Vaderlandsche letteroefeningen. Jaargang 1848
(1848)– [tijdschrift] Vaderlandsche Letteroefeningen– Auteursrechtvrij
[pagina 1]
| |
Mengelwerk.Instinkt, verstand en rede.
| |
[pagina 2]
| |
neer men het instinkt alleen aan het redelooze dier toekent en den mensch ontzegt?’ Deze vraag alleen zal misschien sommigen reeds ergeren. ‘De mensch - instinkt! En is dan die aandrift, waardoor zij werktuigelijk en bewusteloos datgene doen, waarvan zij het schoone en nuttige zelven niet inzien, niet juist een onderscheidend kenmerk der dieren? en is het niet de voortreffelijkheid van den mensch, dat hij niet door instinkt, maar verstandig, met overleg en naar een voorbedacht plan handelt?’ - Mijne Hoorders! zoo dwaas en laag het is, onze menschenwaarde weg te werpen, even dwaas is het, ons het dierlijke, dat in ons is, te schamen. Onze bestemming is wel de hemel, maar ons verblijf de aarde. Ons wezen is geest, maar ons kleed is stof. Eilieve, gij verheven, aetherisch wijsgeer, die uwen naam niet lezen wilt in de schakel der dierlijke wereld, omdat gij vreest, in die rij geplaatst, met uwe fijne vingeren den ourangoutang de hand te moeten reiken! beproef het eens: sla uwe tanden in die schoone runderribbe niet: de tijger eet immers ook vleesch; gebruik uwe voeten niet, zoo als het gemeen: want beeren en ezels loopen ook; en leg u toch vooral in het dons niet neder om te slapen, om geen marmot gelijk te worden. - Wel nu, gaat het niet? - Als wij ons dan niet schamen, te eten en te drinken, te gaan en te slapen als het redelooze vee; schamen wij ons ook niet, instinkt te hebben, even als zij. Want de voortreffelijkheid van den mensch bestaat niet daarin, dat hij het niet heeft, maar dat hij nog oneindig meer heeft dan dit. De zaak zal ons duidelijk worden, zoodra wij ons nog eens herinneren, wat het instinkt eigenlijk is. In de dieren hebben wij het leeren kennen als ‘eene natuurlijke aandrift om datgene te doen, wat strekt tot instandhouding, bescherming en voortplanting van het leven.’ Het dier kiest en bemagtigt daardoor zijn voedsel, maakt of wisselt kleed en woning, verdedigt zich en de zijnen, voedt en beschermt zijn kroost. Gaan wij, met dit denkbeeld helder vóór ons, tot den mensch over, en wel tot de eerste beginselen des menschelijken levens. | |
[pagina 3]
| |
Bezoeken wij eene kraamkamer. Er ligt een redelijk wezen in die wieg. Wij moeten het gelooven; maar als wij het wiegekleed opslaan, en dat ingebakerde, ongefatsoeneerde schepseltje er uit nemen, - waarlijk! het heeft er nog weinig van. Maar zie eens! het kind gevoelt, naar het schijnt, dat ieder, die over kinderen philosopheert, daarom nog niet met kinderen kan omgaan. Het schreeuwt, zoodra gij, onhandig bezoeker, het opneemt. Het gevoelt zich ongemakkelijk in uwe handen. Gij zijt de baker of de moeder niet! Daarom, of liever daardoor schreeuwt het. Want de Natuur drijft het aan, om telkens dat eentoonig lied der kraamkamer aan te heffen, in gedurig hooger dissonanten, als het zich niet regt op zijn gemak gevoelt of eens wat zachte beweging noodig heeft. - En let nu verder op: het kind ziet u nog niet, of het ligt zelfs te sluimeren; maar zoodra gij het aanraakt of kust, als gij daartoe den moed hebt, begint het de lippen vlijtig te roeren. - Waarom dat? - 't Is de mine van zuigen, mijn vriend! die het wichtje maakt op eene onzekere kans af, omdat het niet onderscheiden kan, wat de lippen nadert. Is het iets ouder, dan zal het uwen vinger grijpen en naar den mond brengen, om te beproeven, of gij eetbare waar medebrengt. En toch denkt het nog niet, en weet nog niet wat het doet! Ziet gij wel - dit zij tusschen beide gezegd, - dat hebben en genieten onzer aller eerste wensch is geweest, reeds eer wij wisten, wat wenschen was? Wat wonder dan, dat de mensch dit instinkt, om uit alles zijn voordeel te zuigen, om alles, wat onder zijne handen komt, naar zich toe te halen en stevig vast te houden, zoo moeijelijk afleert? Zoo hebben wij dan allen het eerste, wat wij deden op de wereld, uit instinkt gedaan; maar nu, nu handelen wij toch als menschen? 't Is zoo, en toch geleidt ons het instinkt, in het genot en de bescherming van ons leven, van de wieg tot het graf. Wij willen nog eens onze kinderen bezoeken. Nu zijn ze der wieg ontwassen. Maar wat drijft hen zoo rusteloos rond, terwijl wij bejaarden blijde zijn, dat wij rustig zitten? Vanwaar komt hun het denkbeeld van al die lieve dwaasheden, die wij spelen noemen? Het | |
[pagina 4]
| |
is de Natuur, de levendige groeikracht, de verbeelding; kortom, geen diep nadenken over gymnastiek of tooneel, maar eenvoudig instinktGa naar voetnoot(*). En gij, gij, die reeds lang vergeten zijt, dat gij ook eens zulke woelzieke en speelsche kinderen waart, gij beklaagt u nu over de ongehoorzaamheid van het opkomend geslacht, omdat gij ze niet dwingen kunt tot het eenige, dat uwe ouders u ook nooit hebben kunnen leeren, tot datgene, wat groei en kracht en leven zou uitdooven, tot stil te wezen. Maar genoeg hiervan: boven de kinderkamer zijn wij allen toch reeds verheven. Goed, mijne Hoorders. Dan zal ik u eene proeve van het instinkt doen zien in - het zij met allen eerbied gezegd! - in een' professor. Een professor is een geleerd mensch, verschrikkelijk geleerd. Als hij in den zomer een' optrek gehuurd heeft bij een' boer, in eene of andere bekoorlijke landstreek, begrijpt de goede huisman naauwelijks, welk een schat van geleerdheid achter dien bril in die kleine hersenkas besloten is. De professor studeert evenwel niet altijd. Hij wandelt ook. De boer niet, die gaat wel, maar wandelt nooit. En als nu de een gaat en de ander wandelt, denkt geen van beiden er aan, of de een moest bij geval een professor in de ana- | |
[pagina 5]
| |
tomie zijn, dat hij bij iederen voetstap eene zeer kunstige manoeuvre doet: want om goed te balanceren bij het loopen, moet de regter arm altijd met het linker been en omgekeerd de linker hand met het regter been medegaan. Beiden doen het uit dat aangeboren instinkt, waardoor ieder gezond kind van zelf den pas leert en dien nooit vergeet, schoon hij dien ook nooit begrijpt. Daarom, om niet onhandig der Natuur het werk uit de hand te nemen, behooren de leibanden ook niet meer tot het verbeterd onderwijs. Maar wij keeren tot den professor terug. Vele andere kleinigheden gedurende den dag gaan wij voorbij, en vooronderstellen, dat die ten einde loopt. De boer is moê van den hooibouw, en zijn hooggeleerde van het studeren. Beiden gaan naar bed. Zij slapen. Daar gonzen de lastige muggenzwermen door het huis, evenzeer belust op boersch als op professoraal bloed. Op hetzelfde oogenblik strijkt ééne mug neder op den neus van den bouwman, en eene andere op dien van zijn' huisgenoot. Pleun of aai, hoe hij heeten mag, slaat er naar, en de professor ook, beiden in den slaap, zonder na te denken, wat en waarom zij het doen; en ik geloof, dat de boer nog meer kans zal hebben om zijn' vijand te verpletteren, niet omdat hij beter weet, wat een mug is of waarom men haar doodslaat, maar eenvoudig omdat het instinkt van zelfverdediging, dat alle menschen gemeen is, bij hem meer op het doodslaan van muggen is geoefend.
