De Vlaamse School. Nieuwe reeks. Jaargang 11(1898)– [tijdschrift] Vlaamsche School, De– Gedeeltelijk auteursrechtelijk beschermd Vorige Volgende [pagina 53] [p. 53] Uw woorden. I. Als ik je spreken hoor voor 't groot publiek, dan zijn je woorden heldre klokketonen, die bei'ren in de lucht als mei-muziek voor mensen, die in kleine steden wonen! Er is een lentejuiching, een rhythmiek van vreugd' in, beeldend al het meiig-schone, dat uit je vliegt op blanke vederwiek en mij het hoofd met bloesems wil bekronen. O ik kan zwelgen aan het stemmeklinken, dat uit jou mond als stromen voorwaarts schiet, mijn oren kunnen al 't geluid ópdrinken Als zoete wijn, dien men met lust geniet... Maar toch, 't intieme, mooie zonneblinken dat 'k zie bij 't samenzijn - IS er dan niet! II. Uw woorden zijn als handen, die mij strelen! Ik voel ze kozend langs mijn wangen glijën, als koeltjens, die in 't Lover spelemeien met wuivend groen en zang uit vooglenkelen! 't Zijn alle liedjes, die heel zachtjes kwelen in zomermorgens als de maaiers vlijen, met blanke zeis het gras in lange rijen terwijl een vogel jubelt in de abelen! Ik zit hier stil en hoor ze lieflik komen met speelse trippeling van zoet geluid! Zij wekken in mijn ziele wonderdromen, en dragen hoog mij boven 't leven uit! Zij hebben mij ten hemel meegenomen, die goudglans-lichtend vóor mijn oog ontsluit. G.C. van 't Hoog, Amsterdam. Vorige Volgende