De Nieuwe Stem. Jaargang 5(1950)– [tijdschrift] Nieuwe Stem, De– Gedeeltelijk auteursrechtelijk beschermd Vorige Volgende [pagina 257] [p. 257] Bert Voeten Gedichten Heen en terug 1 Op de bewierde hoofden slaat de zeedeining uit, boven het kustland dooft de dag en de schemer kruipt, een grijze slak, door de kreken, over het mosselveld, onaangedaan door het breken van wind en watergeweld. De blauwvis tuimelt in scholen naar het zuigende brandingsdal, brede schuimvliezen komen strandwaarts, van overal storten lichtzieke vogels tussen de helmbossen neer, grijswit gepluimde kogels uit de monding van immermeer. En de koude zeesterren rijzen tegen de sterwand aan, lange vuurlijnen wijzen de wegen naar hiervandaan. 2 Aan de voet van de duinwal staa - de jas als een buil gevuld met wind en de panden slaande als vlerken van ongeduld - scheert zijn blik met de laatste wijkende lichtvlaag mee, bolle spiegels weerkaatsen haar beeld op de avondzee. De witte gloed van het baken wervelt over hem heen, [pagina 258] [p. 258] vogels achter hem slaken kreten uit merg en been. En de meerman roept uit het water met een diep aanzwellend geluid, de holle stem van het water breekt in vervoeringen uit. 3 Huiswaarts met de slagregen, met de gebelgde wind reist hij, langs overwegen waar signalen ontzind ratelen alsof rampen spoorslags in aantocht zijn, treinen blazen hun dampen sarrend over hem heen en de voorsteden rijzen uit het verwaten land, eigendunklijke huizen nemen de overhand, straten verlatenis rekken hun asfalten halzen uit naar de bestorven plekken gras en dovemanskruid, naar de glazen stadsmagazijnen, de straatlampen van aluin, de bomen met hun zwaaischaduw over het nachtlijk plein. Vorige Volgende