Tot nu toe hebben wij den mensch nog alleen leeren kennen als een zelfzuchtig wezen, dat zijn eigen leven voedt, ontwikkelt en beschermt. Maar de Schepper heeft in ieder levend en bezield schepsel de zucht gelegd, om zijn geslacht na te laten, wanneer hij zelf het tooneel des levens verlaat; om zich daartoe met zijns gelijken te verbinden, en vader of moeder eenes huisgezins te worden. En de liefde, die der jeugd zoo schoone idealen voorspiegelt, die in den verderen leeftijd zoo menigen zwaren last ligt maakt en den grijsaard nog roert bij de herinnering; ook de liefde is oorspronkelijk zuiver instinkt: dat is, eene blinde aandrift, waarvan men zich zelven geene reden weet te geven, ja die dikwijls | |
[pagina 6]
| |
met alle redenering en ondervinding lijnregt in strijd is. Dit ergere mijne jeugdige hoorders niet. Ik wil niets afdingen van het reine, zielverheffende der liefde, die zooveel in zich opneemt, dat waarlijk menschelijk en edel is. Maar haar eerste ontstaan in ieder, ook in het ruwste en onedelste gemoed; die eerste blik, waarvan dichters en romanschrijvers zooveel te verhalen hebben; - het is een sluimerend instinkt, dat wakker wordt. Volgen wij slechts met onze gedachten zoo vele kinderen uit een oneenig, armoedig, rampzalig huisgezin. Begeven wij ons daartoe vooral onder den minder beschaafden stand, die nog niet zoo als wij geleerd heeft, der natuur geweld aan te doen. De jongeling ziet in zijne moeder dikwijls eene kribbige klappei, eene afzigtelijke morsebel; het meisje in haren vader een' woesten dwingeland of een' verachtelijken dronkaard. Beiden althans kunnen zelden de trekken, tot het ideaal van huwelijksgenot noodig, aan de ouderlijke woning ontleenen. Toch droomen zij denzelfden droom, die eens ook hunne ouders droomden, en fluisteren van bovenaardsche vreugde! - En het is eene wijze inrigting van God, dat hier het natuurlijk gevoel, en niet de redenering geldt.
Maar volgen wij nu het instinkt in deszelfs schoonste ontwikkeling. Als zelfliefde vonden wij het eerst, daarna als liefde, nu moeten wij het nog leeren kennen als moederliefde. Zie eens - niet die edele, godvruchtige vrouw, die den moederpligt als eene heilige taak beschouwt, die de kinderlijke onschuld liefheeft, die gaarne weldoet, zelfs aan het vreemde kind; - neen! zie dat puntige, vieze nufje, dat den neus optrekt en dreigt met vapeurs, als zij eene - vergeef mij toch het onfatsoenlijke woord, Hoorders! maar ik kon het niet mijden: - als zij eene gebruikte kinderluur ziet. Ei, wat verandert zij niet in een of twee jaren tijds! Terwijl zij met spijtig ongeduld vroeger aan de wieg van zusje of broertje zat, en na vijf minuten reeds met tranen haar lot beklaagde, doorwaakt zij nu den langen winternacht en is bij alle voorkomende omstandigheden hare vapeurs vergeten, - Haar gevoel spreekt: dit is haar eigen kind! En onder de armen, waar menigmaal de een den ander | |
[pagina 7]
| |
het brood misgunt; in huisgezinnen, waar kinderen vechten om de harde korst, waar zelfs de man datgene, wat hij voor zijn kroost verdiende, in de kroeg brengt; ook daar kan toch de moeder het geschrei van haar kind niet ongevoelig aanhooren, en zal zij den knaap niet bespotten, die kermt om brood. En twijfclt gij misschien nog, of die moederzorg ook eene deugd is, eene vrucht misschien van Christenzin en beschaving? - Maar waarom ging dan de man ongevoelig henen uit het midden van zijn hongerig gezin? waarom ligt zelfs in gindschen hoek een stokoude vader of moeder, die men aan de armen overgaf of hulpeloos laat kermen, en trekt alleen het anders ruwe hart naar die wieg? Het is haar kind, de vrucht van haren schoot; en de anders onmenschelijke vrouw heeft het lief, gelijk de hen hare kiekens. Ik verwonder mij, zoo dikwijls ik hier of daar dit moederlijk instinkt hoor betwijfelen, omdat enkele ontaar de moeders hare kinderen te vondeling leggen of vermoorden, enkele diep verbasterde Heidensche volken ze zelfs den Afgoden offeren. Maar twijfelt men dan ooit bij het zien van een' enkelen blinde, of ook de mensch van nature twee goede oogen heeft? Juist deze uitzonderingen, die toch nimmer bij ons weten eenig volk op aarde hebben doen uitsterven; juist die enkele uitzonderingen, juist de algemeene verwondering en verontwaardiging, die zij opwekken, doen ons het schrift lezen, dat de Schepper in 's menschen hart gegraveerd heeft. Ja zelfs die afgrijselijke offeranden, waarvan ons menschelijk gevoel terug deinst: wat zijn ze anders, dan eene opzettelijke verloochening van dat ingeschapen gevoel, ten einde voor den hoogsten en edelsten prijs, dien deze aarde den mensch gaf, vrede met den hemel te koopen? wat anders dan de overwinning in den strijd tusschen zijn kind en - zijnen God?
En hiermede hebben wij het eerste gedeelte onzer taak ten einde gebragt. Daarop terugziende, moeten wij in dit opzigt onze armoede in vergelijking der dieren bekennen. Ons instinkt is alleen en naauwelijks voldoende, om het menschelijk geslacht in wezen te houden, maar ook meer | |
[pagina 8]
| |
niet. De geheel wilde, de diermensch maakt zich niet eens een hol als het konijn, of een waterkasteel als de bever, of een kunstig nest als de vogel. Het instinkt leert hem geen wintervoorraad opleggen als de wortelmuis en bij, noch wijst hem den weg door woestijnen of zeeën. Ja zelfs de gave der nabootsing, die het naast met hem verwante apengeslacht eigen is, ontbreekt hem. Maar juist hierin zien wij de wijsheid des Scheppers. God heeft gedaan, gelijk een zorgend vader doet: het onmondig of diep onnoozel kind ondersteunt en voedt hij, of stelt het onder de leiding van een braaf en kundig voogd; maar de wakkere knaap, tot man opgewassen, moet leeren op eigen voeten te staan. Zoo blijven ook de dieren altijd onmondig en het instinkt, is hun voogd; de mensch gaat arm de wijde wereld in. Maar juist deze onze natuurlijke armoede ontwikkelt al de krachten van onzen geest, en leert ons de schatten kennen van het menschelijk verstand.
