De Vlaamse School. Nieuwe reeks. Jaargang 11
(1898)– [tijdschrift] Vlaamsche School, De–
[pagina 54]
| |
![]() | |
TijdschriftenVan Nu en Straks, tweemaandelijksch tijdschrift, nieuwe reeks, IIe JGG., III-IV, december, 1897,
Dit laatste werk zal in De V.S. - binnen eenigen tijd - afzonderlik besproken worden. | |
De Gids. 1-2, 1898.
Het Jongetje van H. Borel is minder, veel minder, niet als opvattig alleen, ook als vorm. De eerste is, zonder in de verste verte aanspraak te maken op simbolisme, in meer dan éen opzicht gezocht, - de tweede is op vele plaatsen laks, niet zuiver artiestiek. Indien dit styl is, dan zal het karakteriestieke er van wel hierin liggen, dat het geen styl is hoegenaamd. Maar wij vergeten misschien, dat geen styl hebben, nu presies weer mode schijnt te worden.... Ook is het verhaal bizonder gerekt, tot langdradigheid toe, en lang niet vrij van nutteloze herhalingen. Eindelik komt het ons voor, dat wat hier van zestienjarigen verteld word, wel veel beter in het leven van wat jongeren zou passen - niet om de reinheid, maar zeker om de naïeveteit van de geschilderde verhouding. Heel, heel mooie verzen van H. Swarth verdienen ook vermeld te worden, alsmede, van Prof. A.G. van Hamel, een studie over Guillaume d'Orange, de held van het middeleeuwse epos, en van Dr Byvanck een belangrijk opstel over J.W. Kumpel en Bilderdyk. | |
Bouw- en Sierkunst, uitgever H. Kleinmann & Co. Haarlem.
In een 16tal bladzijden tekst geeft de heer Lauweriks, een van de beide redakteurs, benevens enige misschien niet altijd even heldere algemene beschouwingen over de ontwikkeling van de kunst, een uitstekende beschrijving | |
[pagina 55]
| |
van het Psalterium, eerst in het Nederlands, daarna in het Frans. Als geheel voldoet deze eerste aflev. volkomen. Ik herhaal: de reproduksies zijn uitnemend; papier en druk zijn even voornaam. Een enkele vraag: waarom de Nederlandse tekst in het Frans, juist in het Frans, en niet in het Duits en het Engels vertalen? Of verwacht de uitgever meer aftrek in Frankrijk dan in deze beide verwante landen, Duitsland & Engeland? | |
Pan, 3 dritter Jahrgang, 1897.
Het plastiese gedeelte is voortreffelik! Het bevat een mooie ets, ‘Aus Hessen’, van Ubbelohde, een interressante kleurenhoutsnee, Old Woman, van Nicholson, een prachtige lichtdruk naar een kindschap, Schneewehen im Moos, van Dill, een zeer eigenaardige steendrukplaat van Maurice Denis, een ets van Rodin, Antonin Proust, potret, zeven uitstekend geslaagde wedergaven van houtsneden van Albrecht Duerer, o.a. Rust in Egypte, Joachim en de Engel, Maria's Dood en De Bewening van Christus, een zestal reproduksies naar Rodin, en een menigte kleinere binnen-tekstplaten van Thoma, Fidus, Heine, Grimm, enz... Welke warme simpatie De Vl. S. de zo breed opgevatte Pan-onderneming toedraagt, is voor niemand een geheim, en noch wel voor de knappe bestuurders van het tijdschrift het allerminst. Dezen zullen het de redaksie van een Nederduitse kunstuitgave dan ook niet kwalik nemen, indien zij, na gedurende drie jaar reeds met ongeveinsde ingenomenbeid van haar streven gesproken te hebben, zich heden veroorlooft, haar een paar wenken te geven. Het komt ons namelik voor, dat de binnentekstplaten niet voldoende beantwoorden aan de eisen, welke men aan een tijdschrift als Pan, - wellicht aan Pan alleen, - kan en mag stellen. Hoe aardig vele van die tekeningen op zich zelf ook zijn, voor werkelike boekversiering, - ik zeg nu noch niet eens - heuse