| |
| |
| |
Karel Mestdagh
(23 October 1850.)
EENIGE boogscheuten buiten Brugge, te St. Pieters, in een lachend landhuis, dat, reikhalzend boven dicht heestergewas, de gansche streek bekijkt, woont Karel Mestdagh. Wie droomt er een geschikter verblijf voor onzen frisschen landelijken liederdichter? Uitziend op de eindeloosheid van de Westvlaamsche vlakte met haar wachthoudende boomenrijen, witte huisjes en spitse kerktorens; omwalmd door den geur, die uit zijn rijke en met eerbiedige zorg onderhouden rozenparken opstijgt; te midden van het eeuwig afwisselende groen; omgeven door zachte landelijke geluiden, gedempte klokkenslagen, bladgeruisch en vogelgekwetter, leeft hij zelf als een vogel in een heerlijk, geurig nest, zingend van de kleine wereld, die rondom hem leeft.
Heel Mestdagh's werk ligt inderdaad in die eenvoudige omgeving. Al zijn hartstochten zijn op het innigst samengegroeid met dien kring, die hem zag geboren worden en al zijn verdere levensaandoeningen kent. Beperkt als dat veld van levenservaring is het veld van zijn kunstbezieling, maar wat het niet aan uitgestrektheid en verscheidenheid bezit, heeft het dubbel aan innigheid en zielsdiepte. Verscheidene onzer toondichters hebben hun wieken breeder uitgeslagen, naar wijsgeerigheid en hooger mensch-zijn strevend, maar weinigen hebben zoo oprecht en zoo innig roerend weten te zingen als Mestdagh in zijn kleinen, landelijken kring. Het is overigens niet met de ontzaglijke drommen van de moderne symphonie, dat hij het treffendst tot ons gemoed doordringt, maar wel met het eenvoudige lied.
Een innig genieten in verkwikkend lentewalmen, een afluisteren van de sprookjes van bloem en vogel - die alles zeggen wat zijn jong, verliefd harte wenscht - en het neuren, liefst vóor de voeten van de aangebeden vrouw, van de aldus verkregen zachte stemming, of het uitschallen van den prillen, overweldigenden indruk, dien hij aldus onderging, dat is Mestdagh's geheim.
Hij schijnt te zingen als een rijkbegaafd natuurkind. Zijn melodie borrelt en vloeit zoo zonder de minste moeite, gansch spontaan; er leeft nog iets in van de oude volksliederen, van hun oprechte bezieling en ongedwongen schepping. Menig lied van Mestdagh herinnert ons hetgeen Sachs zegt over Walter's zingen: ‘Es klingt so alt und doch ist 's neu’. Wij hooren er verre nagalmen in als van bekende, op het land nog gezongen oude wijzen, maar een jongere kracht heeft ze in zich opgenomen om er eigen melodie en eigen rhythme aan te geven, en ze als het ware te verfijnen. Zoo vertoont Mestdagh zich evenals Schubert, Schumann e.a. als kind van zijn volk en tevens als duidelijk afgeteekende, kunstindividualiteit.
| |
| |
Overigens, in Mestdagh's muzikale opvoeding treffen wij de uitgangspunten van die eigenschappen aan. Hij is gesproten uit eene door en door Vlaamsche familie, waar de oude overleveringen steeds in eere gehouden werden. Met een blijkbare erkentelijkheid vertelt Mestdagh hoe zijn vader hem soms als kind op de knieën nam, om hem het een of ander oud volksliedje te leeren. 't Reuzeken, 't Paterken en 't Klein Kleuterken waren zijn eerste lijfstukken. Later ging hij bij de beste meesters ter school, die zijn jonge gaven wisten te louteren en te ontwikkelen. Waelput en vooral van Gheluwe waren zijne leeraars in harmonie, contrapunt, fuga en compositie.
In de keuze van zijn liederteksten kunnen wij op treffende wijs Mestdagh's pril meizangerstemperament terugvinden. Op enkele uitzonderingen na, componeerde hij alleen op gedichten, waaruit de morgenzuivere geur opstijgt van de volkspoëzie en hare moderniseering door een Goethe, een Heine, een Groth of een Burns. Onder onze Vlaamsche dichters heeft Pol de Mont ongetwijfeld veel van het beste geleverd, dat wij in dat genre bezitten. Het verwondere dan ook niemand, dat Mestdag hom zoo te zeggen buiten die bundels niet gegaan is en maar moeilijk gaan zal.