Ook tot juiste bepaling van het verstand heb ik een en ander vooraf te zeggen; maar, om opregt te spreken, ik zit er een weinig verlegen mede. De smaak van onzen tijd brengt mede, weinig het verstand in te spannen, en het nederig zijne plaats aan de verbeelding te laten afstaan. De op die wijze, romantisch of humoristisch, geprikkelde verbeelding heeft ja nog wel eens de goedheid, een weinigje gezond verstand aan den man te brengen; maar daarmede moet men dan ook tevreden zijn. Een boek, dat enkel redeneert, blijft van bladzijde 5 of 10 af onopengesneden, en de enkel redenerende spreker spreekt na 5 of 10 minuten zonder hoorders. Bedenkt eens, welk een vooruitzigt dit is, daar ik toch wel verpligt ben, over het verstand een weinig tijds verstandig met u te redeneren! Stelt u in mijne plaats, en volgt mij, - al was het uit medelijden. Verstand komt van verstaan, en zou dus het zelfde zijn als begrip van begrijpen. Het spraakgebruik is echter anders. Bij verstand denken wij aan het vermogen om waar te nemen, begrippen te vormen, door zamenvoeging dier begrippen tot oordeelen op te klimmen, en daarop besluiten | |
[pagina 9]
| |
te vormen. Het verstand is dus de brug, die van den uiten inwendigen zin tot den wil leidt, en dien wij uit eigen keus, maar door behoefte of begeerte aangedreven betreden. De werkzaamheid van ons verstand noemen wij denken. Dit denken ontleent zijne grondstoffen niet alleen aan de oogenblikkelijke waarneming, maar ook aan het geheugen en de daarmede verwante verbeelding. Is nu dat denkvermogen, in zijn gebruik voor het dagelijksch leven, zuiver, dan noemen wij het gezond verstand; is het sterk en geoefend, heeft men reeds eene zekere mate van begrippen en oordeelen vergaderd, dan zeggen wij van iemand, dat hij veel verstand heeft; en is het verstand op elk voorkomend bezwaar gevat, bewerkt het een goed en ras gevonden oordeel of besluit, dan noemen wij iemand vlug, listig, slim, en verbinden met deze laatste woorden dikwijls het denkbeeld van eene twijfelachtige zedelijkheid. Gaan wij nu vergelijken: - dan vinden wij, dat het verstand geene aandrift is, als het instinkt, maar een vermogen. Wij oordeelen en handelen niet uit ons verstand, maar door en met ons verstand, even als men met de hand grijpt en met den voet loopt. Met sterke handen kan men lui zijn, met gezonde beenen te huis blijven, en een goed natuurlijk verstand ongebruikt laten. Er moet eene behoefte en begeerte zijn, - en die is er meer of min bij alle menschen, - om dit sluimerend vermogen in werking te brengen. Hieruit is het nu duidelijk, waarom wij spreken van ons instinkt of onze natuur te volgen, maar van ons verstand te gebruiken; en ik behoef u niet te zeggen, dat het menschelijk verstand bot en als met roest bedekt wordt, waar het ongebruikt blijft liggen, terwijl het vlug en sterk is door oefening; gelijk de trage beenen van den luiaard verschillen van den rappen en vasten voet des geoefenden wandelaars. Hebben wij ons zoo een algemeen denkbeeld van het verstand gevormd, dan willen wij het eerst in den mensch gadeslaan, waar wij het in zijne volle kracht en door eigen zelfbewustzijn kennen, om daarna tot de vraag terug | |
[pagina 10]
| |
te keeren, die ons eene belangrijke schrede nader aan ons doel zal brengen: ‘Hebben ook de dieren verstand?’ En hier wacht ons terstond een bekoorlijk tafereel, dat de geschiedenis van het instinkt mist. Het laatste stond daar vóór ons als eene afgewerkte schilderij; maar bij de beschouwing van het verstand zien wij penseel en palet, en zoo al niet de hand des schilders, toch de ruwe omtrekken, de beelden, de kleuren, die gestadig aangroeijen voor ons oog. Ieder vader en moeder, die waarlijk vader of moeder is, weet, welk eene onwaardeerbare vreugde wij genieten, wanneer wij in de kinderen datgene opmerken, wat wij zoo eigenaardig verstandsontwikkeling noemen. Met dat woord gebruiken wij, zonder er bijna ooit op na te denken, een bekoorlijk beeld uit de natuur. Het is het beeld van den rozenknop, die zich ontwikkelt tot de vorstin der bloemen. Eerst is de knop geheel tusschen bladeren verscholen. Daarna wordt hij zigtbaar, maar nog klein en in een' engen groenen band gevat. Later, als reeds het rozenrood doorschemert, zijn nog de blaadjes digt en vast ineengerold. Maar door de zon gekoesterd, ontwikkelt zich het eene blad na het andere, springen de groene banden los, en de roos bloeit in al hare pracht, terwijl de groene buitenblaadjes achteruit springen: - want deze zijn als de gedachtenis eener te vlug doorgeleefde kindschheid; eene gedachtenis die ook wordt achteruitgedrongen bij den vollen bloei des verstands, maar nog groen is, wanneer het verstand reeds heeft uitgebloeid. Maar keeren wij tot de kindschheid terug. Gelijk dan de rozenknop zich niet ontwikkelt zonder zonneschijn, zoo doet de zon des levens, des maatschappelijken levens, het kinderlijk begrip en nadenken zich ontwikkelen. Let hierop, ouders! en het doe u vrede hebben ook met de gebreken uwer kinderen, indien het ten minste alleen de natuurlijke gebreken zijn van hunnen leeftijd. Ik wil een goed woord voor hen doen. Gij klaagt, dat uw kleine meid zoo nieuwsgierig is, eene regte bemoeial; en over dien jongen, dat hij ook alles hebben wil, en het maar stoutweg | |
[pagina 11]
| |
vraagt, al hebt gij hem honderdmalen de oudvaderlandsche les ingeprent, die bij mijn weten nog nooit een kind goed heeft kunnen onthouden: ‘Kinderen, die vragen, krijgen niet.’ - Maar laat ik u mogen zeggen, dat kinderen nieuwsgierig en begeerig zijn, omdat dit de eenige weg voor hen is, om verstandig te worden. Uw kleine is even opmerkzaam, als wij zouden zijn bij onze aankomst op de maan, wanneer er een luchtschip heenvoer. Voor ons toch is het hier beneden meest oude kost; voor den aankomeling is alles nieuw. Ieder kind gebruikt daarom de oogen en ooren ijverig. Alleen merkt het vlugge kind meer op, en het bedaarde denkt meer na. En bij die nieuwsgierigheid is een kind ook begeerig, omdat het nog door niets verzadigd is. Daar het nu begeert, gaat het overleggen; het wordt slim, eer het verstandig wordt; hoe meer vrees het voor mislukking of ontdekking heeft, te meer overlegt het heimelijk, bedriegelijk. Zoo verklaart zich het verschijnsel, hetgeen wij ook bij de wilden zien, dat namelijk liegen en stelen het eerste onkruid is op den akker des verstands. Het groeit er van zelf op, zoodra die ontgonnen is: jammer van zoo veel goede vrucht, waar dit onkruid niet bij tijds wordt uitgewied! En zoo toont zich dan het kind al op de drie en vier jaren een verstandig wezen; en de goede Schepper heeft gezorgd, dat de mensch lang kind blijft, langer dan eenig dier, omdat hij voor zijne bestemming oneindig meer ontwikkeling, oefening, verrijking des verstands noodig heeft. Deze verdere ontwikkeling, bij den voortgang van dierlijke sluwheid tot menschelijk verstand, moeten wij vooral niet vergeten de onwaardeerbare, den mensch alleen eigene gave der spraak. Hoe vroeg reeds buigt de kleine het hoofdje naar de stem der moeder, en onderscheidt aan den toon der stem bestraffing en liefkozing. Hoe oefent niet, van het eerste ontwaken in den morgenstond af, het knaapje zijne taalkennis, vraagt naar vreemde namen en beproeft nieuwe woorden! Zoo verkrijgt door de spraak iedere zaak een herinneringsteeken, ieder denkbeeld een zinnelijk kleed, gelijk het goud en zilver kennelijk en gangbaar wordt door de munt. Zoo wordt de schat al | |
[pagina 12]
| |
grooter en grooter, die het geheugen oplegt, straks beproeft nu de kleine, zijne denkbeelden te verbinden, en redeneert zoo logisch als een wijsgeer, terwijl beiden dit gemeen hebben, dat hunne onderstellingen wel eens uit de lucht gegrepen of hunne gevolgtrekkingen te stout zijn. Een paar voorbeelden komen mij daarvan voor den geest. Ik hoorde onlangs mijn' kleine, die zijn ouder broertje van de school welkom heette, beredeneren, dat, als hij eens zoo groot werd als broertjes onderwijzer, hij ook de kinderen op het bord kon leeren en dan zou mijn oudste bij hem schoolgaan. Hij gebruikte hierbij den schat zijner begrippen wel, maar de conclusie ging niet door: want hij had gedaan even als het kind, dat berekende in hoeveel jaren het even oud als zusje kon worden; hij had den groei van broeder cornelis vergeten. - Een ander voorbeeld van naïve redenering is dit: op zeker kerkhof woont een gezin, waartoe kleine kinderen en eene oude vrouw behooren. Een meisje, van vier jaar misschien, zag dikwijls met kinderlijke nieuwsgierigheid den optogt der begrafenissen, en hoorde meer van den dood dan anderen van hare jaren. Op zekeren morgen wordt de kat dood gevonden. Het arme beest! De kleine is bedroefd en wil het begraven; - en dat alleen niet. Het loopt naar de oude vrouw, en houdt maar niet op met roepen: ‘Grootmoê, grootmoê, de bus!’ - Het kind wist alles, wat er tot eene begrafenis behoorde, tot de armbus toe: alleen de toepassing op haar katje faalde. Deze kleinigheden, - beuzelingen zal misschien deze of gene ze noemen, - kunnen ons toch weder leeren, van hoeveel waarde de spraak is tot ontwikkeling des verstands. Door te spreken ziet men als 't ware zijne begrippen, oordeelen, redeneringen buiten zich, gelijk men zijn gelaat ziet in eenen spiegel. Men hoort en beoordeelt zich zelven en wordt door anderen beoordeeld. Daarom denkt het kleine kind zoo gaarne hard op, al is er niemand bij: in stilte te denken is voor hetzelve even moeijelijk, als het meestal nog voor volwassenen is, uit het hoofd te rekenen. De som raakt gedurig in de war. En inzonderheid wordt dusdoende het verstand geoefend door teregtwijzing en onderrigt. Wij mogen soms | |
