De Vlaamse School. Nieuwe reeks. Jaargang 11
(1898)– [tijdschrift] Vlaamsche School, De–
[pagina 41]
| |
IX.Hier is de kunsthandel weer, waarvoor ik menigmaal stilstond...
Ledaas, Batsebaas en meer achter 't doorzichtige glas.
Alles is keurig van vorm voor de onervarene jonkheid,
Voor de onervaarne van 't land, voor het flanerend publiek.
Maar of het kunst is? Ach hierop vraag ik bij wijze van antwoord:
Wat moet de nijverheid zijn als dit hier kunst zich gelooft?
Ja die paneeltjes... aantreklik! Zeker dat zijn zij, aantreklik!
Wie er blijft mijmren die denkt: zó zou ik 't juist willen zien.
Zien, niet de schijn van de kunst; maar het reëele, dat tastbaar
Ruw zich dringt als een wig in 't ideëele gevoel.
| |
X.Dan is mij de opera liever. Zie haar verblindende witheid,
Alsof geen zwirrelend schroot viel tot haar marmeren voet.
| |
XI.Place Concorde! Breed plein en rondom open. 't Fonteinpaar
Klatert uit monden en muil neer in de kom van graniet,
Stuift tot de top van de zuil, hoog langs het goudene beeldschrift
Uit het egyptiese land waar men de sfinxen begrijpt.
| |
XII.Murray haal ik te voorschijn, Murray met bloedrode binding.
Mijmerend lees ik terloops wat of het reisboek vertelt...
Hoeveel lantarens er staan en hoeveel blokjes van hout wel
Saamgevoegd zijn voor de weg en voor 't trottoir aan de kant.
| |
XIII.Argloos zat ik daar zelf, toen 'k noch geen Murray als gids had,
Schetsende neer aan de voet van de beroemde obelisk.
Argloos met potlood en blad. Daar, in de dagen van spanning,
Schetste ik, aanhoudend begluurd door een wantrouwend agent,
't Vorstlik paleis in de verte; en ook de tuinen en 't hekwerk,
Wederzijds de ingang een paard, steigrend bestuurd door een man.
Ach Tuilerieën, hoe minde ik 't sierlike, koninklik bouwwerk!
En hoe begluurde ik de rij uwer fassaden van ver!
Thans herken 'k u niet meer. Puin geworden, vol ontuig,
Gaat uw herstel als de kreeft met haast onzichtbare spoed.
| |
[pagina 42]
| |
XIV.Loever, zijt gij dat? Die koepel! Dat blauwglansend ronddak, zijt gij dat?
Wáar zijn de bomen die 'k eens dicht bebladerd er zag?
Vruchtloos zoek ik; 'k zoek vruchtloos 't vrolik kaatsende manvolk
Dat onder schertsend gelach schopte in de reuzige bal.
| |
XV.Ach wat een beelden staan hier, geborsten, verminkt bovendien noch;
Grote stukken uit lijf, armen en benen gekapt!
Ja dit kwam toen de zak ontknoopt werd waaruit de stormvlaag
Zelfs niet mag beuren het hoofd binnen 't gebied van de kunst.
Dat was de spettende braadpan, de overschuimende drinkschaal,
't Oude verhaal, maar hernieuwd, van de saturniese god.
| |
XVI.Salle Carré ik herdenk u; en ik herdenk ook Apolloos
Groot paviljoen; ik herdenk Salle des sept cheminées.
Heerlik is 't zachte gevoel van de doorgloeide Murilloos!
Zie hoe de gloed en de glans van de Madonna hier licht!
Hier uit dat diepe fluweel van twee paar ogen in peinzing
Vonkte van de eindloze liefde in mij een sprankeltje neer,
Hier uit het week koloriet, 't onmaterieëel morbidezza
Van 't primitieve penseel schoten mij vleugelen aan.
'k Voelde getild mij, getogen, gekomen onder de stuwing
Van een onnoembare kracht die mij doortrilde als een vlam,
Van een mij geeslend tot scheppen voorwaarts drijvende kunstdrift
Waarvan de erinring mij is als een zacht strelende hand.
| |
XVII.Ach het verleden! men noemt het vaak een blok aan het been; maar
Dingen zonder verleên trekken de denker niet aan.
| |
XVIII.Let op St-Cloud. Hoe aantreklik is de historiese puinhoop!
Hier vergelijkt de bourgeois 't grootse van vroeger en nu.
't Schoon der vernieling waardeert hij, merkt haar nut. Wetenschaplik
Is zij van 't hoogste belang voor zijn begrijpend verstaan.
