Samen bergopwaarts!
(ca. 1906)–Johanna van Woude–
[pagina 1]
| |
![]() | |
I.
| |
[pagina 2]
| |
met lieve kleine geluidjes hippen van tak op tak in de donkere dennen en naakte kastanjes, en dan in het wondere zonnegestraal opvliegen met hun zilveren ‘tuuk, tuuk, tuuk!’ mij reeds als kind bekend en lief geworden,... als het stiller en donkerder en geheimzinniger wordt buiten, altijd stiller, donkerder en geheimzinniger en het pijnbosch in de verte een zwarten berg gelijkt, dan komt zij over me, de zoete bekoring, de stille genieting, welke tot de onschuldigste en reinste genoegens behoort, den mensch gegeven: welbehagen in de vier muren, welke ons zien gaan onzen stillen weemoedvollen weg door het leven. En van avond vooral, nu de wind zuchtend opsteekt rond het huis en de regen neerruischt in millioenen droppels; nu het dakwater zich hoorbaar ontlast in een afvoerpijp.... Tok tok tok tok.... neerrommelend met woeste vaart en hoorbaar boven al het geblaas en gesuis van wind en regen,... nu zie ik, bij al die geluiden van buiten, welke een intérieur zoo gezellig maken, genietend rond, zooals een vogel zich tevreden schudt in zijn koesterend nestje. De overgordijnen zijn dichtgehaald, witjes lacht | |
[pagina 3]
| |
mijn lamplicht in het glaswerk van het bonheur-du-jour en in de donkere pianino er tegenover. Een schemerlamp met gele kap op een zijtafeltje licht zacht over de rustbank, als noodt zij tot mijmeren of rusten; de stoelen staan stil in het rond en van de muren glimlachen mij lieve gezichten toe, van zulken, die een licht waren in mijn leven. Ver weg jaagt de wereld.... Zij is iederen dag in de straten, veel menschenlijven, mannen en vrouwen, in laken, fluweel en bont, loopend en groetend en pratend en liefdoende.... maar zij gaan mij voorbij als schimmen en geen gedachte aan hen gaat mede naar huis. Op de tafel ligt mijn werk. Blank glimt het papier, uitnoodigend lokt de pen. Mijn werk, mijn geluk, mijn Halt im Leben, ik heb u lief! Och, niet de mooie banden, die in winkelramen liggen, maar het stille uur, en de blanke vellen en de fluisterende pen, zacht glijdend er over, en de stem der Muze, sprookjes zingend om mij, het wonderschoone sprookje der kunst. Hoor den wind!... Als een stormachtige oceaan gromt hij ergens in de verte, hol, somber, laag van toon.... Dan op eens is hij om het | |
[pagina 4]
| |
huis, scherp suizend en piepend, rukkend aan de stores, zwiepend de boomen, regendroppels en natte bladeren aankletsend tegen de ruiten. Het gevoel van gezellig welbehagen stijgt. En al peinzend blijf ik staan voor mijn boekenkast en de welbekende banden glimlachen mij toe. Vrienden zijn ze, waarachtige trouwe vrienden vol pit en kracht en heiligen geest, altijd klaar, altijd nabij; en nooit kan ik mij tot hen wenden of zij geven mij wat verheft en troost.... De hoogste schoonheid van kunstenaarszielen is in die banden vervat en schoonheid gaat uit van hen tot mij.... schoonheid, die ik kweek en tracht vast te houden, omdat zij heiligt. ‘Alles dood kapitaal!’ zeide onlangs iemand, wien ik er op wees. ‘Alles sprookjes!...’ Ik zweeg maar. En hier is mijn pianino. Ik zou zacht mijn hoofd op haar kunnen leggen, als aan den schouder eener vriendin. Zij weet àl mijne geheimen; ik kan ze haar alle toevertrouwen, zij verklapt niets en hare antwoorden zijn altijd vol troost en liefelijkheid. In donkere uren, zooals er velen komen in het vrouwenleven, welk een kracht kan dan uitgaan van een Largo of van een Adagio | |