[pagina 13]
| |
meenen, geheel oorspronkelijk en onafhankelijk te denken; ieder mensch is een kind van zijnen tijd, en wij allen zijn scholieren onzer moeders: op die school leerden wij door te dwalen, en werden door vragen wijs. Wilt gij een sterk bewijs voor dit alles? Lees dan de berigten omtrent die enkele, gelukkig enkele menschen, die in bosschen afgedwaald, of door andere onheilen van de maatschappij afgezonderd, zijn opgegroeid. Lees de geschiedenis b.v. van den ongelukkigen kasper hauser. Wat wordt het kind in dien oorspronkelijken, onafhankelijken natuurstaat? Een zelfstandig denker? Een eenzaam wijsgeer of natuuronderzoeker? Neen, een diermensch, zonder schaamte, zonder oordeel, zonder spraak. En zoo vinden wij van zulk een diermensch af, tot den diepdenkenden natuurkenner, die hem waarneemt, een' verbazenden afstand; een' afstand, zoo groot, dat wij beiden bijkans niet als dezelfde soort van schepselen zouden erkennen, indien dit niet onloochenbaar bewezen wareGa naar voetnoot(*). Ja hoeveel verschil in begrip en oordeel is er zelfs niet, waar wij reeds gewoon menschenverstand vinden. Die Neger, die daar ronkt op zijne mat, tot de zweep hem opwekt; die Indiaan, die achter een' spiegel grijpt, om zijn eigen gezigt te vangen, - hoe ver staan zij beneden ons! En waarlijk, men behoeft, om dit op temerken, de gevaar- | |
[pagina 14]
| |
lijke zeereis naar Oost of West niet te doen, noch op de ontdekking der Zuidzee-eilanden uit te varen. Onze achterstraten zijn nabij, en de begrippen en oordeelen, over de onderdeur geuit of op de hoeken der straten verbreid, zijn ook in dit opzigt merkwaardig genoeg. Maar wij moeten vooral, als wij de verbazend verschillende mate van het verstand der menschen opmerken, onderscheid maken tusschen een' bekrompen aanleg en eene gebrekkige ontwikkeling. Het is eene waarheid der dagelijksche ondervinding, dat bij dezelfde leiding het eene kind vlug is, het andere traag van begrip; en weder - want dit is geenszins hetzelfde - het eene bekrompen van oordeel en dof, en het andere nadenkend en helder van geest. Hetzelfde merken wij op bij de verschillende volken en menschenrassen. Bij den Europeër, vooral van het Kaukasisch ras, ontwikkelt zich best het oordeel; bij den Oosterling de verbeelding; bij den Chinees de kunst van nabootsing (de technische aanleg); en zoo dalen wij, door vele verscheidenheden, af tot het Negerras, dat bij een sterk ligchaamsgestel de minste verstandsvermogens schijnt te bezitten. En willen wij eene sterke proeve zien van dit verschil tusschen aanleg en ontwikkeling, hooren wij dan de nieuwste berigten omtrent Nieuw-Zeeland. Lang hield het gerucht, dat daar menscheneters woonden, de reizigers terug van die onherbergzame kusten. Eindelijk toch drong de moed van Christelijke zendelingen tot dezelve door. Men vond de geruchten niet overdreven. Maar in diezelfde menscheneters ontdekte men een' uitmuntenden verstandelijken aanleg, die eens misschien dit volk verheffen zal boven menig ander in het zoo vroeg beschaafde Azië. Onderscheiden is dan de mate des verstands, maar nergens ontbreekt het geheel, dan bij den wezenloozen mensch of bij den kindschen grijsaard, die tot de natuurlijke armoede van het instinkt terugkeert. Maar klimmen wij, van die eerste en armoedige sporen, tot den hoogsten trap der verstandelijke ontwikkeling op; beschouwen wij hen, die, met een' gelukkigen aanleg geboren, tijdig en doelmatig hun verstand konden oefenen en verrijken; - hoe verheven wordt | |
[pagina 15]
| |
dan niet het standpunt, waarop wij den mensch geplaatst zien! Eindeloos is het veld voor zijne opmerking; de schepping Gods. De gansche aarde is zijn eigendom, de hemel zijn schouwspel. Het menschelijk verstand dringt door tot millioenen mijlen ver, in den majestueuzen sterrenhemel, volgt de gansche eindelooze keten der geschapene wezens op aarde en de verborgene werking der natuurkrachten. En wat werkt niet zijn overleg en zijne volharding uit! Stel u den mensch voor, staande bij eene Egyptische pyramide of op een Gothischen toren, hoe verzinkt hij in het niet bij zijn eigen werk! Zeeën worden door hem afgedamd of stout bevaren, kanalen gegraven, bergen doorboord; in mijnen daalt hij neder, onder rivieren gaat hij door, in het luchtruim verheft hij zich; en dat alles alleen door het rigtig gebruik van de krachten zijns verstands. Het verstand is het sterkste der aardsche magten: want het bouwt steden op en vernielt ze; het bedwingt volken en bestuurt ze; het neemt de aarde in en onderwerpt ze. En wat is nu hierbij het dierlijk instinkt, dat kommerlijk zich rondwentelt in denzelfden kring? Zelfs de wilde, alleen met eene mat gekleed, is, waar hij met pijl en boog omzwerft of reist in zijne kano, - de heer der natuur!
Maar hier moeten wij nu, na het verstand in zijne gansche ontwikkeling, in zijne volle kracht te hebben leeren kennen, tot de vraag terugkeeren, of de dieren er geheel van misdeeld zijn, of wij al hunne handelingen door het instinkt verklaren kunnen. Ik weet wel, dat sommigen die vraag verachtelijk verwerpen, en het mogelijk bestaan van verstand in een dier, en dus van eene ziel, als heiligschennis veroordeelen. Ik wil echter gulhartig bekennen, dat ik altijd veel te doen gehad heb met iemand, die zich niet kan verdedigen, en dus al voor vele jaren genegen ben geweest, hierin de partij voor de dieren op te vatten. Het heugt mij nog, dat menigeen mij dit hoogelijk kwalijk nam, en de zaak zoo ernstig opvatte, als of hij bij het verliezen dezer procedure zijne eigene ziel en zijn eigen verstand aan het redeloos gedierte moest afstaan. En desniettegenstaande, zelfs op het gevaar af van bij dezulken geheel in ongenade te vallen, wil ik weder partij trekken | |
[pagina 16]
| |
voor het stomme vee; ja ik beroep mij gerust op ieder, die dikwijls onwillekeurig gezegd heeft: ‘Het is, of het beest ons begrijpt; alleen de spraak ontbreekt er aan!’ Maar die dan toch, als om zijn geweten vrij te pleiten, er bij voegde: ‘Het is toch maar een beest, zonder ziel; alles moet dan wel instinkt zijn!’ Over de ziel nader; voor het tegenwoordige is ons de vraag voorgesteld, die wij zonder vooroordeel moeten trachten te beantwoorden: ‘Kunnen alle verrigtingen der dieren uit het instinkt, dat is uit eene blinde aandrift, zonder vrije keuze of overleg, verklaard worden?’ Met andere woorden: ‘Merken wij nimmer bij de dieren die vorming en aaneenschakeling van begrippen (consociatio idearum), die oordeelen en besluiten op, die wij in ons zelven kennen als werkingen des verstands? Wordt dus ook hun wil, somtijds althans, door eigen nadenken vrij bepaald, en niet door blinde aandrift bestemd?’ Ik meen, tot antwoord, als ontwijfelbaar te mogen stellen: ‘Niet alles in de dieren is instinkt: zij handelen ook verstandig.’ Maar gij vordert billijk bewijzen. Wel nu, daalt dan nog eens met mij tot de dierenwereld af. Het eerst valt ditmaal ons in het oog de kolossale, op het oog zoo plompe olifant. Wij allen hebben zeker meer dan eens proeven van zijn overleg en oordeel gelezen. Herinneren wij ons slechts eene der bekendste. Een schilder wil een' olifant portretteren. Het beest is daar in het minst niet mede vereerd: want het moet op de schilderij staan tegenover een' tijger. En dat is nu minder, maar - met opgeheven snuit. Telkens werpt daartoe een knecht iets omhoog, dat hij vangen moet; maar dikwijls bedriegt deze hem. Dit begint eindelijk het ernstige dier te vervelen. Hij pompt den snuit vol water, en stort een' frisschen stroom - over den knecht? - neen, maar over den schilder en diens werk. Is het nu instinkt, een zoo luid en afkeurend oordeel over zijn eigen portret uit te spreken, dan moge het ook instinkt wezen, dat de schilder portretteert en de knecht iets omhoog werpt! | |
