uw klank onthoud,
dat ik behoud uw klank en uwe stem...;
want medezingen zal voortaan Natuur
waar 't lijdend mensdom, klagend, juichend, zingend,
zijn innigst zielezijn stort in de lucht!’
En, plechtig luistrend, sneed hij, keer op keer,
noch andre stukken uit het bamboeriet,
en stemde die, - zes, naar het ruisen van
de machtige stroom, hef riet en 't wild geboomte,
zes andre, naar het lied van 't vooglenkoor
en 't kirren der insekten; bond die alle
vol eerbied bij elkaar, en bracht die, juichend,
de Zoon der Zon, de Heerser van 't Heelal,
en boog en zei: ‘O Heer! Aanvaard dees gave!
in deze rietjes leeft de ziel van 't Al?’
|
|