[pagina 5]
| |
of Andante, muzieksproken, die als engelenstem spreken tot onze moede ziel. Daar vaart de stormwind weer voorbij, kermend en klagend, als heeft hij zooeven veel onheil gebracht op zee en als volgen nog de wanhoopskreten der schipbreukelingen op zijn adem na. Men moet er wel naar luisteren, of men wil of niet.... Ik zink in een vouwstoeltje bij den haard en staar in de vlammen. Een haard, een breede open haard, dat is de ziel van een kamer; geen burgerlijke vulkachel, hoe zuinig en gemakkelijk dan ook, maar een beweeglijk vuur vol kleuren-bekoring, dat zoo zonderling het oog kan boeien, als lagen we onder tooverban. Ik staar in den kolenhoop met zijne donkere hoogten en gloeiende ravijnen, ik laat mij zacht betooveren door de opspelende blauwe gasvlammen en het geknetter der beukenblokken. Wat zeggen zij toch? Vertellen zij wonderverhalen van hun eenzaam voortgroeien in het stille woud; en het droomerig gonzen der kolen, klapt het geheimen uit de geheimzinnige diepten, waarin zij eeuwenlang verborgen lagen? Blijkbaar hebben zij veel schoons te verhalen, maar hunne | |
[pagina 6]
| |
taal verstaan wij niet, en deze wekt alleen, als gewijde muziek, al de weemoedige schoonheid, die sluimert in een menschenziel. Tingeling - busgerammel - de post. Vele brieven en de courant.... gezellig die avond-post! Veel liefde en vriendschap brengt zij, van die soort, welke ons leven vermooit; - veel streven, veel naastenliefde, aanroeping om medewerking.... En onder al die kleine boden is er eene van een bejaarde, maar nog zeer ijverige en gevierde zuster in de kunst, die mij, als geestverwante, hare pas verschenen brochures zendt en mij vraagt er eens kennis van te nemen. En er in bladerend lees ik hoe zij het betreurt dat het sprookje is verbannen uit de school en het kinderleven; de kinderen leeren alles nuchter beschouwen en nauwkeurig ontleden, en eerbied kennen zij voor niets meer. Het vroeger met ontzag aangehoorde: ‘Er was eens een koning...’ wordt nu met een glimlach begroet; de ruwheid der straatjeugd kent geen grenzen. Terecht schrijft zij: ‘Wat een onhebbelijk opkomend geslacht levert onze volksschool op! Openen de kinderen den mond - wat lage uitdrukkingen - wat gruwelijke vloek- en scheldwoorden uiten zij - | |
[pagina 7]
| |
wat mishandelingen van de grooten omtrent de kleinere en de weerlooze dieren - onbeschaamdheid in de hoogste mate, tegenover iedereen, omdat ze voor niets of niemand eerbied geleerd hebben - vernielzucht is hun passie, alsof ze vijanden zijn van al wat gaaf en mooi is. Zingen ze - welke ruwe, brullende, gillende stemmen, en toch moet elk onderwijzer zang onderwijzen! Hoe laag staat het zedelijk peil bij de schooljeugd, om maar niet verder te gaan. Er is geen vorming van schoonheidszin op eenig gebied, alsof het onderwijzend personeel 't gevoel voor aesthetiek òf mist òf verloochent, althans niet wist in te prenten. Hoe zijn wij in deze ruwe, platte plompheid verzonken? Door verlies van de zelfbewustheid als onsterfelijke wezens, door gemis aan het ideaal, aan Godsbewustheid’.... En eenige regels verder staat het met dikke letters: ‘De neutrale school had nooit behoeven te worden: de godsdienstlooze.’ Ik vouw de courant open en zie: het eerste, wat mij er boeit gaat over dezelfde quaestie: een Amerikaan, die pas Holland bezocht, prijst het in een tijdschrift, maar zegt: ‘De kinderen | |
[pagina 8]
| |