Vroeger was alles op slot, deuren en poorten en hekwerk,
Open vloog 't wijd voor het lood uit het parijse kanon.
Vroeger zag niemand de schatten die hier de vorstlike rijkdom,
Vorstlike praling en pracht, wegborg in 't ruime paleis.
Thans kan bourgeois met de zon dwars door het reuzenlijf heenzien,
Zien waar de tepel eens zat, zien waar de borst was, de buik.
't Is anatomiese les. Hier was de lies, redeneert hij,
Hier het verloop van portaal, gangen en zalen en plein.
| |
XIX.Slentrend doordwaal ik het park. Rood zijn de paden van 't herfstgoud;
Overal ritselt de voet door der kastanjes geel blad.
Op ruist geen zilveren straal hoog door de lauwzwoele parklucht:
| |
[pagina 43]
| |
![]() SLENTEREN
Tekening en houtsneden van E. van Mieghem | |
[pagina 45]
| |
't Uiteind der lodene pijp schemert door 't nat in de kom.
Hier werd Le Nôtre's oprechtheid, lijnlievend-oprechte vierkantheid,
Bochtig gemaakt door obool uit het parijse kanon.
| |
XX.Wilt ge een verruklik gezicht? Zie van de hoogste terraswand
Tussen het bladerloos hout neer op het verre Parijs...
Tussen de mossige stammen rondom de grijsgrauwe bouwval
Ligt daar de scheemrende stad als een verwaassemde droom.
| |
XXI.Wilt ge van 't grote Parijs de spiksplinternieuwste verbeelding?
Denk het zielkundig zoals zielkenners plegen te doen.
| |
XXII.Rondom het hart, de cité, strekt zich de Seine, de nervus,
Uit tot vertier of verdriet al naar zijn bedstroming jaagt.
| |
XXIII.Gaat zij te snel en te hoog en overstroomt zij de centraas -
Huizen bedoel ik - dan pompt, graaft men en damt men en leidt
Tot weer de werking normaal, tot de overspanning voorbij is
En de overprikling verdween onder gewoner verloop.
Dan weer denken de hersnen, de oud- en de nieuwstad bedoel ik,
Zoals ze doen in een kop met gezond centra-verkeer.
Centraas zijn er ontelbaar. Maar ik wil goed onderscheiden
En deel gemakshalve liefst daadlik in twe soorten ze in.
Die van 't zelfstandig bestaan, waak-bewustzijn, bewustzijn,
Alle in de bovenste rand van de twee helften der stad:
Die van de droom, 't onbewuste, ook wel 't hypnotiese mens-zijn,
Aangeduid als katakomb in de heel onderste rand.
| |
XXIV.Subkortikaal is 't gewirwar, echt labierinties! In 't doolhof
Van de elkaar kuisende reeks gangen, galerijen en hol
Vormen de snijpunten centraas. Daar ligt gestapeld de voorraad,
Pakhuisgewijze bijeen, van de bewustheid omhoog.
Alles wat op werd genomen en werd verwerkt door het denkbrein,
Door het begrijpend verstand en het verstandig begrip,
Alles wat duidlik bewust zielebeeld werd in de kortex
Ging, na het prakties gebruik, naar de bewaarplaats omlaag.
Zodoende ligt daar gestapeld heel de historie van Frankrijk,
Zoals ze ging door het brein van het kunstlievend Parijs,
Zoals ze drupte uit de filter van het lijflustige mens-zijn
Tot kristalklare stof waarvan de kunst zich bedient.
Alles slaapt hier zo vredig, zo ideëel en verbroederd...
Alles! gelijk hier van rang, vrij van de drijvende drift.
Hier zijn impressies, hol gapend, hier is gestippelde grondstof,
Hier ligt plein-air-kunst gestrekt over de kunst van de school.
Hier wordt het stijve model onakademies bestoven,
Naturalisties gebleekt onder vergruisde art modern.
Ach wat een schimmen zijn hier! Die van 't straatlievend flaneren,
| |
[pagina 46]
| |
't Gaan naar Printemps, Bon Marché, 't winkelbezoekend gekoop;
't Gaan naar Chat Noir, Moulin Rouge, 't luistren naar zegkunst en zingzang
En in de Champs Elysèes naar de cafés, bal mobiel.
Ach zie hoe rustig ze slaapt lószinnige wuftheid, naast deftig
Boeken doorlezende lui uit bibliotheek nationaal.
Zie hoe Sorbonne-geleerdheid rust tegen 't Cluny-muzeum
En hoe la femme savante rust in 't theater klassiek.
| |
XXV.'t Klinkt als een droom! Dát is van 't onbewust denken het voordeel
Dat men de schatten gebruikt die de onbewustheid bezit.
| |
XXVI.Tweemaal slechts kruisen ze elkaar 't onbewuste en de bewustheid...