[pagina 17]
| |
Reeds de Ouden hebben in den olifant de duidelijkste proeven van verstand opgemerkt. In dien tijd, zoo verhaalt plutarchus, werden deze dieren tot kunstige dansen afgerigt. Maar dit viel een' hunner bitter zuur. Als een ongehoorzame of botte leerling, ontving hij harde scheldwoorden en knellende slagen. Onder treurige gedachten viel hij in slaap. En als hij nu wakker wordt, en de dansles van morgen hem het weder inslapen belet, gaat hij in stilte, bij het helder maanlicht, repetitie houden; en hij beproeft de vreemde standen en sprongen zoo lang, tot hij den volgenden dag met glans van het examen afkomt. Naast den olifant en zelfs boven hem, verdient billijk de hond eene ereplaats. Honden-anekdoten! wie kent ze niet bij dozijnen? Het moge al waar wezen, dat de trouw van dit dier aan zijnen meester een natuurlijk instinkt zijGa naar voetnoot(*), dat de Schepper hem daardoor den mensch heeft medegegeven, als een' getrouwen reisgezel bij zijne verspreiding over de gansche aarde; het is toch even duidelijk, dat het beest niet zelden oordeel en overleg aan den dag legt in de opvolging van dit instinkt. Telkens als ik van hondentrouw hoor, herinner ik mij nog levendig de aandoenlijke belangstelling, waarmede ik als kind het eerwaardig gelaat en de grijze haren van een' blinden bedelaar zag. Hij zat op eene druk bezochte straat, met zijnen krulhond bij zich. Boven hem hing eene schilderij, in onderscheidene vakken verdeeld. In elk vakje kwam de blinde voor met zijn' krulhond, zoo als die hem overal geleidde, waarschuwde, verdedigde; en de oude blindeman had dan ook waarlijk geen' anderen leidsman en misschien geen' anderen vriend in het volkrijk Rotterdam, dan zijn' getrouwen kardoes. Het valt mij moeijelijk, hier af te breken. Hoe veel zou | |
[pagina 18]
| |
er nog te verhalen zijn van de menschenredders op den St. Bernard; van den hond van zekeren Engelschman, die in eene verdachte herberg zich onder het bed van zijnen meester legde en hem daardoor redde; of van dien anderen hond, die in een naburig dorp menschen ging roepen, omdat zijn heer in levensgevaar was. Maar wij hebben nog veel wegs af te leggen; wij slaan dus ook den vos over, in de oudheid reeds door zijne listen beroemd; en met terzijdestelling van alle vooroordeel of afkeer, gaan wij van den hond over op het kleine beestje, welks slimheid zelfs ten spreekwoord geworden is, en dat toch niemand onzer zich vrijwillig tot huisdier kiest. Gelijk trouw het instinkt is van den hond, zoo is roofzucht dat der rot. En hoe haar verstand, al is het dan ook maar een dierenverstand, haar daarbij ten dienste staat, getuigt meer dan één vaderlandsch spreekwoord, getuigt helaas! de huiselijke ondervinding van menig onzer. Klemmen, vallen en wie weet niet wat al meer listen en lagen, doorziet zij; en eigenlijk kan ik eene rot geen ongelijk geven, daar zij toch niet spreken kan, dat zij met zulke duchtige argumenten den trotschen mensch weêrspreekt, die haar alle verstand en ziel ontzeggen wil. - Vraagt nog iemand bewijzen? Eene rot is in de klem gevangen. Maar haar poot alleen is ingeklemd. Zij neemt, na herhaalde pogingen om zich los te rukken, een kloek besluit; bijt den poot boven de plaats af, en blijft nog lang op drie pooten de schrik van dorschvloer en kelder. Een ander voorbeeld werd mij verhaald, toen ik buiten woonde, weinige dagen, nadat het gebeurd was. Eene rot was in de kamer. Alles werd gesloten, en zij vervolgd. Op eens verdwijnt zij; tot men haar na lang en bijna hopeloos zoeken vindt, - onder aan de mat van een' stoel, waar zij zich in alle stilte met hare nagels had opgehangen. De merkwaardigste proeven eindelijk van verstand vindt men in den ourang-outang. Er is iets aantrekkelijks en te gelijk huiveringwekkends in dat bijna menschelijk doen van een dier, dat onder allen ons het meest gelijkt. Een voorbeeld, uit Parijs afkomstig, is het volgende. Een aap van die soort was gewoon in eene zaal te komen, waar hij | |
[pagina 19]
| |
het goed had. Eens vond hij de deur gesloten. Hij bedacht zich een oogenblik, en zette toen een' stoel voor de deur, klom daarop, schoof den grendel weg, en kwam zoo binnen. En toen hem een volgend maal de stoel geweigerd werd, wierp hij zich met het hoofd op den grond en sloeg zich zelven, als wilde hij, gelijk een dwingend kind, medelijden opwekken. - Jammer slechts, dat de ourang-outang, zoo gevoelig in zijne jeugd, op meer gevorderden leeftijd, wreed en gevaarlijk wordt. Maar in de slavernij bereikt hij dien leeftijd nooit. Het is, als treurde het beest onder de menschen, omdat het maar een aap is: zoo kwijnt het gewoonlijk weg; en ook in ons vaderland moet er voor jaren een zijn uitgeteerd, te bed liggend en toegedekt, en met het kopje medieijn in de hand, gelijk de teringlijder onder de menschen.
Schoon wij slechts enkele der merkwaardigste proeven hebben aangehaald, zullen wij daaruit, mijns inziens, gerust de volgende slotsom kunnen opmaken. Niet alles kan in de dieren door eene blinde aandrift verklaard worden. Wij vinden ook in hen de opmerking of waarneming, het begrip of de juiste voorstelling, het geheugen, de zamenvoeging van denkbeelden, het oordeel en overleg, de weifeling en keuze, en het bepaald besluit; om nu niet van het gevoel te spreken, dat wij in deze onze beschouwing minder hebben opgenomen. Ik zie niet in, hoe, zonder al het opgenoemde, vele handelingen der dieren immer kunnen worden verklaard. Dit alles is dan verstandig. Instinkt blijft datgene, waarbij geene teekenen van overleg worden waargenomen, maar waar daarentegen het merk der noodzakelijkheid is ingedrukt. Een krachtig bewijs voor deze onze slotsom vinden wij daarin, dat het instinkt een geheel dierenras evenzeer eigen is, terwijl in verstand het eene individu boven het andere uitmunt. Alle honden zijn gezellig en trouw, maar niet alle even leerzaam en verstandig. Alle wespen bouwen een kunstig nest, maar niet alle, zoo veel ik weet, kap- | |
[pagina 20]
| |
pen een geroofde vlieg de vleugels af, omdat die wind vatten en beletten den buit weg te voeren, gelijk ik van zekere wesp onlangs lasGa naar voetnoot(*). Een tweede bewijs is dit, dat in den regel het verstand juist het minst gevonden wordt, waar het instinkt het kunstmatigst isGa naar voetnoot(†). De rups bij voorbeeld, als zij buiten haar vast weefgetouw gaat, is het domste schepsel ter wereldGa naar voetnoot(§); en de slimme rot is een vuil, ordeloos dier, een bonvivant, die geen' regel op zijne zaken stelt.
Nog een' magtigen bondgenoot heb ik te hulp te roepen; maar ik doe dit met eenige vrees, omdat hij u, M. Hoorders! zoo vreemd, en, gul gezegd, ook mij geen dagelijksche huisvriend is. Zijn naam is: de vergelijkende ontleedkunde. Met eene vaste hand heeft de groote cuvierGa naar voetnoot(**), en hebben anderen vóór, maar vooral na hem aangewezen, dat de zielsvermogens gelijken tred houden met de ontwikkeling van het zenuwstelsel. Als men van de lagere diersoorten opklimt, vormen de zenuwen van het bewuste, | |
[pagina 21]
| |
dierlijke leven al meer en meer een afzonderlijk en wel zamenhangend stelsel; de zenuwknoopen vermeerderen; eene van deze verkrijgt eindelijk de overhand, en vormt de hersenen. Nu is het verstand in de diersoorten afhankelijk van de ontwikkeling der hersenmassa, in evenredigheid, minder nog tot het volume des ligchaams, dan wel tot dat der zenuwenGa naar voetnoot(*); maar het instinkt volgt dienzelfden maatstaf niet. Het schijnt meer verspreid door het ligchaam te werken, terwijl het verstand daarentegen de verschillende aandoeningen en werkzaamheden van den geest als het ware concentreert, en de hersenschors voor het orgaan van het voorstellingsvermogen gehouden wordt. Een sterk bewijs, dat instinktuele handelingen niet eens het denkvermogen behoeven, is wat treviranus aanhaaltGa naar voetnoot(†). Hij sneed eene tor den kop af; en toch liep zij over het bord, waarop zij zich bevond, voort, en zocht zelfs over den rand heen te klimmen. Ja, toen zij aangevallen werd, spoot zij nog van achteren het vocht uit, waarmede de Natuur haar gewapend heeftGa naar voetnoot(§). Volgens dezen algemeenen regel nu staan (om van lagere diersoorten niet te spreken) de insekten in verstandelijke vermogens lager dan de vogels, en dezen weder beneden de zoogdieren. Onder de zoogdieren klimmen die vermogens geregeld op van de knagende dieren (marmot, bever, enz.) tot de herkaauwende; van deze tot de olifanten en andere, die met eenen dikken huid gewapend zijn; tot den hond en zijne aanverwanten; om eindelijk in den aap den mensch het meest nabij te komen.