Het is nu zoowat een jaar geleden, dat ik met Pol de Mout te St. Pieters was bij Mestdagh, die ons een allereerste auditie gaf van een viertal nieuwe liederen op teksten uit Jongelingsleven. De Mont vond de muziek heel mooi. ‘Was ik zelf componist,’ zei hij, ‘het schijnt me dat ik geen andere muziek op die teksten zou kunnen maken.’ - ‘Maar, Karel,’ voegde hij er minder geestdriftig bij, ‘waarom haal je altijd je teksten uit die oude boekjes, mijn oude jongelingszonden? Je hebt toch ook Ophelia, Claribella en Fladderende Vlinders?’ Mestdagh kon maar niet lijden dat de vader zijn eerste kinderen aldus scheen te negeeren. ‘Wel, wel! Hoe kun je dat zeggen, Pol? Die gedichten zijn van je liefste, en ze zijn en blijven de mijne!’ Uit die voorliefde voor de versch geplukte, nog naar den dauw riekende vruchten van den dichter der Lentesotternijen, spreekt heel Mestdagh's gemoed.
Mestdagh leerde die gedichten van de Mont kennen juist op het tijdstip, dat hij tot het volle bewustzijn van zijn kunstneigingen kwam en van dat oogenblik af is hij hun trouw gebleven. Vóor hij de Mont persoonlijk kende, had Mestdagh reeds op verscheidene teksten uit Jongelingsleven gecomponeerd. Op zekeren dag, dat hij te St. Pieters in de kloosterschool op de prijsuitdeeling aanwezig was, vernam hij dat in het dorp twee opzienwekkende ‘keirels’ naar hem zochten. Buiten gekomen, bevond hij zich vóor twee jonge mannen, elk met een wapperende haneveer op den slappen vilt en een dikken, gladden wandelstok in de hand, en met in geheel hun voorkomen iets dat aan de skalden uit den voortijd deed denken: Het waren de dichterlijke ‘blauvoeten’ Rodenbach en de Mont. Beiden waren toen in verlof bij A. Vyncke, oud officier van de pauzelijke zouaven, onderpastoor te Dudzeele, - sedert als missionaris in Afrika gestorven, - en konden aan den lust niet weerstaan, om even kennis te komen
| |
| |
aanknoopen met den componist van Pol's liederen. Het genot van het samenzijn was zoo groot dat de bezoekers niet eens merkten, dat het langzamerhand laat geworden was en dat een hevig onweer in de lucht hing. Rodenbach, die even maar naar Brugge moest, was gauw onder dak, maar de Mont moest door regen en wind, donder en bliksem in 't midden van den nacht te voet naar Dudzeele!
Huis van Karel Mestdagh
Sedert dien heugelijken dag zijn Mestdagh en de Mont niet alleen werkgenooten in de kunst, maar ook trouwe vrienden gebleven. Met een heele reeks pareltjes hebben zij onze kunst verrijkt en veel nog durven we van hun samenwerking verwachten. Al hun stukken ademen een en denzelfden geest: lentefrischheid en pril gevoel. Het is nietuitsluitend de bekoring van den inhoud, die Mestdagh tot de Mont's verzen aanlokt, maar ook hun uiterlijke hoedanigheden van klank en maat. Die eigenschappen stelt Mestdagh op hoogen prijs. Voor elk lied bespreekt hij overigens met de Mont grondig de melodie evenzeer in opzicht van het metrum als van de innerlijke bedoeling van het vers. De Mont, die, zooals Mestdagh zelf zegt, een zeer fijn gehoor heeft, beweegt hem zelfs wel eens om hier of daar een kleinigheid te wijzigen. Dergelijke gewetensvolle samenwerking is de beste waarborg voor het gehalte van hun liederen.
Men zinge maar: So ic ware een vogel clein (Breitkopf & Härtel); Ei bezinne de Mei (Id.), een lied, schallend als lerkenzang, met een klavierbegeleiding, die trilt van klingelende blijheid; Daar staat in gindsen woude (Id.), zoo eenvoudig en lief als een oud volkslied; het innige, fijn getoetste 't Is niet omdat gij een roosken zijt (Id.); de met zooveel maëstria bewerke en toch zoo echt geïnspireerde Bloemenkrans (Id.); het hartstochtelijke Och ewigh is so lanc (P. van Marcke, Brugge); Er wonen vogelkens vele (Id.); Och toon ze me niet (J. Vuylsteke, Gent); O, zend mij dijn groet (van Langermeersch, Brugge) en Och ware mijn hart er een kevie (Id.). Onuitgegeven zijn nog: Leg op mijn hart uw voorhoofd, Ten blauwen Hemel, twee liederen met klavierbegeleiding; Aan een Droombeeld, een aria, en De blonde Kerel, een ballade, beide met orkestbegeleiding. Dit laatste stuk werd herhaaldelijk met bijval gezongen in Duitschland door den gevierden tenor Ernest van Dijck.