Als de bourgeois droomt bij nacht van wat de artiest schept bij dag.
| |
XXVII.Wilt gij de vrucht zien, de heerlike vrucht dier bevruchting?
Zie hoe de wetenschap Mars jaagt van zijn veld door de kunst.
| |
XXVIII.Al wat de krachten vermochten van de bewuste overpeinzing
Is hier als wetenschapsvrucht kenbaar gemaakt voor 't verstaan
| |
XXIX.Al wat als lichtende vonk opschoot uit 't onbewust denkbrein
Is hier als kunstrijk gewrocht nedergezet voor het oog.
| |
XXX.Ach de openbaring der wereld is de vervleessing, het lijf-zijn,
Van de twee-eenheid der ziel, waakbewustzijn en droom.
| |
XXXI.Zie eens of het niet waar is wat ik wijsgeerig u aanduid!
Of niet 't jong opbloeiend volk groot is door zelf-bewustzijn.
Of niet de volkren van leeftijd, prat op 't roemruchte verleden,
Mijmrend herscheppen de schat die de onbewustheid hun reikt.
| |
XXXII.Evenzo doen de stokouden, levende steeds in de erinring,
Wijl 't overvuld magazijn meerder impressies verbiedt.
Maar ach de kindren! Zie dartel hen in het heden steeds opgaan
Wijl het bewustzijn, noch arm, indruk na indrukken vraagt.
| |
XXXIII.Daarom is de adel van 't kunnen, de erflikheid van de twee-eenheid
Deel van 't historierijk volk dat ondervinding bezit.
| |
[pagina 47]
| |
XXXIV.Engeland blijft jong, altijd jong. 't Glanst niet door veelheid van kunstzin,
Maar door zijn nijver talent, door zijn masjienen vooral.
Zo glanst Amerika 't meest door zijn produkten van uitvoer
En door de praktiese zin van het revolver-rijk volk.
Zie Argentinië! 't Zond hout van zijn reuzige bospijn;
Zo ook zijn huiden, zijn wol; 't zond ook de vruchten van 't veld;
't Bouwde een paleis waar de buren met paviljoenen te vrêe zijn,
Maar het vergat zijn Olymp met de kunstlievende gôon.
Mexiko, Peru, Brazielje, en meer wat ik even slechts aanzag,
Tonen geen zweempje van kunst, tonen geen greintje zjenie.
Venezuëla vooral schijnt erg bij de Muzen in ongunst:
Hier is de kunstzin verdord tot een reusachtig brok steen.
| |
XXXV.Wilt gij bewustzijn bewondren ga naar de kaffers van Kaapland...
Dichtkunst is hier een klomp goud, schoonheid een struisvogelei.
Hier strekt het kunstrijke zien uit langs de loop van 't geweer zich,
Hier is het fluitende lood lust voor 't muzieklievend oor.
Moedertaals zoete geluid is hier een krassende straatveêl
't Recht een gewapende boef, de orde een bezwijmeld agent.
Hier draagt het oor van de god kostbare ringen van stofgoud
En in de spleet van het oog vonkt een stuk duur diamant.
| |
XXXVI.Zoek nu de volkren die oud, veel ouder zijn. Zoek nu bij China,
Zoek bij Marokko, Japan, zoek bij Egypte vooral.
Hier heeft de kunst reeds een loop volbracht van eeuwen, een kringloop.
Bouwstof bij bouwstof vergaart tijdens de duur van 't bestaan.
Of 't noch verstaat en begrijpt? 't Verstand staat er stil, is er werkloos,
Want voor het nieuwe begrip is er geen plaatsje meer vrij.
Alle de centraas van 't dromen zijn overvuld, overstapeld;
Wat er gebeure geen spat lekt door het denkbrein er in.
Daarom zijn alle de beelden, alle de weefsels, 't tapijtwerk,
Al 't porcelein, meubels, tooi, al wat 't tentoonstelt in 't rond,
Met zulke vreemde arabesken, slangrig slingerend gelijnwar,
Monster en hiëroglief, droomrig fantasties gedost.
| |
XXXVII.'t Stokoude sukkelt naar 't graf, naar 't acherontiese rijk heen;
't Jonge wil meten met 't oog, voelt en betast met de hand.
| |
XXXVIII.'t Milddelbare der jaren, krachtige, manlike leeftijd,
Waarborgt het volle bezit van de vermogens der ziel.
J. Winkler-Prins,
Apeldoorn.
(Wordt voortgezet). |
|