rollende riksdaalders, waar de wind jacht op maakte; maar met even weinig sukses als de artiesten-portemonnee jaagt op de gemunte.
Toen ik nu onlangs in een koopmansstadje in de buurt de kunstwerken van Reus, een honderdtal, vollediger dan vroeger aanschouwen mocht, want te Arnhem, te Dordt, te Nymegen zag ik zijn tentoonstelling niet, wist ik reeds vooraf wat ik te wachten had. Geniale krabbels met krijt, haventjes te Dordt, scheepjes op de Maas, mensen en dieren in aksie, praters en kaarters in een café, starende kindjes, vrouwen in arbeid, peinzende jongelingen, een kouranten-ombrenger in funksie, een rustende bootwerker, een vrouwtje met kiespijn. Dan akwarellen,

Studietekening van Reus.
levensgrote koppen, ook wel bustes; breed en vlot gedaan, mals en nat, met een zekerheid getoetst, die de kenner verraadt van het vak. En alles portret: sprekend van gelijkenis, wat overigens in dergelik werk als kunst bijzaak is.
De olieverf, - de grote en kleine doeken, een vijftig, - gaf mij oneindig meer te genieten dan ik verwachtte. Want al kende ik bij benadering het moment; het was zo persoonlik, zo echt gevoeld uitgedrukt, dat ik behalve de stemming toch telkens mee gewaar werd een brok ziel van de schilder.
Reus is vóor alles koloriest. Hij is lyrikus. Hij zou zanger kunnen worden als hij wilde: hoewel zijn stem wat monotoon is, door gebrek aan oefening.
Maar te meer oefende hij zich met het penseel, en oefende hij zijn oog in het zien; en waar voor een gewoon mens in schemer alles grauw is, welft zich voor hem nog pauwestaart of regenboog. Zie de lichttoontjes op bootkantjes of deurposten of boomtakken of wat ook, hoe houden ze het vliedende vast en hoe dwingen ze het schuin en schuiner vallende avondgoud om te blijven ter eeuwige bekoring van het lichtgevoelige oog. En dan in de sloten onder een paarlmoer-