tekstillustrasies, kan men er slechts een zeer gering aantal van houden. Dit nu is, dunkt ons, zeer te betreuren. Zo er óen vak van kunst is, waarop een uitgaaf als Pan grote en gunstige invloed zou kunnen oefenen, dan is het wel degelik dit van de boekversiering. Wij zijn op voorhand volkomen zeker, dat de uitnemende en zo bij uitstek bevoegde bestuurders van het tijdschrift, zich maar de moeite hoeven te getroosten een oproep te doen, opdat de allerbesten onder de nu reeds vele modernen, welke zich, in welk land dan ook, op het bedoelde vak toeleggen, zich dadelik bereid verklaren, de teksten, die men hun zou toevertrouwen, te voorzien van passende, daar alléen bij passende en met de gekozen drukletter getrouw overeenstemmende kop- en slotstukken, | |
[pagina 56]
| |
aanvangletters, randlijsten & beeld-illustrasies. Of - zo zulk een streven, om deze of gene gewichtige, óns onbekende reden, toch bleef uitgesloten, zou het dan niet mogelik zijn, ten minste in een enkele aflevering elk jaar al de binnentekstplaten als boekversieringen te doen opvatten? Het zou de moeite waard zijn, een aflevering te bezitten, vooral, in het prachtige formaat en op het grandioos-schone papier van Pan, waaraan mannen als Sattler, Fidus, Mucha, Housman, Robinson, Aubry Beardsley, Toorop, Henricus, Holst, Doudelet, Edmond van Offel, Hannotiau, Khnopff, in volkomen onafhankelikheid van personaliteit en opvatting zouden medegewerkt hebben. Vergissen wij ons niet, dan zal de volgende aflevering van Pan gedeeltelik gewijd zijn aan de kunstbeweging in de Nederlanden. Een opstel over onze bellettristiek sedert 1880 ligt er, verzekert men, voor gereed. | |
Zeitschrift für Bücherfreunde, Nr 10, Januar, 1898, Leipzig, Velhagen & Klasing.
| |
Dekorative Kunst, 1897-1898, 3-4-5-6, I, Muenchen, F. Bruckmann A.S.
| |
Das Kupferstichkabinet. Nachbildungen nach Werken der graphischen Kunst von Ende des XV. bis Anfang des XIX. Jahrhunderts. Fischer & Franke, Berlin.
| |
[pagina 57]
| |
dat hier getrouw op de zelfde wijs wordt voorgesteld als in het kleine aan Lukas toegeschreven schilderijtje in het Antwerpsch muzeum; van Cranach éen, namelik De H. Familie uitrustend tijdens de Vlucht naar Egypte, een van zijn voortreffelikste houtsneden; van Aldegrever éen, naar het portret van de hertog Willem van Kleef; verder noch verscheiden naar Holbein, Pencz, Stimmer, von Olmütz en Michiel Wohlgemut. Van bizonder belang zijn verder voor ons, Nederlanders, in de allereerste plaats, drie nadrukken naar evenveel van Rembrandts allerschoonste platen, namelik Jezus' Geboorte aan de Herders verkondigd; De Afdoening van het Kruis (bij fakkellicht) en De goede Samaritaan, behandeld zo als in het puike schilderij, in het bezit van onze stadgenoot, de heer L. Menke; en verder reproduksies van een gehele reeks landschappen van Teniers, van Uden, Bakhuyzen en van Everdingen. Ook van Dijk 's portret van Pieter Breugel verdient vermeld te worden. Het minst bevallen ons de Italjanen en Fransen, ditmaal Boldrini en Moreau le Jeune. Doch dit is een kwestie van smaak en goed werk is het toch. Zulk een uitgaaf behoeft werkelik niet aangeprezen: keus & uitvoering zelf zijn hier de beste van alle aanbevelingen. | |
Jahrbuch der Koeniglich Preussischen Kunstsammlungen. Neunzehnter Band. I. Heft. Berlin, 1898, Grote'sche Verlagsbuchhandlung.
| |
Klassischer Skulpturenschatz. Herausgegeben von Franz von Reber und Adolf Bayersdorfer. Munchen, Verlagsanstalt F. Bruckmann A.-G.