Op gedichten van Eug. van Oye schreef Mestdagh In Zee (J. Vuylsteke, Gent) en Roosje uit der Heide (Breitkopf & Härtel), dit laatste
| |
| |
zoo lief en treffend in melodie en begeleiding als een lied van Schubert. Tot zijn mooiste liederen behoort A. Rodenbach's Fantasia (J. de Meester, Roeselare; Breitkopf & Härtel). Het is een droomerige melodie vol ‘Sehnsucht’; de oneindigheid van de zee, waarover de ‘watten wolkskens’ ijlen en verdwijnen als onze droomen, opent zich bij 't aanhooren van dit lied. Overigens, zooals de heer J. Reylandt ons vertelde kreeg Mestdagh de inspiratie voor dit lied in de duinen te Knokke, terwijl ze beiden als gewiegd werden door den ruischenden baarslag van de zee, die in zomerzon tintelde.
In den laatsten tijd heeft Mestdagh een twaalftal van de welgeslaagde Nederlandsche vertalingen, die Frans de Cort naar R. Burns boerenliederen maakte, op muziek gebracht. Op Mestdagh moest die landelijke, oprechte poëzie de grootste bekoring oefenen; en werkelijk, de muziek, die hij er voor maakte en die wij zoo gelukkig waren te hooren, behoort tot het beste, dat we van hem kennen. In deze liederen is een voor Mestdagh nieuw element aanwezig. Tognogtoe kenden wij geen guitige, schalksche stukjes van hem, in die nieuwe reeks echter komen er dergelijke voor, die bewijzen dat Mestdagh ook in dat genre goed thuis hoort. Ha, ha de liefde! - Vivat mijn schat, mijn spinnerad, - O Tibbie, - Daar was een schalksche meid e.a. zullen stellig bij hun verschijning opgang maken.
Buiten al die liederen schreef Mestdagh nog, altijd in denzelfden landelijken geest: Jochij, driestemmig koor met klavierbegeleiding voor vier handen, gedicht van H. Sabbe, en Lentefeest, gemengd koor met beschrijvende orkestbegeleiding. Dit laatste werkje, nogeens een gedicht van Pol de Mont, klinkt opgewekt en frisch zooals het past bij een schaar levenslustige jongens en meisjes, die door bosch en veld stoeien bij lentetijd.
De stukjes, die Mestdagh voor klavier schreef, Zes Divertimenti (Hofmeister, Leipzig), Zes nieuwe Divertimenti (Breitkopf & Härtel), en vooral zijn drie onuitgegeven Humoresken, die beurtelings een morgenwandeling, het gezang van de vogels en de blijde stemming van den dichter beschrijven, zijn ook in hoofdzaak natuurindrukken.
Zijn Symphonische Suite (Reidans, Serenade, Schuttersmarsch, Kermis, Klacht en Finale) en ook zijn Vlaamsche Boerenbruiloft voor symphonie (Optocht, In de kerk, Marsch en Feest) geven ons weer een idealiseering van het dorpsleven. Even als in Benoit's Meilief en in Blockx's Vlaamsche Boerendansen zijn in die suites een paar volksliederen verwerkt, die medehelpen om er een treffend nationaal karakter aan geven.
Wat Mestdagh nu ook nog buiten de opgesomde werken geschreven hebbe, in een andere gemoedsstemming, wij blijven bij de overtuiging, die wij in het begin van deze schets neerscheven: in het landelijk genre is hij het eigenaardigst, het persoonlijkst.
Nochtans zijn er onder zijn vaderlandsche gezangen enkele goedgeslaagde en populair gewordene aan te stippen. Nagenoeg al onze Vlaamsche componisten, sedert Benoit en Gevaert, hebben vaderlandsche muziek geschreven. Noemen wij enkel Benoit en
| |
| |

KAREL MESTDAGH
Naar een oorspronkelike krijttekening van E. Van Hove
| |
| |
Gevaert zelf, Van Gheluwe, Blockx, Van den Eeden, Blaes, Wambach, Van Duyse e.a. Die werken, meestal liederen, versterken nog het nationale karakter onzer jonge Vlaamsche muzikale school. Mestdagh nam heel vroeg plaats in die schaar. In 1871 reeds componeerde hij een cantate Vlaanderen den Leeuw. Zijn liederen Nederland is onze Moeder (onuitgegeven), De Schelde (Peeters, Leuven) en vooral Kerlingaland, (Vuylsteke, Gent) met zijn sterken rhythmus en gespierde melodie, alle op gedichten van Th. Sevens, zijn zeer

Studeerkamer van Karel Mestdagh
volksgeliefd. Noemen wij nog het studentenlied Het Jonge Volk (Hoste, Gent) gedicht van H. Sabbe en het Vlaggelied (onuitgegeven), gedicht van J. Sabbe. Het Weverslied uit de Klokke Roeland van J. Sabbe zette hij insgelijks op muziek. Vrijheidshymne, gemengd koor met orkest, tekst van E. Hiel, is stellig zijn belangrijkste werk in den nationalen trant.
