moment dat de Schim door de Gezellinnen naar het Voorhof werd gebracht.
Zoals sommigen onder U zich zullen herinneren is het Voorhof een soort tuin in het centrum van Vrouwenstad. Het klimaat is er mild door een afgewogen evenwicht tussen zon en schaduw. Er zijn kabbelende beekjes met helder water en ook enkele uitgestrekte vijvers waarvan de bodem aan het oog onttrokken wordt door een tapijt van waterlelies. De bloemen beperken zich echter niet tot de vijvers alleen. Overal in het gras zit her en der het kleine grut verdoken: madeliefjes, boterbloemen, meiklokjes, viooltjes, noem maar op, tot en met - volledigheidshalve - de tacheten.
Zo ver het oog reikt zie je achter de kabbelende beekjes uitgestrekte velden met tulpen, hyacinten, dahlia's, rozen - in alle variëteiten - en weet ik verder veel nog wat daar tussenin ligt tot aan de anjers toe.
Ja, er zijn ook nog enkele prieeltjes met orchideeën en dergelijke, maar gezien niet iedereen een blik daarin gegund werd, wil ik daar hier niet verder over uitweiden.
De bedoeling van het Voorhof ligt in het scheppen van een zekere sfeer. Die sfeer is een absolute vereiste zonder dewelke een verdere doortocht door Vrouw enstad onmogelijk wordt gemaakt. Er zijn mij enkele gevallen bekend die bewust het Voorhof weigerden te betreden. Zij werden terstond uit Vrouwenstad verwezen en naar verteld wordt troepen zij samen in donkere spelonken die zij alleen verlaten om nietsvermoedende pelgrims naar Vrouwenstad onverhoeds en onvervaard te overvallen.
De Schim behoorde echter niet tot hun gedragsgenoten. Hij genoot integendeel met volle teugen van het Voorhof en keek vol verwachting uit naar de verdere weldaden die naar hij meende daarop zouden volgen. Zo kwam het dat hij op een dag door de Dienaressen verzocht werd hen te vergezellen naar de Zitting.
Voor diegenen onder ons die nog in het Voorhof vertoeven kan ik enkel vermelden dat de Zitting gehouden wordt in het hoofdgebouw van Vrouwenstad, de Waag genoemd. De overigen neem ik nu mee langs het kronkelende pad dat uit het Voorhof naar de Waag voert en langs weerszijden is omgeven door bloedrode papavers, waarvan de geur nu eens bedwelmend, dan weer giftig wordt geheten. Gelukkig blijkt vlak voor de Waag een lange laan aanwezig waarin elke bloem geweerd werd en waar de wind weldadig door de bomen ruist, alle vreemde geuren met zich meevoerend, uitgezonderd die van versomwoelde aarde.
Het verwonderde de Schim dan ook geenszins dat de Dienaressen nu eenparig hun gelaat achter een soort sluier gingen verbergen en hem zelfs vroegen voorop te gaan. Wat hem echter wel vreemd voorkwam was dat zij - hem op de hielen volgend - bijna onmerkbaar zacht begonnen te neuriën. De wind nam echter dadelijk iets in sterkte toe, zodat het koor op de achtergrond stukken minder opviel. Zowat halfweg de laan draaide de Schim zich plots om en merkte tot zijn immense verbazing dat de halve laan ‘terug’ geheel versperd werd door gesluierde - dicht opeengepakte - Dienaressen. Op dat moment werd het hem duidelijk dat het