Zoals de tietel het aanduidt, is ze uitsluitend gewijd aan de klasssieke beeldhouwkunst. Het is verbazend hoe alle kunstuitgaven zich meer en meer tot éen bepaald vak beperken, om het des te uitvoeriger en vollediger te kunnen behandelen. Zonder overdrijving mag beweerd worden, dat we heden voor elke uiting of toepassing van kunst spesieale tijdschriften bezitten; en daarin vinden we wel een teken van onze tjjd, ik zou haast zeggen de invloed van het prinsiep van ‘verdeling van arbeid’. Een uitgave als deze is dan ook geroepen, grote diensten te bewijzen. Haar prijs valt in het bereik van 't grotere publiek, 12 Mark per jaargang, waarin zoowat 150 zinkografiese platen op formaat Vlaamse School, heel zuiver gedrukt, zwart of getint volgens de aard van het weergegeven model. - In deze eerste | |
[pagina 58]
| |
jaargang vinden we werkelik heel mooie dingen, zo o.a. voor de Griekse kunst: het bronzen fieguur, bekend onder de naam van Idolino, de Alexander-sarkofaag van Sidon, een bronzen beeldje van Dionusos, en tal van brokstukken van onbekenden; voor de Italjanen vooral prachtige dingen van Donatello, 't ruiterstandbeeld van Gattamelata, de sublieme groep van Judith en Holofernes, verschillende barleven; ook van Andrea del Verrocchio tal van meesterstukken. De Duitsers en Nederlanders zijn vertegenwoordigd door Peter Vischer, met zijn koningsbeelden uit de kerk te Innsbruck, door Claus Sluter met zijn grandioze stenen heiligenbeelden van Dijon, door Andreas Schlüter met zijn zeer ekspressieve masken. Van de Fransen vooral beeldhouwwerk in hout, waaronder prachtige dingen. Wat de uitgaaf bizonder aantrekkelijk maakt, is de reproduksie van tal van uitstekende min-bekende werken, vooral een heleboel in hout gebeelhouwde fieguurtjes, van alle scholen, meesterstukjes in hun aard, die hier of daar verscholen zitten en die niemand kent. Zo het tijdschrift dáar vooral zijn materjeel wilde bijeenzoeken, zou het ongemeen interessant kunnen worden. De Aphrodite van Melos, de David of de Slaaf van Michelangelo staan afgegoten in ieder muzeum dat zich respekteert of figureren in alle kunstuitgaven - maar er bestaan zoveel mooie dingen in kleine stadjes en dorpjes die nooit voor den dag kwamen, omdat de bezitters zelf er de waarde niet van beseffen. Ga maar eens kijken in de vergeten hoekjes van Vlaanderen, haal maar eens een altaarstuk vóor den dag als dat van Onze Lieve Vrouwen-Lombeek (wie heeft ooit die naam gehoord?), dat we in jrg. 1896 van D. Vl. S. reproduseerden, en vlakaf een ongeëvenaard meesterstuk is. En zo zijn er noch tientallen te ontdekken. We ontveinzen niet, dat het wat meer moeite zou kosten, dan eenvoudig een bestaande foto van Braun, Clément & Co of zo iemand te reproduseren - maar er zou dan ook degelik, belangwekkend en hoogstverdienstelik werk voortgebracht worden. Ziedaar een weg, die voor de ‘Skulpturenschatz’ openligt, en waarop hij weinig mededinging te vrezen heeft, daar hij - eilaas - tot nochtoe weinig bewandeld werd. | |
Georg Hirth's Formenschatz. Eine Quelle der Belehrung und Anregung fur Kunstler und Gewerbetreibende, wie fur alle Freunde stilvoller Schonheit. Aus den Werken der besten Meister aller Zeiten und Völker. München & Leipzig, G. Hirth's Kunstverlag.