Verder heeft Mestdagh ook heel wat kerkmuziek geschreven. Hij groeide overigens om zoo te zeggen op te midden van orgeltonen.
Heel zijn familie bestond uit muzikanten. Zijn grootvader Hendrik Mestdagh was orgelist en onderwijzer, zijn oomen insgelijks. Onder hen muntte vooral Lodewijk Mestdagh uit, die interessante praeludiums voor orgel schreef.
Zijn vader was ook orgelist en onderwijzer te St. Pieters en liet hem al heel vroeg op het doxaal komen. Op het Brugsch college had Mestdagh het geluk onder zijn leeraars den heer Pieter Busschaert pr. aan te treffen, een uitstekend toonkundige, die hem veel hielp in zijn muzikale studie. Onder het bestuur van den heer Busschaert zong de school bij groote plechtigheden de missen van Palestrina, motetten van Orlando; een andere maal zong men zelfs wereldsche muziek van Willaert, Goudimel of andere oude Vlaamsche meesters. Met veel geestdrift en erkentelijkheid weet Mestdagh nog over zijn oud-leeraar Busschaert te spieken. Na de schooljaren bekleedde Mestdagh nog gedurende eenigen tijd de plaats van orgelist in de Dorpskerk te St. Pieters.
Verscheidene praeluden en motetten van zijne hand dagteekenen uit dien tijd. Hij nam ook ernstig deel aan de beweging, die voor enkele jaren ontstond, om een noodzakelijke verbetering te brengen in de kerkmuziek. Iedereen weet welke ketterijen soms gepleegd worden
| |
| |
door ondergeschikte orgelisten zoowel op het platte land als in de kleine steden. Soms aarzelen die.... muzikanten niet om gedurende de de godsdienstige plechtigheden een wals of aria's uit bekende opera's te spelen. In de mate van zijn krachten wilde Mestdagh dat te keer gaan. Met A. Reyns heeft hij gedurende twee jaar de Harmoniae Sacrae uitgegeven (Raoux, Brugge). Deze verzameling lithurgische muziek was zeer goed verzorgd en ongemeen goedkoop om ze tot in de kleinste plaatsjes te doen doordringen, nochtans konden de uitgevers, wegens gebrek aan belangstelling, niet langer volhouden. Mestdagh zelf heeft verscheidene motetten en praeludiën en zelfs een mis geschreven voor die uitgaaf. Verder kennen wij nog van hem een Benedictus voor koor, soli en orgel.
Laten wij thans ook de overige werken van Mestdagh opsommen, die niet bepaald onder een der door ons gemaakte rubrieken kunnen gebracht worden: Jubelzang (kinderkoor met begeleiding van harmonium en piano,) Jubelouverture (voor groot orkest met het Wilhelmuslied in koor; opgedragen aan wijlen Willem III), Van Eycksmarsch (voor groot orkest), Excelsior (symphonisch gedicht naar Longfellow, voor groot orkest en orgel), Een droom (voor snaren), Quintett (voor snaren en piano), Intermezzo voor viool en orkest).
Mestdagh heeft thans een drama-libretto in handen, dat hij eerlang op muziek zal gesteld hebben. Tot de volle ontwikkeling van zijn talent gekomen, kan hij ons thans iets merkwaardigs leveren, vooral omdat het onderwerp van dit libretto, van zijn lievelingsdichter Pol de Mont, heel en al opgevat is in den landelijken geest, waarin hij tot nogtoe steeds zijn beste inspiraties vond. Meer willen wij er niet over zeggen. Wij spreken alleen het stille vertrouwen uit, dat Mestdagh uit zijn dichterlijke, stille vlakte een heerlijk werk zal aanbrengen, om onzen wordenden muzikalen schat te verrijken.
A. Verbruggen,
Brussel.
|
|