Huiveren misschien sommigen van de slotsom, waartoe | |
[pagina 22]
| |
wij gekomen zijn? - Ook de dieren hebben eene ziel, indien wij ten minste dien naam niet weigeren aan een zelfwerkend beginsel of wezen, dat van het stoffelijke indrukken ontvangt, en daarop naar eigen willekeur terug werktGa naar voetnoot(*). Ook de dieren hebben verstand, indien wij ten minste niet meenen willen, dat men overleggen, twijfelen, besluiten kan, zonder dat. Ja, zij hebben hiervan het stoffelijk werktuig met ons gemeen; en de hoogere voortreffelijkheid van den mensch schijnt wel haast alleen quantitatief en niet qualitatief te zijn; of, goed Hollandsch gesproken, de mensch treedt in de rij der dierenwereld terug: alleen bekleedt hij daarin de eerste plaats, als het verstandigste der dieren! En juist deze schijnbaar wisse gevolgtrekkingen doen sommigen met zoo veel warmte te velde trekken tegen de denkbeelden, die wij, als vruchten der ervaring, met | |
[pagina 23]
| |
kalmte verdedigen. Men herinnert zich de valsche wijsbegeerte der vorige eeuw, die den mensch aan het stof ketende, en de Natuur verhief, om hem, den heer der Natuur, en God haren Schepper te vernederen. Maar nog eens! Vrees voor de waarheid is den vriend der wetenschap, is ook den waren geloovige onwaardig. Hoe? De naam, dien wij aan het onstoffelijke in het dier geven, de list en het overleg van enkelen hunner, zou den grenspaal omverrukken, dien de Schepper zelf tusschen de menschheid en het dierenrijk heeft gesteld? zou de ondervinding van zestig eeuwen, en de onloochenbare uitspraak van ons hart, dat wij Gods geslachte zijn, wêerspreken? Neen! al konden wij op dien grenspaal geenen naam zetten en dat gevoel niet tot strikte bepalingen herleiden, wat God gescheiden heeft, zal der menschen dwaasheid en zelfsverlaging niet als gelijksoortig vermengen! Maar wij hebben een woord in onze taal, een schoon en rijk woord, dat het beeld Gods in ons kenmerkt: de rede. Klimmen wij dan nu van het verstand tot de rede op, gelijk wij reeds van het instinkt ons tot het verstand verheven hebben: zoo eerst zullen wij al wat leeft op aarde, in het licht van het heerlijk Godsplan, kunnen overzien. Het onderscheid tusschen verstand en rede is niet alle menschen duidelijk. Velen hebben er wel eenig denkbeeld van, maar het schemert hun toch voor de oogen, het wil maar niet helder worden. In wijsgeerige bepalingen mag ik hier niet treden. Het is ook genoeg als wij elkander verstaan. Merken wij dan eerst op, dat men wel zegt: ‘Die man heeft veel verstand;’ maar nooit ‘Hij heeft veel rede.’ Dit komt, omdat het verstand eene door oefening verkregene kracht, een opgegaarde schat is, en de rede een natuurlijke, den mensch aangeboren aanleg. Niemand onzer was ooit een redeloos schepsel, maar wij allen zijn eenmaal zeer onverstandig geweest. Verder maken wij, zelfs in ons dagelijksch gesprek, soms een scherp onderscheid tusschen verstand en rede, meer dan wij zelve opmerken. Vooronderstel eens, dat gij met een' gevreesden schuldeischer te doen hebt. Zoekt hij nu op allerlei wijzen, zelfs langs slinksche wegen, het zijne te | |
[pagina 24]
| |
krijgen en nog meer dan het zijne, zoo zegt gij: ‘'t Is een slimme kerel.’ Is hij vriendelijk maar naauwkeurig, vraagt hij wat billijk is, dan moet gij zelf bekennen: ‘Hij is een verstandig man, die op zijne zaken past.’ Maar behandelt hij u edelmoedig; spreekt hij: ‘Mijn vriend, ik ken uwe omstandigheden; ik wenschte ook gaarne geholpen te zijn in nood; ik zal met u overleggen, en mededoogen toonen met uwe vrouw en uw kroost!’ dan zegt gij: ‘Dat is redelijk, dat is als mensch gchandeld.’ - Ziet gij nu niet? Hier hebben wij zelfs nog fijner onderscheiding: de dierlijke slimheid, het verstand van een' volwassen' man, maar boven die beiden, de menschelijke rede. Nu zal het ons al meer helder worden, wat de rede is: wij bedoelen daarmede ons geheele denkvermogen in den uitgebreidsten zin, in de edelste beteekenis. Het verstand behoort zeker ook tot onzen redelijken aanleg, maar ons verstand alleen niet; wij kunnen veel begrip, veel kennis hebben, - wij kunnen zeer slim en toch zeer onredelijk zijn. Juist hierin ligt het kenmerk van ons redelijk denkvermogen. Het is niet tevreden met een enkel begrip van de noodigste zaken, het wil op die begrippen nadenken; het is niet tevreden, even als de dierlijke slimheid, met onze begeerten te dienen, het wil die begeerten regeren, ze leiden en bedwingenGa naar voetnoot(*). Zoo spreken wij van redelijk nadenken, van een' redelijken wil. Zoo wordt de rede niet een werktuig of vermogen alleen, maar een beginsel. Dat redelijk beginsel van ons denken, spreken en | |
[pagina 25]
| |
doen, dringt het instinkt op den achtergrond terug, en overwint de hartstogten. Door die rede geleid, verheft zich den mensch tot de eeuwige waarheid, tot het oorspronkelijke beeld van al wat edel is, tot de reinheid van ware deugd; met drie woorden gezegd: tot het ware, het schoone en het goede, en dus tot God zelven, die dit alleen is in de hoogste volkomenheid, God, de eeuwige bron, van al wat waar, schoon en goed is. Wij hebben daar een' grooten stap voorwaarts gedaan, en moeten dus nog een oogenblik stilstaan en terugzien. Terugziende ontdekken wij, dat wij daar straks, over het verstand sprekende, onwetend reeds op het grondgebied der rede gewandeld hebben. Want het menschelijk verstand zou het nooit zoo ver gebragt hebben, indien onze redelijke aanleg het niet aanspoorde, oefende en eindeloos verder dreef. En hieruit vooral zien we, dat wij, als redelijke wezens, op aarde geheel op ons zelven staan. Die hoogere kennis en volmaking, dat ware schoone en goede, zoekt het dier niet. De waarheid bijv. - die is uwen hond geheel onverschillig, als ze zijn eigenbelang niet geldt; en hij zou geen afgekloven been geven voor de geheele wijsbegeerte van kant, al kon hij die in drie lessen leeren. Wat de schoonheid betreft, het paard van den reiziger staat nooit stil, om een vreemd landschap te bewonderen. En de deugd - ja, men verhaalt er wel zoo iets van, maar geen van ons zou toch lust hebben, om de edelmoedigheid van den leeuw op de proef te stellen, die dan toch hoogstens op vriendschap en trouw, of met andere woorden: op het instinkt der gezelligheid nederkomt. Hier ligt dus uitsluitend 's menschen bestemming: na te denken op zich zelven en alles, wat hem omringt; zijnen smaak te veredelen door beschouwing der natuur en eigene oefening; en de deugd te leeren kennen, te achten, te beoefenen. Ziedaar voor den mensch een eindeloos verschiet geopend: een landschap, dat zich uitbreidt, naar mate men voortgaat; een berg, die hooger schijnt, hoe verder men hem beklimt. Om de werking der menschelijke rede na te gaan, moeten wij nog eens tot de kinderkamer terugkeeren. Volgen | |
[pagina 26]
| |
wij daarbij weder het denkbeeld, dat de rede drie dingen beoogt: het ware, het schoone en het goede. Wat dus de waarheid aangaat, de zucht om iets vreemdste kennen, iets nieuws te weten, of het bekende te begrijpen, is het kind van nature eigen: wij zagen het reeds, het kind is nieuwsgierig. Maar op datgene wat men als waar kent en begrijpt, nu verder na te denken, die waarheid ijverig te zoeken, te bewaren, lief te krijgen, dat kost inspanning, en inspanning kost zelfbestuur, en die geeft de moedermelk aan den kleine niet. Het is dan uitmuntend, dat men de kinderen thans met innemende voorkomendheid onderwijst; dat de plak verbrand en de bullepees onder het oude touwwerk geworpen is; maar men zoeke ons daarom niet wijs te maken, dat de kinderen uit enkel lust leeren. Ze zien gaarne wat vreemds, ze hooren met open oor iets nieuws, maar verder gaat het alleen of door vrees of door begeerte of door eerzucht, naarmate gij òf straft, òf beloont, òf prijst. En ik geloof, dat nog nooit iemand onzer, zelfs onder het verbeterd onderwijs, bitter schreijend is te huis gekomen: ‘Ach moeder, ach! het is vakantie! nu kan ik in acht of veertien daag niets wijzer worden!’ Zoo als het met de wetenschap gaat, zoo gaat het met den goeden smaak, en eveneens met de deugd. Misschien dat het schoone, nog meer dan het ware en het goede, ieder kind van zelf aanlokt. Maar zoodra er inspanning noodig is om het te vinden, nadenken om den smaak te oefenen, moeite om zelf iets schoons voor den dag te brengen, hapert het al ligt. En wat nu de deugd betreft, zeker, de kinderlijke eenvoudigheid en onschuld is lief, zij is de vreugde van ieder rein gemoed. Maar onschuld is nog geene deugd. Ras ontwaken de hartstogten, reeds vóór de rede rijpt; en het kind wijkt van het goede af, en gewent zich daarafte wijken, zelfs met de bewustheid van kwaad te doen. Heele brave, lieve kindertjes, die nooit liegen, nooit vader of moeder ongehoorzaam zijn, nooit twisten met broertjes en zusjes, hun brood met de armen deelen en uit hun eigen hartje tot God bidden, - men vindt ze ja, ieder jaar nieuw, jongens en meisjes, gekleurd en ongekleurd - helaas! het is alleen in de nieuwe kinderboekjes op St. Nikolaas! Neen - | |