Deze wedergeboorte doet ons veel genoegen, want de oude uitgave was, quoi qu'on en dise, wat muffig en suffig geworden onder haar eeuwig-helzelfde koevertje en haar eeuwig met dezelfde kunstgreep (uitgespaarde witvlekjes op een getinte grond) gedrukte platen.... Het werd moeielik, het hoofd te bieden aan de mededinging van tal van nieuwgekomenen op 't zelfde terrein, waaronder b.v. uitstekende als ‘Das Museum’ - die vooral op de Formenschatz het overwegend voordeel hadden, de betovering van nieuwheid, jongheid, frisheid, te bezitten. In zijn nieuw pakje ziet deze uitgave er nu werkelik heel lief uit. Op het omslag van mooi-grijze kleur, behalve de verkleining van een plaat die er binnen in voorkomt, een heel vettig getekend uitgeversmerk van Hirth, en de tietel in fraaie, stijlvolle letters. Van de platen, die op glanzend kunstdrukpapier getrokken zijn, vermelden we vooral de reproduksie van gebeeldhouwde Egiptiese houten lepels, heel karakteriestiek; ook een barleef van Agostino di Duccio, een muziekmakende engel van Melozzo da Forli en een keus van modern, in koper gedreven vaatwerk. De stoffelike uitvoering van de platen heeft zeer veel gewonnen aan verzorgdheid tegen de vorige jaargangen. Ook van de keus der sujekten schijnt veel werk gemaakt te worden. - Toch zagen we graag die aarts-vervelende, zogenaamde kunstvoorwerpen of -meubels uit de jaren zeventienhonderd en zóveel, voor goed uitgesloten. Reeds | |
[pagina 59]
| |
vroeger hebben we ons aan die wansmakelikheden dood geërgerd - nu weer staan er een paar in: afschuwelik! Wat heeft men in godsnaam aan dergelike staaltjes van verbasterde dekadenten smaak, van verouderde gedémodeerde kunst! Hirth's uitgaaf zou er oneindig interessanter bij zijn, werd een veel groter deel gewijd, behalve, als vroeger, aan de grote meesterstukken van de kunst, en in de eerste plaats aan
Een illustrasie uit ‘Poems’ van Keats.
tekeningen, krabbels en schetsen van grote artiesten - aan de meer en meer veldwinnende geheel moderne versieringskunst. Het is licht te begrijpen, dat een dergelike uitgaaf, een na 22 jarig bestaan, wat moeite heeft om belangwekkend te blijven, zonder in herhaling te vervallen. Moest de Formenschatz de hier aangewezen richting volgen, zou hij zonder de minste twijfel een schitterende toekomst te gemoet gaan - en onschatbare diensten aan de kunst bewijzen. - We durven hopen, dat de uitgever van ‘Jugend’ ook aan zijn Formenschatz jeugdig bloed zal inpompen, en dat hij bovenaan op 't programma van zijn vernieuwde reeks zal geschreven hebben: ‘Dit moet zijn de leerschool van 't Schone, voor 't wordend geslacht van jonge artiesten!’ | |
The Artist, 1-2-3, 1898, constable & Co, 2, Whitehall Gardens, 2, London.
Te wijdlopig zou het zijn, hier de gehele inhoudstafel van de 3 eerste nrs van 1898 over te nemen. Aanbeveling verdienen echter de volgende, rijk geïllustreerde opstellen: Lucien Monod; Decorative illustration of Patten Wilson; The Pre-Raphaelite Movement; Etchings and Drawings bij Miss and Mr. Cameron, in nr 1; The Book-illustrations of Laurence Housman, en een stuk over Arthur Hacker, in nr 2; een brief uit Brussel en een uit Parijs, met bespreking van werken van Baertsoen, Rousseaux, Laermans, Verhaeren, Hannotiau, Coppens, en vooral - nieuw bewijs, hoe zeer onze Zuidnederlandsche kunst in het buitenland opnieuw de aandacht trekt - een uitvoerige, met tien reproduksies versierde studie over over de Brugse meester, onze geschatte medewerker, Edmond van Hove, ‘a Modern Memlinc’, in nr 3. Wij wensen de nederige, rijkbegaafde man met de hem te beurt gevallen eer recht hartelik geluk! |