zijn gevleeschde duivels en hebben een Europeesche beruchtheid verkregen door hunne satanische kwaadaardigheid.’ En dan zie ik het verslag eener vergadering ter bespreking van ons tegenwoordig onderwijs, naar aanleiding eener kortelings verschenen circulaire: een kreet om vrijheid om ook het gemoed van het kind te mogen vormen en niet alleen het verstand. Men heeft ‘helderdenkende wezens’ willen kweeken. Of de fin-de-siècle-mannetjes, die tegenwoordig hun tijd in kroegen en café's en dergelijke gelegenheden doorbrengen, nu zooveel helderder denken dan vroegere geslachten, valt te betwijfelen, tenzij het heldere denken ten doel heeft anderen beet te hebben en daardoor eigen beurs te vullen,... daarin zijn ze nu ver. Nooit nog is de maatschappij zoo verfijnd slecht geweest als nu men, om toch vooral helderdenkende wezens te vormen, alle sprookjes uit de opvoeding heeft verbannen. Met het verdwijnen van het sprookje uit het kinderleven is het ook verdwenen uit het menschenleven; en toch zijn van het menschenleven de sprookjes het mooist. De sprookjes van vriendschap en liefde en zelfvergeten - zuiver gevoeld en door- | |
[pagina 9]
| |
leefd, - de sprookjes van geestdrift en geloof, die door alle eeuwen heen helden hebben gemaakt, de ‘helderdenkende’ mannen onzer dagen trekken er de schouders over op, en toch vormen die sprookjes het eenige, wat het leven liefelijk maakt en levenswaard. Er is aan alles getornd;... vooral het mooie sprookje van het Geloof moest afgebroken en omvergeworpen, en onze voorouders waren maar goedgeloovige dommeriken, volgens het tegenwoordige geslacht, al brachten zij genieën voort en martelaars, die voor hunne overtuiging den brandstapel beklommen. En nu is onze Hollandsche maatschappij - in andere landen houdt men de sprookjes hooger - vol van moedeloozen, die met Maria kunnen uitroepen: ‘Zij hebben mijnen Heer weggenomen en ik weet niet, waar zij hem gelegd hebben.’ Zeer terecht is op die vergadering gezegd dat de zoogenaamde neutrale school nu tòch een sekte-school is geworden; de materialistische, en deze is de gevaarlijkste van alle.
Maar zij zal voorbijgaan, de materialistische school en de materialistische opvoeding. De | |
[pagina 10]
| |
sprookjes, die het leven schoonheid geven, zijn eeuwig; zij ontwaken weer in ieder menschenhart, dat er zich niet met dommen eigenwaan aan onttrekt; zij ontwaken door den zonneschijn, door de bloemen, door windgesuis en vogelzang; door liefdegloed en kunstgenot en heimwee naar het hooge. De menschen zijn niet zoo slecht, als zij willen schijnen. De meesten behooren nog tot de verstandige lieden, van wie een groot denker, Pascal, heeft gezegd: ‘Er zijn maar twee soorten van lieden, welke men verstandig noemen kan: zij, die God van ganscher harte dienen, omdat zij Hem kennen, en zij, die Hem van ganscher harte zoeken, omdat zij Hem niet kennen.’ En die Hem zoeken, zijn talrijker dan men weet; of dan zij zelf wel weten willen. De ware ongeloovigen - dat zijn de laaghartigen, de liefdeloozen, de egoïsten.
Mijn vuur ligt stil voort te gloeien en ergens ver weg, hoog in de lucht, jaagt en zucht nog de machtige wind, de adem Gods. Mijn papier ligt daar nog onbeschreven, mijn pianino staat stil wachtend, de boeken glimlachen mij aan, de gezichten aan den wand herinneren aan veel | |
[pagina 11]
| |
geluk. Alles sprookjes, - maar..., sprookjes, die schoonheid en vreugde brachten in mijn bestaan. En een zingen gaat door mijne ziel van levens-weelde, van dank, en zacht fluisteren mijne lippen: ‘O wonderschoon leven!’ ![]() |
|