[pagina 27]
| |
Wilt gij een kind zien in zijne natuurlijke ontwikkeling? Het is niet gumal en lina, en zoo menig ander bekoorlijk beeld, op het doek der verbeelding geschilderd; - neen! het is die straatjongen en zijn zusje, met nesten gesierd, maar op 't lijf haveloos; goedhartig, maar wild, ondeugend en ongezeggelijk; slim en ruw; geestig, maar ook doortrapt in liegen en bedriegen. Het is die knaap, die voor de school knikkert, maar ze niet bezoekt; rondom de kerk krijgertje speelt, maar er niet ingaat; en die, als hij in handen komt, altijd beterschap belooft, zonder ooit die belofte na te komen. Zoo is het dan onze taak, ouders, om de zwakke rede onzer kinderen te leiden, te steunen, aan de onze te doen opstijgen, gelijk men de schoone maar teedere bloem ondersteunt en opbindt, terwijl de distel met krachtigen stengel omhoog schiet. Onze taak is het, haar te beschutten voor het geweld der kinderlijke hartstogten, die zich boven haar verheffen, gelijk het onkruid hoog uitgroeit boven de jeugdige vrucht des lands. Door oefening verkrijgt de rede sterkte, en de wil veerkracht; en de hartstogten buigen zich, naar mate het redelijk denkvermogen zich verheft! Ach! waarom wordt die eerste vorming van den mensch tot mensch dikwijls zoo schandelijk verzuimd! En naderhand klaagt menigeen, dat hij niet meer zijn kan, wat hij wel zou willen wezen. Zien wij nu van de hoogte onzer beschouwing, die wij hebben beklommen, nog eens op den afgelegden weg terug: hoe groot is dan niet de afstand tusschen dierlijk instinkt en vlugge verstands-ontwikkeling, maar ook weder tusschen deze en de vorming der menschelijke rede. Het instinkt wijst naar beneden; deszelfs doel is het leven. Het verstand wijst voorwaarts, en deszelfs gebied is de aarde. De rede wijst omhoog, en het einde harer wenschen is - God. En als wij dan nu naar dezen maatstaf afmeten, wat wij menschelijks in den mensch vinden: wat is er dan niet veel voortreffelijks aanwezig, maar wat kon en moest er nog niet oneindig meer wezen! Dit merken wij reeds terstond met blijdschap op, dat overal de rede haar aanwezen toont, zelfs bij de minste | |
[pagina 28]
| |
beschaving of verstandelijken aanleg. Ook de wilde redeneert, en verbindt waarheden aaneen, en luistert naar den raad zijner oude wijzen; ook de wilde zoekt zich te versieren op zijnen wijze, en hij toont zijn schoonheidsgevoel in dichtmaat en dans; ook de wilde eert naar zijn inzien de deugd; en onder elke hemelstreek buigt zich de mensch voor een hooger Wezen, al is het ook voor een ingebeelde Godheid, neder, en droomt van een toekomstig, een eindeloos leven. Dus is dan ook geen volk en geen stand door God gedoemd, om eene woeste horde of ook om de slaaf der beschaafden te blijven. Die den aanleg tot eindelooze ontwikkeling onderdrukt, vergrijpt zich aan de menschheid, aan Gods beeld. Overal wacht de menschelijke rede op eene vriendelijke hand, om haar den weg te wijzen; en nergens en nooit behoeft zij op dien weg stil te staan: want de eeuwigheid ligt voor ons, het oneindige is ons doel, God onze hope. En o! hoe hartverheffend is het niet, waar wij dien verhevenen aanleg zich zien ontwikkelen, de menschelijke rede hare krachten zien toonen en gedurig verder en verder oefenen. Dáár bloeit de ware wijsbegeerte, de voogdes der wetenschappen; dáár opent de geschiedenis hare schatten, en de natuurkennis haar eindelooze pracht. Dáár oefent zich de smaak in muzijk en dichtkunst, in welsprekendheid en beeldende kunsten, en de mensch volgt de Natuur, maar als haar meester. En dáár vooral heerscht regt en deugd en goede zeden, en de menschenliefde en de godsvrucht slaan, onder bescherming der rede, er hare woning op. Wie, die hiervan doordrongen is, die zoo redelijk denkt, zou niet gaarne iets toebrengen aan die overwinning van het goddelijke in den mensch over de doode stof en den blinden hartstogt? - Maar, vraagt men, hoe zal best die redelijke ontwikkeling van den mensch worden bevorderd, èn in ons zelven, èn in ons gezin, èn in ons vaderland, èn over de geheele wereld? - Het is eene treurige dwaling, M.H.! wanneer men hier alles wacht van verstands-ontwikkeling; van hetgeen men beschaving, verlichting en vrijheid noemt. Het is deze dwaling, die landen heeft omgekeerd, de guillottine opgerigt, de maatschappij uit haar verband gerukt en stroomen bloeds vergoten. Enkele ken- | |
[pagina 29]
| |
nis zonder hooger, edeler beginsel, dat is het scherp gewette scheermes in de hand van een kind; beschaving zonder veredeling, is een bedriegelijk verguldsel; en uitwendige vrijheid zonder innerlijke verlossing van dwaling en hartstogt, dat is de vrijheid van den losgelaten leeuw, van de doorgebroken zee. Neen, menschen en volken moeten leeren, wie zij zijn en waartoe zij zijn, om vrij te kunnen wezen; zij moeten helder zien, om in het licht te kunnen wandelen. De leiband der onmondigen, de staf der zwakken moet niet worden weggeworpen, voor den staat der volwassenheid. En wie is nu de beschermgeest en leermeesteresse der menschelijke rede, eerst hare voogdes en later hare vriendin? Het is eene dochter des hemels, en haar naam - de Godsdienst. De Godsdienst bevat de idealen in zich van al wat waar, schoon en goed is. Zij leert, wat de Oosterlingen, als het einddoel der menschelijke rede, met één woord uitdrukken: wijsheid. Doch die Godsdienst, die den mensch niet halfweg begeven, maar hem tot het einde toe leiden zal, moet onbedriegelijk zijn, zuiver, hemelsch. In den staat van onkunde en bekrompenheid behelpt zich de mensch met zijn geloof, hoedanig het ook zij, gelijk men zich bij de eerste aandoening van schaamte met vijgebladen kleedde; maar bij de ontwikkeling der rede werpt hij het gewaad af, waar hij is uitgegroeid en dat hem nooit meer passen kan. Zoo houdt zich het heidendom nog slechts in wezen, omdat het leeft in de duisternis; Talmud en Koran, omdat hunne vrienden zich vergenoegen met een doodsch schemerlicht; maar de Christelijke Godsdienst daagt vrijmoedig het verstand tot onderzoek van hare geloofsbrieven uit, en beroept zich, met waardig zelfvertrouwen op de geheel gevormde rede. Het licht is haar leven; en zij vreest niet, dat de mensch zich te hoog verheffen, dat de rede boven haar klimmen zal: want zij is gelijk aan adelaar en condor, die nog den stoutsten bergbeklimmer boven het hoofd vliegt...... Neen, zij is de zon zelve, die niemand ooit bereiken kan! Zoo is de bane der menschheid gelegd. Er is nog voor eeuwen ruimte, voor eeuwen arbeid. De wetenschap breidt zich verder en verder uit, en verbaast zich, dat er nog zoo veel te leeren is. De ware wijsbegeerte, die nederig en | |
[pagina 30]
| |
godvruchtig is, worstelt nog met de menschelijke bekrompenheid en eigenwaan, en zoekt zich een' weg door diep gewortelde doornen te banen. De kunst werpt knellende banden af en spiegelt zich in de zee der schepping, in de Natuur, die de hoogste kunst is. Maar ook de zedekunde treedt gedurig krachtiger tot den strijd tegen hartstogt en zelfbedrog terug; en de Godsdienst kampt met onbezweken' moed tegen bijgeloof en ongeloof, beiden even redeloos, even rampzalig.
Onze slotsom is opgemaakt. Het eenige, wat mij nog te doen staat, is, haar in korte woorden bij een te vatten. Er is in de schepping een langzame voortgang en opklimming, waarbij somtijds verschillende wegen evenwijdig voortloopen of elkander kruisen, maar somtijds ook een duidelijk kenbare grenspaal staat, een trap en geene glooijing. Die voortgang van den dood tot het leven, van stof tot geest, meen ik door vier woorden te kunnen uitdrukken: vormdrift, leven, bewustzijn, zelfbewustzijn. De vormdrift, of de kracht om dezelfde vormen te vernieuwen en te vermenigvuldigen, toonen ons reeds de kristallen van het delfstoffelijke rijk; maar eerst dáár, waar zich verschillende organen ontwikkelen, zamenstemmende tot één geheel, betreden wij het gebied van planten- en dierenrijk. In beide wordt de vormdrift door het leven beheerscht en wekt nieuw leven op; maar alleen bij het dier geschiedt dit met bewustzijn, met gevoel en wil. Doch veel hooger is de trap, waarop de mensch door zelfbewustzijn geplaatst is. ‘Ook het dier,’ zegt cuvier: ‘gevoelt en weet en denkt; maar de mensch alleen gevoelt, dat hij gevoelt, weet, dat hij weet, en denkt, dat hij denktGa naar voetnoot(*).’ Op dezen schakel terugziende, bewonderen en aanbidden wij nog eens de oneindige wijsheid Gods. Zij heeft | |
[pagina 31]
| |
als 't ware hare gedachten in het doode stof uitgedrukt. En in die duizenderlei heerlijke vormen, die delfstofnoch plant noch dier zelf uitdacht, èn in het onbewuste dierlijke leven, dat in ons is, èn allermeest in onzen verhevenen aanleg, zien wij, - niet de sporen van het vroegere werk eens Bouwmeesters, die thans rust, maar de immer werkzame almagt van Hem, in wien ook wij door onze redeGa naar voetnoot(*) leven, ons bewegen en zijn. Die almagt en wijsheid zien wij in het instinkt, als in een' spiegel. Maar gelijk de spiegel koud is, ook waar hij vuur afstraalt, en blind, waar hij de heerlijkste tafereelen schetst, zoo is het instinkt van zijne eigene voortreffelijkheid onbewust. Misschien kunnen wij, als we al het verhandelde zamenvatten, deszelfs werking nog het best met die der gewoonte vergelijken, waardoor ook wij menschen bewusteloos herhalen, waarin wij eens geoefend zijnGa naar voetnoot(†). De Schepper heeft die eerste les, die de mensch zelf nemen moet, bij het dier op zich genomen; en het handelt door herhaling van zijne voorstellingen of door neiging van zijne organen, het vormt zijne kunstgewrochten naar het model, voor zijne verbeelding afgespiegeld. Maar zelfs dit werktuigelijk instinkt gaat reeds met be- | |
[pagina 32]
| |
wustzijn en vrijheid gepaard, hoewel die nog op lagen trap staan. Het bewustzijn draagt kennis van de omstandigheden, waarop het instinkt van toepassing is; en de vrijheid kiest de wijze, om het in werking te brengen: even als de onkundige, maar werktuigelijk geoefende werkman toch zijnen tijd kent en zijne stoffe kiest, om het model te verwezenlijken, dat hij noch uitvond, noch begrijpt. Die vrijheid heeft het verstand tot leidsman gekregen; en dit eerst gaf ons den waren maatstaf aan de hand, om den verschillenden afstand te berekenen, waarop de diersoorten van elkander en van den mensch geplaatst zijn. Zoo schijnt de hen eene zorgvuldige en wijze moeder, en toch doet zij al het mogelijke, om een ei van krijt uit te broeden; de vleeschvlieg schijnt bijna met oordeel des onderscheids begaafd, en toch houdt zij op den reuk af, zekere bloemGa naar voetnoot(*) voor rottend vleesch, waaraan zij veilig hare aanstaande jongen kan toevertrouwen. Hooger wel stijgt de verstands-ontwikkeling bij die dieren, die ons naderbij komen in ligchamelijke vorming; maar altijd nog blijft het verstand bekrompen, daar het alleen een middel is tot voldoening der behoefte van het oogenblik, of tot opvolging van het instinkt; altijd nog de vrijheid beperkt, die meer in de keuze der middelen dan in die der doeleinden bestaat; - en instandhouding van het geschapene is nog het eenig doel, waartoe de uitstekendste vermogens gerigt zijn. De mensch alleen gebruikt die vermogens tot eeuwigen voortgang. Hij is de spiegel niet meer, maar het beeld. Eene laatste opmerking bevestige het goddelijke der menschelijke rede. Alle hoogere (zoo wel als de lagere) werkzaamheid in het dier heeft zijne organen: het bewustzijn volgt de ontwikkeling van het zenuwleven, het instinkt die der zenuwknoopen en het verstand die der hersenenGa naar voetnoot(†); maar | |
[pagina 33]
| |
er is nog geen orgaan gevonden voor de rede, en indien ik mij niet bedrieg, zal het nimmer gevonden worden. Wel kan men hare werking verwarren of belemmeren, door het gevoel te verdooven en de hersenen te kwetsen; maar nooit zal men het geweten als een bloedvat kunnen verstoppen, of de godsvrucht als eene zenuw afsnijdenGa naar voetnoot(*). Hieruit volgt nog eene andere opmerking, die den vreesachtigen dierenvijand zijn' laatsten schroom moge ontnemen. Zij is deze. Overal in de Natuur is een langzame overgang: tusschen enkelvoudige kracht en vormdrift; tusschen deze en het leven; tusschen leven en bewustzijn; - en de spons en paddestoel en het infusiediertje, of de groene, plantaardige stof, die het vormt, liggen nog min of meer in proees tusschen het dieren- en plantenrijkGa naar voetnoot(†); - maar van het verstand op de rede is geen overgang. Het kind is reeds mensch, en de ourang-outang nog geen kind. Niets heeft het hondenras bij de beschaving gewonnen, dan eenige aangeleerde kunsten, en nooit heeft de kolossale olifant op het gebied der aarde aanspraak gemaakt. Als zijne natuurlijke behoeften voldaan zijn, legt zich het dier neder en slaapt; als het uit zijnen kring gerukt wordt, staat het verlegen, kwijnt en sterft. Maar de mensch is rusteloos in zijne plannen, en onuitputtelijk in de hulpmiddelen om die te volvoeren. In de zandwoestijn spoort hij bronnen op, en op Nova Zembla bouwt hij van een schip zijne woning; zijn vorschend oog dringt tot de kleinste zenuwen der insekten door, en tot de nevels van eindeloos verwijderde sterren; ja hij beproeft, schoon dan ook duizelend van vergeefsche inspanning, zijn verstand op het grootste, het oncindige: - het wezen der Godheid. En heeft hij zijne taak op aarde afgedaan, dan | |
[pagina 34]
| |
gevoelt hij tot een hooger en eeuwig leven moed en kracht in zich, en laat het onvoltooide werk op aarde ter voortzetting zijnen kinderen achter. En zoo, dit zij ons besluit, terwijl de dierenwereld alleen een tegenwoordig heeft, eenen kring, waarin ze zich omwentelt, heeft de menschheid eene geschiedenis en eene toekomst. Een nevel bedekt ze nog, die toekomst; de reiziger ziet nog geen land; hij worstelt met de stormen nog; maar het kompas wijst onveranderlijk naar de haven, en - God bestuurt zijne reis! |
|